- Arrest van 29 november 2012

29/11/2012 - C.10.0094.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 5.3 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, de persoon die zich geschaad acht een vordering tot vergoeding van de volledige schade kan indienen, hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar de uitgever van die content gevestigd is, hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt; in plaats van een vordering tot vergoeding van de volledige schade kan die persoon ook een vordering indienen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan een op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest; deze gerechten kunnen enkel kennisnemen van vorderingen betreffende schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht (1). (1) Zie HvJ, arrest eDate Advertising, 25 okt. 2011, C-509/09 en C-161/10, http://curia.europa.eu en concl. O.M. in Pas. 2012, nr. … .


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0094.F

1. FUTEBOL CLUB S.A.D.,

2. V. B.,

3. R. C.,

4. D. R. D. C.,

5. P.S.V. nv,

6. JUVENTUS FOOTBALL CLUB,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. SPORTING EXCHANGE Ltd, vennootschap naar Engels recht,

2. WILLIAM HILL CREDIT LIMITED,

3. VICTOR CHANDLER (INTERNATIONAL) Ltd,

4. GLOBAL ENTERTAINMENT Ltd,

5. BWIN INTERNATIONAL Ltd (DETANDWIN),

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten aanzien van

LADBROKE BELGIUM nv,

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 30 juni 2009.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 21 september 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 5.3 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

- de artikelen 92, a), 93, § 5, en 94, § 2, van de verordening (EG) 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk;

- de artikelen 95 en 96 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelsprak-tijken en de voorlichting en bescherming van de consument.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest stelt eerst vast dat Sporting Exchange Ltd, William Hill Credit Limited, Victor Chandler (International) Ltd, Bwin International Ltd, hier, eerste, tweede, derde en vijfde verweersters allen in de Europese Unie gevestigd zijn, het verklaart de Belgische gerechten territoriaal onbevoegd - behalve met betrekking tot de vorderingen van PSV die gegrond zijn op de Benelux-merken - om kennis te nemen van de tegen die vennootschappen ingestelde vorderingen die steunen op het gebruik zonder toestemming, in het kader van hun onlineweddenschappen, van de naam, van de handelsnaam van de merken of nog van het portretrecht van de eisers.

Die beslissing steunt op de onderstaande redenen:

"1. De verschillende vennootschappen-(verweersters) bieden online sportweddenschappen aan:

- Sporting Exchange op de website ‘www.betfair.com', krachtens een spellicentie in het Verenigd Koninkrijk; de website is beschikbaar in 22 talen, maar niet in het Nederlands of het Frans;

- William Hill Credit Ltd op de website ‘www.Willhill.com' krachtens een spellicentie in het Verenigd Koninkrijk; de website is beschikbaar in 8 talen, maar niet in het Nederlands of het Frans;

- Victor Chandler op de website ‘www.vcbet.com', krachtens een licentie van de overheid te Gibraltar; de website is beschikbaar in 14 talen, waaronder noch Nederlands, noch Frans;

- Unibet op de website ‘www.mrbookmaker.com' dat ‘www.unibet.com' is geworden, krachtens licenties van de overheid van Malta, van het Verenigd Koninkrijk en van Italië; de website is onder meer in het Nederlands en het Frans beschikbaar;

(...) - Bwin International Ltd op de website ‘www.bwin.com', krachtens een licentie van de overheid te Gibraltar; de website is beschikbaar in 21 talen waaronder Frans, maar geen Nederlands. (...)

1.1. Toepassing van de verordening (EG) 44/2001 op de zaak

Krachtens artikel 2 van de verordening is de rechter van de woonplaats van de verweerder in beginsel de natuurlijke rechter van het geschil. ‘Le considérant n° 11 revêt une grande importance. Il déclare que les règles de compétence doivent présenter un haut degré de prévisibilité et s'articuler autour de la compétence de principe du domicile du défendeur et que cette compétence doit toujours être disponible, sauf dans quelques cas bien déterminés où la matière en litige ou l'auto-nomie des parties justifie un autre critère de rattachement' (G.A.L. Droz et H. Gaudemet-Tallon, La transformation de la Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968 en règlement du Conseil concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale, p. 609, nr, 8). ‘Comme l'a souvent déclaré la Cour de justice, cette règle de compétence, qui « est l'expression de l'adage actor sequitur forum rei » et qui « s'explique par le fait qu'elle permet au défendeur de se défendre, en principe, plus aisément » (C.J.C.E., 19 février 2002, Besix, C-256/00, Rec., I, 1699), est « la règle générale » (v. par ex. C.J.C.E., 11 janvier 1990, Dumez-France c/ Hessische Landesbank et autres, C-220/88, Rec., I, 49) ou « constitue le principe général » (v. par ex. C.J.C.E., 13 juillet 2000, Group Josi Reinsurance c/ Universal General Insurance, C-412/98, Rec., I, 5925)' (D. Alexandre en A. Huet, Compétence, reconnaissance et exécution (Matières civile et commerciale), 2003, Rép. communautaire Dalloz, p. 26, nr. 133).

Nochtans werd geen enkele van de vennootschappen-(verweersters) voor haar na-tuurlijke rechter gedaagd. Wel integendeel, de eisers hebben ervoor gekozen hen voor de Belgische gerechten te dagen waarvan zij beweren dat ze bevoegd zijn om kennis te nemen van de zaak krachtens artikel 5.3 in zoverre België een van de plaatsen is waar de schade die (zij) hebben geleden zich heeft voorgedaan en enkel de in België geleden schade in deze rechtsvordering wordt aangevoerd.

Artikel 5.3 bepaalt immers dat een persoon die woonplaats heeft op het grondge-bied van een lidstaat, in een andere lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit on-rechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in een arrest van 30 november 1976 (Handelskwekerij G.J.B. BV t/ Mines de potasse d'Alsace s.a., 21-76) gepreciseerd dat de uitdrukking ‘"plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats waar de schade is ingetreden, als de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld, waarbij de verweerder, als die plaatsen niet dezelfde zijn, naar keuze van de verzoeker kan worden opgeroepen voor de rechter van de ene of de andere plaats.

Ten slotte heeft het arrest S., uitgesproken door hetzelfde hof op 7 maart 1995 (C-68/93), voorts vermeld dat de gelaedeerde, in geval van belediging door middel van een in verschillende Verdragsluitende Staten verspreid artikel in de pers, tegen de uitgever een rechtsvordering tot schadevergoeding kan instellen voor ofwel de gerechten van de Verdragsluitende Staat van de plaats van vestiging van de uitgever van de beledigende publicatie, die bevoegd zijn de vordering betreffende de volledige schade als gevolg van de belediging toe te wijzen, ofwel de gerechten van elke Verdragsluitende Staat waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast, welke gerechten enkel bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen betreffende de in de staat van het geadieerde gerecht veroorzaakte schade.

De (eisers) willen dat die beginselen worden toegepast in de gevallen van de web-sites met extensie ‘.com' die geacht worden voor iedereen om het even waar ter wereld toegankelijk te zijn.

Zij zijn van oordeel dat de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de schade waardoor hun rechten in die Staat zouden zijn aangetast omdat, en dat is volgens hen een doorslaggevende vaststelling, er in België zonder enige beperking weddenschappen kunnen worden aangegaan op de litigieuze websites van de (verweersters). Zij beschouwen alle overige criteria in het debat over de bevoegdheid van ondergeschikt belang, aangezien het voor hen geen enkele twijfel lijdt dat de bewuste websites zich tot de Belgische markt richten.

Artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001 is een optionele regel van aanvullende bevoegdheid, net zoals de overige regels in de artikelen 5, 6 en 7 van de verordening. Die regels ‘berusten (...) op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de staat van de woonplaats van verweerder, zodat de bevoegdheid van deze rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting' (HvJ. voormeld arrest van 11 januari 1990). ‘C'est à la lumière de ce fondement que ces règles doivent être interprétées; mais, comme elle dérogent au principe général de l'article 2, la Cour de justice a déclaré, souvent, qu'"elles ne sauraient donner lieu à une interprétation allant au-delà des hypothèses envisagées par la convention" (v. par ex. C.J.C.E., 19 janvier 1993, S. L. H., C-89/91, Rec., I, 139) et même parfois, qu'elles "sont d'interprétation stricte" (C.J.C.E., 27 septembre 1988, K. c/ Banque Schröder et autres, 189/87, Rec., 5565)' (D. A. en A. H., op. cit., p. 26, nr. 135).

Hier wringt het schoentje in de redenering van de (eisers).

De loutere omstandigheid, die volgens hen doorslaggevend is, dat de litigieuze websites toegankelijk zijn voor het Belgische publiek, betekent niet dat er een bijzondere nauwe aanknopingsfactor bestaat tussen het geschil en de Belgische gerechten zodat de bevoegdheid van die gerechten wordt gerechtvaardigd, om de eenvoudige reden dat het om websites met de extensie‘.com' gaat die, zodra ze online zijn, terstond en automatisch toegankelijk zijn in alle Lidstaten van de Eu-ropese Unie, om het nog maar te hebben over wat haar aanbelangt.

Websurfers van elke van de overige verdragsluitende Staten, kunnen, net zoals Belgische websurfers, hun weddenschappen op die sites doen registreren, zodat, als we de uitlegging volgen die de (eisers) aan artikel 5.3 willen geven, de gerechten van alle Lidstaten tezelfdertijd bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van de eventuele schade die op het grondgebied van hun Staat veroorzaakt is, naast de natuurlijke gerechten, zijnde de gerechten van de woonplaats van de (verweersters), die bevoegd zijn om kennis te nemen van de aangevoerde schade in haar geheel.

Zodoende zou dus de grondslag kunnen worden gelegd voor een pan-Europese bevoegdheid. Dat gevolg druist echter duidelijk in tegen de doelstellingen van de verordening en, voorheen, van het Verdrag van Brussel, in zoverre die akten uit-drukkelijk de erkenning en uitvoering van rechterlijke beslissingen buiten de staat waarin ze zijn genomen, moeten vergemakkelijken, wat impliceert dat het onontbeerlijk is te voorkomen dat er een veelvoud van bevoegde rechters ontstaat, zo niet verhoogt immers het gevaar van onverenigbare beslissingen.

Die stelling wordt uitdrukkelijk in herinnering gebracht door het voornoemde arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 1990 (Dumez France en T. t/ Hessische Lan-desbank). Het verbiedt immers dat artikel 5.3 in die zin zou kunnen worden uitgelegd dat een verzoeker die stelt schade te hebben geleden die het gevolg is van schade geleden door andere personen, die rechtstreeks door het schadebrengende feit zijn gelaedeerd, de veroorzaker van dat feit kan oproepen voor de gerechten van de plaats waar hijzelf de schade in zijn vermogen heeft vastgesteld:

‘17. Slechts bij wijze van uitzondering op de algemene regel dat de gerechten van de staat van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, voorziet afdeling 2 van titel II in een aantal gevallen van bijzondere bevoegdheid, waaronder die van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag. Zoals het Hof in de rechtsoverwegingen 10 en 11 van zijn arrest van 30 november 1976 reeds vaststelde, berusten deze ter keuze van de verzoeker staande bijzondere bevoegdheden op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de staat van de woonplaats van verweerder, zodat de bevoegdheid van deze rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting .

18. Voor het bereiken van dit doel, dat van fundamenteel belang is in een verdrag dat hoofdzakelijk is gericht op het vergemakkelijken van de erkenning en uitvoering van rechterlijke beslissingen buiten de staat waarin zij zijn genomen, moet absoluut worden vermeden dat er een veelvoud van bevoegde rechters ontstaat . Dit laatste verhoogt immers het gevaar van onverenigbare beslissingen en dergelijke onverenigbare beslissingen zijn volgens artikel 27, sub 3, een grond om erkenning of verlof tot tenuitvoerlegging te weigeren .

19. Genoemde doelstelling verzet zich bovendien tegen elke uitlegging van het Executieverdrag die, behoudens in de uitdrukkelijk voorziene gevallen, zou kunnen leiden tot het erkennen van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker en deze laatste daardoor de mogelijkheid zou bieden om door de keuze van zijn woonplaats de bevoegde rechter te bepalen'.

Voorts volgt uit de overwegingen van het Hof van Justitie, enerzijds, dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' in artikel 5.3 slechts aldus mag worden verstaan, dat zij verwijst naar de plaats waar een schade is ingetreden die een nauw verband heeft met de andere bestanddelen van de aansprakelijkheid, en anderzijds, dat hetzelfde begrip geen aanleiding mag geven tot uitleggingen op grond waarvan de verzoeker, behoudens in de uitdrukkelijk voorziene gevallen, zelf de bevoegde rechter zou kunnen kiezen.

De zienswijze van de (eisers) dat de dienstverlening aan een in België gelokaliseerde websurfer een akte is die gedekt is door de aanknopingsfactoren van artikel 5.3 van de verordening 44/2001 aangezien, indien de plaats van verspreiding van een publicatie, volgens het Hof van Justitie de grondslag kan vormen voor de internationale bevoegdheid, dit a fortiori het geval is voor de plaats van een dienstverlening, komt te dezen erop neer objectief onderscheiden toestanden te assimileren en opent de deur, inzake internet, voor een duidelijke tactiek van ‘forum shopping' die door het Hof van Justitie duidelijk wordt veroordeeld als zijnde strijdig met de doelstellingen van de verordening.

Het is echter duidelijk dat het Hof van Justitie in het arrest S., waarnaar de (eisers) ook verwijzen, het volgende gepreciseerd heeft: "In een situatie waarin de belediging door middel van de pers een internationaal karakter heeft, manifesteert de aantasting van de eer, de goede naam of het aanzien van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zich op de plaatsen waar de publicatie wordt verspreid, wanneer de gelaedeerde daar bekend is" (considerans 29).

In deze zaak evenwel,

- is er niet alleen een onderscheid tussen een papieren publicatie en de verspreiding van een website precies omdat het eerste geval noodzakelijkerwijs van de uitgever vereist dat hij voor elk verschillend afzetgebied dat hij wil bestrijken een afzonderlijke handeling moet stellen, wat impliceert dat hij zeggenschap behoudt over de plaatsen waar hij de verspreiding wil doen, in tegenstelling tot de verspreiding van een website die ogenblikkelijk en automatisch gebeurt over het volledige geografische gebied waarnaar de domeinnaam verwijst, en dit louter en alleen door het online zetten van de content,

- had F. S. bovendien de Franse uitgever opgeroepen voor de gerechten van Enge-land en van Wales waar zij bekend was omdat zij er woonde, terwijl de (eisers) een dagvaarding hebben uitgebracht voor de gerechten van België, waar zij, weliswaar, voor het merendeel naambekendheid hebben, maar ook niet meer dan dat omdat zij met die Staat geen enkele band hebben.

Die beide vaststellingen wijzen dus nog duidelijker op ‘forum shopping'.

Het hof van beroep te Parijs, waarbij een volstrekt vergelijkbaar geschil aanhangig was gemaakt, heeft de bevoegdheid van de Franse gerechten afgewezen in een arrest van 14 februari 2008. Het overwoog dat het bestaan van een schadeveroor-zakend feit dat zich in Frankrijk kan hebben voorgedaan, onderstelt dat het bestaan wordt vastgesteld van een toereikende, wezenlijke of significante band van de aangevoerde strafbare feiten met het Franse grondgebied, en het heeft erop gewezen dat geen enkele van die onlinegoksites in Frankrijk gehost was, dat de websites ‘ladbrokes' en ‘betfair' geen enkele rubriek in het Frans bevatten, ondanks het gebruik van tal van andere talen, dat de website ‘miapuesta' enkel in het Spaans bestond, dat de website ‘willhill' geen weddenschappen op Franse wedstrijden aanbood, dat de overige websites er wel aanboden maar dat in uiterst beperkte mate, dat het geld dat de gokkers storten in het buitenland werd gedeponeerd en dat uit de cijfergegevens bleek dat het aantal weddenschappen in Frankrijk onbeduidend was. Het kwam aldus tot de slotsom dat de bewuste websites, door hun werkwijze en hun content, slechts in heel beperkte mate voor het Franse publiek bestemd waren en dat het aangevoerde schadeveroorzakende feit dus geen toereikende, wezenlijke of significante band met het Franse grondgebied vertoonde om de gerechten van die Staat ervoor bevoegd te verklaren.

M. P. S. wijst erop dat, indien, ‘à l'occasion de l'adoption du règlement Bruxelles I, les questions spécifiques posées par le commerce électronique en matière de compétence internationale furent abordées pour la première fois (...), on constate cependant que certains aspects liés à l'utilisation d'internet n'ont pas été traités, notamment l'application de la règle de compétence en matière délictuelle'. Zij is van oordeel dat, ‘sur la base d'une application cohérente des chefs de compétence prévus par la Convention', alleen maar het feit dat er verspreiding op het internet is gebeurd in een Lidstaat, niet voldoende is om aan te tonen dat het onrechtmatige feit daar is gepleegd of dat de schade zich daar heeft voorgedaan, daar de alomtegenwoordigheid van het internet bovendien vereist dat het bestaan wordt vastgesteld van een toereikende band met het betrokken grondgebied, zodat de bevoegdheid van de gerechten van dat grondgebied wordt gerechtvaardigd (commentaar onder Prés. commerce Nivelles, 14 september 2001,', Annuaire Pratiques du Commerce & Concurrence, 2001, p. 764).

De (eisers) voeren aan dat er geen fataliteit van het web bestaat en dat de (ver-weersters), indien zij echt de territoriale draagwijdte van hun dienstverlening op het web zouden willen beperken, dat op technisch vlak perfect zouden kunnen uit-voeren, net zoals de Franse marktdeelnemer, die zij als voorbeeld vermelden, zijn transactiewebsite met extensie ‘.com' uitsluitend voor de Franse markt toegankelijk heeft gemaakt. Op dat punt worden zij niet tegengesproken. Zij wijzen erop dat de (verweersters) geen enkele technische maatregel hebben genomen om de territoriale draagwijdte van hun website te beperken en dat zij, in hun algemene voorwaarden, enkel op algemene wijze de Staten uitsluiten in wier rechtsbestel weddenschappen ongeoorloofd zijn. (De eisers) benadrukken ook dat de (verweersters), die zeker geen slachtoffer zijn van het mondiale karakter van het internet, voluit voordeel willen halen uit die mondiale draagwijdte en dus ervan moeten uitgaan dat zij op het web diensten aanbieden voor alle markten, met inbegrip van de Belgische markt, daar het van hunnentwege om een welbewuste keuze gaat.

Het argument is interessant maar niet doorslaggevend. In tegenstelling tot ge-schriften die niet op de internationale markten verspreid kunnen worden zonder positieve handelingen van de uitgever, valt niet te ontkennen dat dat de websites met extensie ‘.com' automatisch een mondiale draagwijdte hebben, behalve indien de verantwoordelijke van de website negatieve maatregelen neemt om de draagwijdte ervan te beperken. Voorts kan de omstandigheid dat de Belgische markt niet wordt uitgesloten in de zaak niet aantonen dat er sprake is van een bijzonder nauwe band met het Belgische grondgebied, aangezien dat ook, naar eigen zeggen van de (eisers), het geval is voor de meeste Lidstaten van de Europese Unie.

In werkelijkheid blijkt uit de eigen gegevens van de litigieuze websites niet dat er een bijzonder nauw aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en België.

Er werd reeds gezegd dat geen enkele van de opgeroepen vennootschappen die de websites beheren haar maatschappelijke zetel in België heeft en dat geen enkele van de bewuste websites in België gehost is.

Geen enkele van de (eisers) is in België gedomicilieerd of heeft er een bijzonder aanknopingspunt. Door hun reputatie zijn zij er min of meer bekend, maar dat betekent niets bijzonders.

De goksites zijn toegankelijk voor Belgische websurfers die er hun weddenschappen kunnen laten registreren net zo goed als ze toegankelijk voor websurfers in andere lidstaten, aangezien het om websites met extensie‘.com' gaat die hun afzetgebied tot heel Europa willen uitbreiden.

De omstandigheid dat die websites het Belgische grondgebied niet hebben uitge-sloten van hun bereik, getuigt niet van een bijzondere aandacht voor de Belgische markt, aangezien dat het geval is voor de overgrote meerderheid van de overige Staten. Voor het overige hebben ze evenmin een extensie‘.be' gecreëerd die eigen is voor België.

Ze bestaan in verscheidene talen, maar de twee in België meest gebruikte talen horen daar niet systematisch bij.

Ze bieden weliswaar weddenschappen aan op Belgische wedstrijden, net zoals ze dat doen voor buitenlandse kampioenschappen.

De (eisers) tonen niet aan dat gebruik wordt gemaakt van een bijzondere technologie of technieken van klantenwerving die wijzen op een echt marketingbeleid voor het Belgische publiek. Enkel voor Bwin International tonen zij aan dat deze mailings stuurt die aangepast zijn aan het profiel van de klant, zijnde de Belgische websurfer die geregistreerd is als klant die bijvoorbeeld reclame ontvangt voor de Belgische competitie. Naar eigen zeggen van de (eisers) is die geïsoleerde werkwijze niet eigen aan de Belgische markt, maar kenmerkend voor het algemeen commercieel beleid van Bwin ten aanzien van haar klanten.

Wat ten slotte de cijfergegevens betreft, wordt niet betwist dat het aantal weddenschappen door het Belgische publiek volstrekt onbeduidend is in vergelijking met het totale aantal door die websites geregistreerde weddenschappen.

Volgens die cijfers die de weddenschapvennootschappen voor het jaar 2005 ver-strekken en die niet door de tegenpartij worden betwist, vertegenwoordigen de Belgische weddenschappen op voetbalwedstrijden:

- 0,20 pct. voor ‘bwin.com',

- 0,19 pct. voor ‘willhill.com',

- 0,15 pct. voor ‘betfair.com',

- 0,13 pct. voor ‘ladbrokes.com',

- ‘vcbet.com' maakt melding van 40 Belgische gokkers voor al haar weddenschappen samen.

De (eisers) voeren daartegen aan dat de kwestie van de aanwezigheid (belangrijk of bijkomstig) niet doorslaggevend is voor de kwestie van de internationale bevoegdheid en herinneren eraan dat de internationale bevoegdheid in de zaak F. S. werd aanvaard, ook al werden maar vijf exemplaren van de litigieuze publicatie (op 250.000) verspreid in de stad waar de geadieerde rechtbank zitting hield.

Hierbij wordt echter vergeten dat er in de zaak F. S. hoe dan ook een bijzonder nauwe aanknopingsfactor bestond tussen de aantasting van haar goede naam die de verzoekster aanvoerde en de geadieerde rechtbanken, ongeacht het aantal exemplaren die werden verspreid op de plaats van de rechtbank, aangezien de klaagster op die plek woonde en dus in hoofdzaak getroffen was door de daar gelaakte aantasting; het kwantitatieve belang van de verspreiding speelde dus logischerwijze slechts mee op het stuk van de schade.

Hier, daarentegen, wordt het kwantitatieve criterium onderzocht om na te gaan of er een bijzonder nauw aanknopingspunt is tussen het geschil en België, aangezien er geen enkel ander bestaat. Ook in dat verband is het antwoord negatief: de (verweersters) zijn inderdaad gerechtigd te stellen dat hun handelsbetrekkingen met België verwaarloosbaar zijn.

Tot slot beroepen de (eisers) zich op de aard zelf van sommige rechten die zij aanvoeren, namelijk de merktekens waarvan de bescherming territoriaal is.

Dat geldt voor de naam en het merk van de voetbalclubs PSV, F.C. Porto en Juventus, alsook voor de naam van sommige spelers, die, volgens de (eisers) in feite, vanzelfsprekend, handelsnamen zijn.

Handelsnamen worden beschermd in de zone waar ze bekend zijn (D. Dessard en J. Ligot, ‘Nom commercial et enseignes belges', in Les droits intellectuels, Larcier 2007, p. 209). De (eisers) rechtvaardigen niet waarom de handelsnamen waarop zij zich beroepen in België een andere uitstraling zouden hebben, op grond waarvan een bijzonder nauw aanknopingspunt met die Staat zou kunnen worden aangetoond.

F.C. Porto, PSV en Juventus maken gewag van Gemeenschapsmerken. Juventus voert ook een internationaal merk aan. En tot slot voert PSV Benelux-merken aan.

De bescherming van de Gemeenschapsmerken en de internationale merken strekt zich uit over de hele Europese Unie. Dat criterium verandert dus niets aan die hierboven gemaakte analyse: op zich kan het niet verantwoorden dat het geschil een bijzonder nauwe band met België vertoont".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 5.3 van de verordening, (CE) 44/2001 bepaalt dat een persoon die een woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat, "ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad [kan worden opgeroepen] voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen".

Vorderingen die de aansprakelijkheid van de verweerder in gedrang brengen wegens miskenning van het recht op de naam, op de handelsnaam, op het portretrecht van een persoon of op de merken waarvan hij houder is, zijn vorderingen ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, die vallen onder artikel 5.3 van de verordening 44/2001.

Wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat een delictuele aansprakelijkheid of een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen en de plaats waar dat feit schade heeft veroorzaakt of kan veroorzaken, niet dezelfde zijn, kan de verweerder worden opgeroepen, naar keuze van de verzoeker, voor de rechtbank, ofwel van de plaats waar de schade is ingetreden, ofwel van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan, waarbij elke plaats nuttig kan zijn voor het bewijs van het feit of van de schade en de rechtsbedeling, terwijl artikel 5.3, indien enkel zou worden gekozen voor de plaats van de veroorzakende gebeurtenis, in een aanzienlijk aantal gevallen, zijn gunstige werking zou verliezen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 maart 1995, S. (zaak C-68/93) volgt dat de uitdrukking "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan", "in geval van belediging door middel van een in verschillende Verdragsluitende Staten verspreid artikel in de pers aldus worden uitgelegd dat de gelaedeerde tegen de uitgever een rechtsvordering tot schadevergoeding kan instellen voor ofwel de gerechten van de Verdragsluitende Staat van de plaats van vestiging van de uitgever van de beledigende publicatie, die bevoegd zijn de vordering betreffende de volledige schade als gevolg van de belediging toe te wijzen, ofwel de gerechten van elke Verdragsluitende Staat waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast, welke gerechten enkel bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen betreffende de in de staat van het geadieerde gerecht veroorzaakte schade".

Uit dat arrest volgt ook dat de voorwaarden op basis waarvan moet worden be-oordeeld of het litigieuze feit als een schadebrengend feit is aan te merken, en de voorwaarden voor het bewijs van het bestaan en de omvang van de aangevoerde schade niet door de verordening 44/2001 worden geregeld, maar worden beheerst door het materiële recht dat door de collisieregels van het nationale recht van de aangezochte rechter wordt aangewezen.

Hieruit volgt de gelaedeerde, in het geval van aantasting van de rechten van een persoon op de naam, de handelsnaam, het portretrecht of op de merken waarvan hij houder is, via websites die online sportweddenschappen aanbieden die toegankelijk zijn voor het Belgische publiek en waar weddenschappen geregistreerd worden of kunnen worden, volgens zijn eigen keuze tegen degene die voor de website verantwoordelijk is een rechtsvordering tot herstel of tot staking kan instellen voor de gerechten van de Lidstaat van de plaats van zijn vestiging, die bevoegd is om de volledige schade te vergoeden die het gevolg is van de miskenning door de website van het persoonlijkheidsrecht of van het recht op intellectuele of industriële eigendom, ofwel voor de gerechten van elke Verdragslui-tende Staat waarin de website toegankelijk is en de weddenschappen kunnen worden geregistreerd, en waarin de eiser beweert in zijn patrimoniale of extra-patrimoniale rechten aangetast te zijn, welke gerechten enkel kunnen oordelen over de schade die in de staat van het geadieerde gerecht is veroorzaakt.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft er al op gewezen dat de regel van bijzondere bevoegdheid van artikel 5.3 berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de staat van de woonplaats van de verweerder (arrest 30 november 1976, Mines de potasse d'Alsace, 21/76, Jurispr. 1976, blz. 1735, r.o. 11; arrest 11 januari 1990, zaak C-220/88, Dumez France en T., Jurispr. 1990, blz. I-49, r.o. 17; arrest 7 maart 1995, S., r.o. 19). De plaats waar de schade zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, vormt aldus, in se, een toereikende aanknopingsfactor zodat de bevoegdheid van de gerechten van die Staat om de schade op zijn grondgebied te herstellen of te voorkomen, wordt gerechtvaardigd, zonder dat de eiser dient te bewijzen dat er een ander aanknopingspunt tussen het geschil en die gerechten bestaat, en, bijgevolg, zonder dat de bevoegdheid van die gerechten afhangt van enig kwantitatief criterium, van een bijzondere aandacht van het publiek van die Staat of van technologieën of technieken waaruit een bijzonder marketingbeleid ten aanzien van het publiek van de Staat blijkt.

Het bestreden arrest aanvaardt dat de litigieuze websites van de verweersters toegankelijk zijn voor het Belgische publiek en dat weddenschappen op die websites worden geregistreerd in België.

Het sluit niettemin de internationale bevoegdheid van de Belgische gerechten uit op grond van artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001 op grond dat, in essentie, "uit de eigen gegevens van de litigieuze websites niet kan worden afgeleid dat er een bijzonder nauwe aanknopingsfactor bestaat tussen het geschil en België", of "dat geen enkele van de vennootschappen die de websites beheren haar maat-schappelijke zetel in België heeft" en "dat geen enkele van de bewuste websites in België gehost is", "geen enkele van de (eisers) (...) in België gedomicilieerd (is) of (...) er een bijzonder aanknopingspunt (heeft). Door hun reputatie zijn zij er min of meer bekend, maar dat betekent niets bijzonders", De omstandigheid dat die websites het Belgische grondgebied niet hebben uitgesloten van hun bereik, "getuigt niet van een bijzondere aandacht voor de Belgische markt", die websites "hebben (..) geen extensie‘.be' gecreëerd die eigen is voor België"; "ze bestaan in verscheidene talen, maar de twee in België meest gebruikte talen horen daar niet systematisch bij", "ze bieden (...) weddenschappen aan op Belgische wedstrijden, net zoals ze dat doen voor buitenlandse kampioenschappen", er wordt niet aange-toond "dat gebruik wordt gemaakt van een bijzondere technologie of technieken van klantenwerving die wijzen op een echt marketingbeleid voor het Belgische publiek", en het feit dat Bwin International mailings stuurt die aangepast zijn aan het profiel van de Belgische websurfer is slechts "een geïsoleerde werkwijze" die "niet eigen (is) aan de Belgische markt"; "wat de cijfergegevens betreft" is "het aantal weddenschappen door het Belgische publiek volstrekt onbeduidend (...) in vergelijking met het totale aantal door die websites geregistreerde weddenschappen", waarbij "het kwantitatieve criterium" wordt "onderzocht om na te gaan of er bijzonder nauw aanknopingspunt is tussen het geschil en België, aangezien er geen enkel ander bestaat", tot slot "(strekt) de bescherming van de Gemeenschapsmerken en de internationale merken (...) zich uit over de hele Europese Unie" zodat "dat criterium (...) niets (verandert) aan die hierboven ge-maakte analyse: op zich kan het niet verantwoorden dat het geschil een bijzonder nauwe band met België vertoont".

Aldus schendt het bestreden arrest artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001.

Aangezien het middel de vraag opwerpt naar de uitlegging van die bepaling, dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, op grond van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie als geconsoli-deerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 april 1998, de onderstaande prejudiciële vraag te worden gesteld:

Dient artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001, wanneer het gaat om een vordering die gegrond is op het herstel of de staking van schade of gevaar voor schade ten gevolge van de schending door een weddenschapvennootschap die gekozen heeft haar diensten van sportweddenschappen te verkopen in alle Lidstaten van Europese Unie via een website met extensie ‘.com', van het recht op de naam, op de handelsnaam, op het portretrecht van een persoon of op de merken waarvan hij de houder is, in die zin te worden uitgelegd dat de gerechten van een Lidstaat waar transacties op de websites zijn gebeurd, zeker bevoegd zijn om kennis te nemen van de schadeclaims tot herstel van de aantastingen van zijn naam, zijn handelsnaam of zijn merken die de gelaedeerde beweert te ondergaan op het Grondgebied van die Staat?

Dient artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001, bij een ontkennend antwoord of wanneer er nog geen enkele transactie is vastgesteld op de litigieuze website, in die zin te worden uitgelegd dat, om te plaats te bepalen waar de schade zich heeft voorgedaan of kan voordoen, de volgende criteria in aanmerking moeten worden genomen

- de keuze van de weddenschapvennootschap om de website toegankelijk te maken op het grondgebied van de Lidstaat wiens gerecht werd geadieerd?

- de hosting van de website ?

- het aantal transacties die werden geregistreerd vanuit het grondgebied van de Lidstaat wiens gerecht werd geadieerd in verhouding tot alle op de website geregistreerde transacties?

- een bijzondere aandacht van de verantwoordelijke van de website voor de markt van die Lidstaat, die zich uit door een bijzondere technologie of een techniek van klantenwerving die specifiek het publiek van die Lidstaat beogen?

- de woonplaats van de eiser in de rechtsvordering?

Tweede onderdeel

Artikel 93, § 5, van de verordening (EG) 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk regelt de internationale bevoegdheid voor alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsmerken, wat in België het geval is krachtens de artikelen 95 en 96 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.

Het bepaalt dat die procedures "ook (kunnen) worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de Lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden".

Artikel 94, § 2, van die verordening bepaalt, met betrekking tot de omvang van de bevoegdheid dat een "rechtbank voor het Gemeenschapsmerk (..) alleen bevoegd (is) voor handelingen of dreigende handelingen op het grondgebied van de van de Lid-Staat waar die rechtbank gelegen is.

Daaruit volgt, dat inzake het Gemeenschapsmerk, de vordering tot staking van een inbreuk op het internet, ingesteld kan worden, ofwel voor de gerechten van de Lidstaat waar het schadebrengende feit zich voordoet, ofwel voor de gerechten van de Lidstaat waar de gelaedeerde stelt een aantasting of een dreigende aantasting van zijn Gemeenschapsmerk te ondergaan.

Het bestreden arrest, dat vaststelt, enerzijds, dat "F.C. Porto, PSV en Juventus "gewag maken van Gemeenschapsmerken" en, anderzijds, dat Belgische weddenschappen werden geregistreerd op de litigieuze websites, hoewel "het aantal weddenschappen door het Belgische publiek volstrekt onbeduidend is in vergelijking met het totale aantal door die websites geregistreerde weddenschappen", maar dat, om de in het middel weergegeven redenen, de internationale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitsluit om kennis te nemen van de op de Gemeenschapsmerken van F.C. Porto, PSV Juventus gegronde vorderingen, schendt, naast artikel 5.3 van de verordening (EG) 44/2001, de artikelen 92, a), 93, § 5, en 94, § 2, van de verordening (EG) 40/94 alsook de artikelen 95 en 96 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 5.3 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de ten-uitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, opgeroepen worden voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het arrest Mi-nes de potasse d'Alsace van 30 november 1976 (nr. 21/76) gepreciseerd dat de uitdrukking "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats waarde de schade is ingetreden, als de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld.

3. In het arrest S. van 7 maart 1995 (C-68/93) heeft hetzelfde Hof geoordeeld dat de gelaedeerde, in geval van belediging door middel van een in verschillende Verdragsluitende Staten verspreid artikel in de pers, tegen de uitgever een rechts-vordering tot schadevergoeding kan instellen voor ofwel de gerechten van de Verdragsluitende Staat van de plaats van vestiging van de uitgever van de beledi-gende publicatie, die bevoegd zijn de vordering betreffende de volledige schade als gevolg van de belediging toe te wijzen, ofwel de gerechten van elke Verdrag-sluitende Staat waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast, welke gerechten enkel bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen betreffende de in de staat van het geadieerde gerecht veroor-zaakte schade.

4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest e-Date Adverti-sing van 25 oktober 2011 (C-509/09 en C-161/10) eerst overwogen dat internet dus het nut van het verspreidingscriterium beperkt, daar de reikwijdte van de ver-spreiding van content via internet in beginsel wereldwijd is, en dat de in het arrest S. omschreven aanknopingscriteria dan ook moeten worden aangepast, en beslist dat artikel 5, punt 3, van de voornoemde verordening (EG) nr. 44/2001 "aldus (moet) worden uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de per-soonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, de persoon die zich ge-laedeerd acht een vordering tot vergoeding van de volledige schade kan indienen, hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar de uitgever van die content gevestigd is, hetzij bij de gerechten van de lidstaat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt" en dat "die persoon ook een vordering (kan) indienen bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan een op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest" maar dat, in dat geval, "deze gerechten (...) enkel (kunnen) kennisnemen van vorderingen betreffende schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht".

5. Het bestreden arrest brengt eerst de in het voornoemde arrest S. vermelde be-ginselen in herinnering en wijst vervolgens erop dat "de [eisers] [...] de bevoegd-heid van de Belgische gerechten om kennis te nemen van de schade die in die Sta-ten aan hun rechten is toegebracht, gronden op de vaststelling [...] dat in België zonder enige beperking weddenschappen kunnen worden aangegaan op de litigi-euze websites van de [verweersters]".

Het bestreden arrest vermeldt dat de loutere omstandigheid "dat de litigieuze web-sites toegankelijk zijn voor het Belgische publiek, (niet) betekent (...) dat er een bijzondere nauwe aanknopingsfactor bestaat tussen het geschil en de Belgische gerechten zodat de bevoegdheid van die gerechten wordt gerechtvaardigd", dat er in werkelijkheid "uit de eigen gegevens van de litigieuze websites niet kan worden afgeleid dat er een bijzonder nauwe aanknopingsfactor bestaat tussen het geschil en België. [...] De goksites zijn toegankelijk voor Belgische websurfers die er hun weddenschappen kunnen laten registreren net zo goed als ze toegankelijk voor websurfers in andere lidstaten, aangezien het om websites met extensie‘.com' gaat die hun afzetgebied tot heel Europa willen uitbreiden. De omstandigheid dat die websites het Belgisch grondgebied niet van hun bereik hebben uitgesloten, is geen teken dat er een bijzondere aandacht voor de Belgische markt bestaat, aangezien dat ook het geval is voor de grote meerderheid van de overige Staten. Ze hebben overigens geen extensie ‘.be' gemaakt die eigen is aan België. Ze zijn beschikbaar in meerdere talen, maar de twee in België meest gebruikte talen horen daar niet systematisch bij".

Het overweegt tot slot dat "niet betwist wordt dat het aantal weddenschappen door het Belgisch publiek trouwens volstrekt onbeduidend is in vergelijking met het totale aantal door die websites geregistreerde weddenschappen", dat, hoewel, in de zaak S., slechts vijf exemplaren van de 250.000 van de litigieuze publicatie waren verspreid in de stad waar de geadieerde rechtbank zitting hield, "er [in die zaak] hoe dan ook een bijzonder nauwe aanknopingsfactor was tussen de aantas-ting van haar goede naam die de verzoekster aanvoerde en de geadieerde recht-banken, ongeacht het aantal in het eigen land verspreide exemplaren, aangezien de klaagster op die plek woonde en dus leed onder de daar gelaakte aantasting" en dat "de [verweersters] inderdaad gerechtigd zijn te stellen dat hun handelsbetrek-kingen met België verwaarloosbaar zijn".

6. Noch met die vermeldingen en overwegingen, noch met enige andere verant-woordt het bestreden arrest naar recht zijn beslissing om de met toepassing van de verordening (EG) 44/2001 opgeworpen excepties van internationale onbevoegd-heid aan te nemen, behalve met betrekking tot de vorderingen die PSV grondt op de Benelux-merken.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de Belgische gerechten territoriaal onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen de eerste, tweede en derde verweerster en, behalve met betrekkingen tot de op de Benelux-merken gegronde vorderingen, om kennis te nemen van de vorderingen tegen de vijfde verweerster.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart dit arrest bindend voor de naamloze vennootschap Ladbroke Belgium.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers PSV en Juventus in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange et Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 29 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verordening (E.G.) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000

  • Website

  • Content online geplaatst

  • Persoonlijkheidsrechten

  • Aantasting

  • Aansprakelijkheidsvordering

  • Bevoegde gerechten