- Arrest van 29 november 2012

29/11/2012 - F.11.0132.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 16, § 1, WIB92, zoals het van toepassing is op de aanslagjaren 1998 tot en met 2000, en uit zijn parlementaire voorbereiding, volgt niet dat de daarin bedoelde woning niet mag bestaan uit verscheidene kadastrale percelen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0132.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

1. C. H. en

2. B. B.,

Mr. Réginald Bribiosa, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 september 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 7 november 2012 ter griffie een schrif-telijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

De artikelen 7, § 1, 1°, a), en 16, § 1 en 5, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van toepassing voor de aanslagjaren 1998, 1999 en 2000, inzonderheid artikel 7, § 1, 1°, a), in de vorm als gewijzigd bij artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst op het volgende:

"De (verweerders) voeren aan dat zij de litigieuze flat op de benedenverdieping van hun gebouw, sinds de aankoop ervan in 1979/1980, altijd gebruikt hebben als uitbreiding van hun gezinswoning in het appartement van de vierde verdieping op hetzelfde adres in Ukkel, onder meer door er hun respectieve bureaus (als leraars), hun computers, een dressing en speelzaal in onder te brengen en dat het feit dat hun zoon die meerderjarig was geworden maar bij hen gedomicilieerd bleef en in het gezin bleef wonen, er nadien, van 1997 tot 1999, zijn bed had geïnstalleerd, volstrekt niet van belang is en niet kan worden aangemerkt als een wijziging van de feitelijke bestemming van het goed, zoals de administratie betoogt om haar wijzigingen te verantwoorden.

Het wordt niet ernstig betwist dat de (verweerders), tot aan de litigieuze aanslagjaren, regelmatig de samengevoegde kadastrale inkomens van hun beide appartementen op hetzelfde adres, aangegeven hebben onder de code 100, als zijnde één enkele gezinswoning en op grond van hun aangifte werden belast",

het arrest overweegt vervolgens:

"[De eiser] oordeelt ten onrechte (...) dat de (verweerders) op onwettige wijze voor de vorige aanslagjaren ook voor de flat op de benedenverdieping de belasting als gezinswoning hebben kunnen genieten, op grond dat de (verweerders) twee woningen zouden hebben gehad en slechts voor een van beide het stelsel van gezinswoning kunnen genieten, wat volgt uit het enkele feit dat er twee onderscheiden kadastrale inkomens bestaan (die oorspronkelijk werden vastgesteld toen er twee verschillende eigenaars waren) die in de kadastrale legger vermeld staan onder hetzelfde nummer van kadastraal perceel, zijnde één en hetzelfde kadastraal nummer voor het appartementsgebouw.

Het hof [van beroep] wijst niettemin erop dat het ook samengevoegde bedrag van de beide bewuste kadastrale inkomens dat als kadastraal inkomen voor de berekeningsbasis voor de onroerende voorheffing vermeld wordt op de aanslagbiljetten inzake onroerende voorheffing die de (verweerders) overleggen als voorbeeld voor de aanslagjaren 1985, 1997 en 2003 [...].

Artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing was voor de litigieuze aanslagjaren, vereist, zoals [de eiser] toegeeft, helemaal niet dat er slechts een enkel kadastraal inkomen bestaat voor de daarin vermelde gezinswoning. [Hij] beweert te steunen op artikel 471 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waaruit echter niet kan worden afgeleid dat de gezinswoning - die zich in een appartementsgebouw bevindt - zoals zij wordt bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, slechts een enkel kadastraal inkomen mag hebben.

Hij is steeds, behalve voor drie aanslagjaren waarvoor hij een wijziging heeft gehanteerd, van het tegendeel uitgegaan en heeft zowel de onroerende voorheffing als de personenbelasting berekend op de samengevoegde kadastrale inkomens van het appartement en van de flat die met hun aanhorigheden werden beschouwd als één enkele gezinswoning voor het gezin van de (verweerders) en van hun zoon tot zijn vertrek uit de gezinswoning.

De eerste rechter heeft dus de oorspronkelijke vordering betreffende de onroerende inkomsten terecht toegewezen",

en voor recht gezegd dat "het kadastraal inkomen van de flat op de benedenver-dieping van het appartementsgebouw gelegen in ..., onder de code 100 moet wor-den aangegeven als kadastraal inkomen van de gezinswoning, net zoals het kadas-traal inkomen betreffende de vierde verdieping van hetzelfde gebouw".

Grieven

Artikel 7, § 1, 1°, a), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het gold voor de litigieuze aanslagjaren, luidt als volgt:

"§ 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn:

1° voor niet verhuurde onroerende goederen:

a) voor in België gelegen goederen:

het kadastraal inkomen wanneer het gaat om ongebouwde onroerende goederen of de in artikel 16 vermelde woning ;

het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft".

Dat artikel 7, § 1, 1°, a), verwijst dus naar de in artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde woning om te bepalen hoe bebouwde onroerende goederen belast (en aangegeven) moeten worden.

Voornoemd artikel 16, zoals het van toepassing is op de litigieuze aanslagjaren, luidt als volgt:

"§ 1. Ingeval een belastingplichtige een woning betrekt waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, wordt het kadastraal inkomen van die woning verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met een woningaftrek ten bedrage van 120.800 frank, verhoogd met 10.000 frank voor de echtgenoot en voor ieder persoon ten laste van de belastingplichtige op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

(...)

§ 5. Wanneer de belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woningaftrek verleend voor één enkele woning naar zijn keuze".

In deze zaak staat vast dat de flat en het appartement waarvan de verweerders eigenaar zijn in hetzelfde gebouw van elkaar gescheiden zijn door drie verdiepingen en dat ze elk hun eigen keuken, hun eigen badkamer, hun eigen brievenbus, enz. hebben, alsook hun eigen kelder en hun eigen parkeerplaats.

Aangezien het begrip "woning", zoals het voorkomt in artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in [dat wetboek] niet wordt omschreven, moet de gangbare betekenis ervan in aanmerking worden genomen .

Welnu, onder "woning", in de gangbare betekenis van de term, moet worden begrepen een pand bestemd voor bewoning en overnachting.

Bijgevolg primeert de aard van het onroerend goed en niet het gebruik dat de betrokken persoon ervan maakt.

Elke andere oplossing druist kennelijk in tegen de wettekst en tegen de wil van de wetgever zoals die is uitgedrukt bij de goedkeuring van het artikel dat aan de basis van die aftrek ligt.

De wettekst bepaalt immers dat de toekenning van een woningaftrek gebaseerd is op "het" kadastraal inkomen van die woning.

In deze zaak staat het echter vast dat de twee litigieuze appartementen elk een verschillend kadastraal inkomen hadden.

Dat had trouwens niet anders gekund daar artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 12 april 1966 tot wijziging van het reglement voor de bewaring van het kadaster, gehecht aan het koninklijk besluit van 26 juli 1877 als volgt luidt: "een gebouw bestaande uit twee of meerdere boven elkaar gebouwde gehelen dienstig voor bewoning of uitbating, die al dan niet aan eenzelfde eigenaar toebehoren en die geen inwendige verbinding hebben in het gebouw, vormt op het plan slechts één enkel perceel maar er wordt een gebouwd inkomen toegekend aan ieder afzonderlijk gedeelte van het gebouw. Deze gehelen worden in de kadastrale legger opgenomen, onder de artikelen van de respectieve eigenaars, met hetzelfde kadastraal nummer in te schrijven in rode inkt en gevolgd door de vermelding van hun eigen aard, zoals: ondergrondse ruimte; kelderverdieping; ondergrondse ruimte en kelderverdieping; benedenverdieping; ondergrondse ruimte, kelder-verdieping en benedenverdieping; tussenverdieping, enz.".

Bijgevolg kent het arrest een woningaftrek toe, niet op één kadastraal inkomen, maar op twee kadastrale inkomens, wat strijdig lijkt met de tekst zelf van artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het van toepassing was op de litigieuze aanslagjaren.

De parlementaire voorbereiding die voorafging aan de goedkeuring van artikel 4, § 1, 4°,van de wet van 20 november 1962, dat ten grondslag ligt aan artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 luidt als volgt: "De vermindering slaat op het kadastraal inkomen van gans het huis, met inbegrip eventueel van de gedeelten die in huur worden gegeven. Evenwel is de vermindering slechts voor ieder begunstigde toe te staan op één kadastraal perceel. Ingeval de betrokkene in een hem toebehorend appartementsgebouw woont, slaat zij dus niet op de kadastrale inkomens van de in huur gegeven appartementen van het gebouw die afzonderlijk gekadastreerd zijn, doch alleen op het kadastraal inkomen van het appartement dat de eigenaar, bezitter, enz., zelf betrekt".

Een appartement in een appartementsgebouw wordt echter, krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit van 12 april 1966 tot wijziging van het reglement voor de bewaring van het kadaster, gehecht aan het koninklijk besluit van 26 juli 1877, ingedeeld bij een enkel kadastraal perceel (legger), waarbij enkel het gebouw in zijn geheel wordt beschouwd als een uniek kadastraal perceel (plan).

In deze zaak zijn de verweerders geen eigenaars van het appartementsgebouw in zijn geheel, maar enkel van twee appartementen in dat gebouw, die, omdat ze binnen in het gebouw in geen enkele verbinding met elkaar staan, slechts één enkel kadastraal perceel kunnen vormen.

Bijgevolg, aangezien de wetgever, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, de woonaftrek slechts heeft willen toestaan voor een enkel kadastraal perceel, konden de verweerders dat voordeel dus enkel genieten voor een van hun twee appartementen.

Uit wat voorafgaat volgt dat het arrest dat "(voor recht heeft gezegd dat) het ka-dastraal inkomen van de flat op de benedenverdieping van het appartementsge-bouw gelegen in ..., onder de code 100 moet worden aangegeven als kadastraal inkomen van de gezinswoning, net zoals het kadastraal inkomen betreffende de vierde verdieping van hetzelfde gebouw" op grond dat, "[de eiser] (...) ten on-rechte [oordeelt] (...) dat de [verweerders] twee woningen zouden hebben gehad en slechts voor een van beide het stelsel van gezinswoning kunnen genieten, wat volgt uit het enkele feit dat er twee onderscheiden kadastrale inkomens bestaan (die oorspronkelijk werden vastgesteld toen er twee verschillende eigenaars waren) die in de kadastrale legger vermeld staan onder hetzelfde nummer van kadastraal perceel, zijnde een en hetzelfde kadastraal nummer voor het appartements-gebouw", en dat "artikel 16 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing was voor de litigieuze aanslagjaren, (...) helemaal niet [vereist] dat er slechts één enkel kadastraal inkomen bestaat voor de daarin ver-melde gezinswoning", de in het middel vermelde bepalingen schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Artikel 16, § 1, WIB1992, zoals het van toepassing is op de litigieuze aanslagjaren, bepaalt dat, ingeval een belastingplichtige een woning betrekt waarvan hij ei-genaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, het kadastraal in-komen van die woning verminderd wordt, doch niet verder dan tot nihil, met een woningaftrek ten bedrage van 120.800 frank, verhoogd met 10.000 frank voor de echtgenoot en voor ieder persoon ten laste van de belastingplichtige op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

Uit die bepaling en zijn wetsgeschiedenis volgt niet dat de woning niet uit verscheidene kadastrale percelen samengesteld zou kunnen zijn.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Gus-tave Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 29 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van Erwin Francis en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Inkomsten uit onroerende goederen

  • Woning

  • Verscheidene kadastrale percelen