- Arrest van 30 november 2012

30/11/2012 - C.11.0332.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een verplichte groepsverzekering gesloten door de werkgever ter financiering van een aanvullend pensioen dat wordt betaald bij het bereiken van een bepaalde leeftijd door de aangeslotene, beoogt in een aanvullend inkomen te voorzien; zelfs al worden de bijdragen gedeeltelijk betaald door de werkgever en niet op het loon ingehouden, zijn ze een voordeel dat de werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst verkrijgt en maken zij deel uit van zijn inkomen uit arbeid; in de mate dat zij opgebouwd zijn met bijdragen betaald tijdens het huwelijk, zijn de prestaties van een dergelijke verzekering aanwinsten die krachtens artikel 1498 Burgerlijk Wetboek zoals van kracht vóór de vervanging bij artikel II van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van de echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels gemeenschappelijk zijn; de omstandigheid dat de groepsverzekering voor een aanvullend pensioen werd aangegaan voor het huwelijk en het aanvullend pensioen pas na het huwelijk werd uitgekeerd, doet hieraan geen afbreuk (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0332.N

L.C.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

M.J.D.B.,

verweerster,

toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 7 juni 2011, nr. G.11.0131.N,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 november 2010.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 17 september 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De vermelding in het arrest dat "aldus (werd) gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 16 november 2010", houdt, waar de zaak op een eerdere zitting in beraad werd genomen, niet in dat over de zaak werd beraadslaagd tijdens de rechtszitting van 16 november 2010, maar enkel dat het arrest op die datum is uitgesproken.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede middel

2. Artikel 1498, eerste lid, oud, Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat wanneer de echtgenoten bedingen dat tussen hen slechts een gemeenschap van aanwinsten zal bestaan, zij geacht worden de tegenwoordige en toekomstige schulden van ieder van hen, alsook de tegenwoordige en toekomstige roerende goederen van ieder van hen, van de gemeenschap uit te sluiten.

Krachtens het tweede lid van dit artikel, blijft de verdeling in dat geval, en nadat iedere echtgenoot zijn behoorlijk bewezen inbrengsten heeft voorafgenomen, be-perkt tot de aanwinsten die gedurende het huwelijk door de echtgenoten samen of afzonderlijk zijn verwezenlijkt, en die voortkomen zowel van hun gemeenschap-pelijke arbeid als van de besparingen en de vruchten en inkomsten van de goe-deren van beide echtgenoten.

Uit deze bepalingen volgt dat de inkomsten uit arbeid van de echtgenoten en de goederen verworven tijdens het huwelijk met de inkomsten uit hun arbeid tot de gemeenschap van aanwinsten behoren.

3. Een verplichte groepsverzekering gesloten door de werkgever ter financie-ring van een aanvullend pensioen dat wordt betaald bij het bereiken van een be-paalde leeftijd door de aangeslotene, beoogt in een aanvullend inkomen te voor-zien. Zelfs al worden de bijdragen gedeeltelijk betaald door de werkgever en niet op het loon ingehouden, zijn ze een voordeel dat de werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst verkrijgt en maken zij deel uit van zijn inkomen uit ar-beid.

In de mate dat zij opgebouwd zijn met bijdragen betaald tijdens het huwelijk, zijn de prestaties van een dergelijke verzekering aanwinsten die krachtens artikel 1498, oud, Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijk zijn.

De omstandigheid dat de groepsverzekering voor een aanvullend pensioen werd aangegaan voor het huwelijk en het aanvullend pensioen pas na het huwelijk wordt uitgekeerd, doet hieraan geen afbreuk.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiser op 16 oktober 1967 in dienst trad bij zijn werkgever en vanaf 16 janua-ri 1968 aan de aanvullende pensioenverzekering onderworpen werd;

- het huwelijkscontract dat tussen partijen van 4 november 1969 het stelsel van gemeenschap van aanwinsten bevat, gelijkvormig is aan de toen geldende oude artikelen 1498 en 1499 Burgerlijk Wetboek;

- de partijen op 6 november 1969 in het huwelijk traden;

- de eiser op 3 juli 1996 dagvaardde tot echtscheiding;

- de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 30 mei 2000 op grond van bepaal-de feiten de echtscheiding uitsprak op tegeneis van de verweerster en ten laste van de eiser;

- de eiser op 1 april 2007 op pensioen gesteld werd gesteld en koos voor de uit-betaling van het kapitaal van de pensioenverzekering.

5. De appelrechters oordelen dat:

- overeenkomstig artikel 1498, oud, Burgerlijk Wetboek, wat de eiser voor het huwelijk verdiende een eigen goed is en wat hij verdiende tijdens het huwelijk, gemeenschappelijk is;

- de bijdragen van de werkgever en werknemer voor het aanvullend pensioen dezelfde regel volgen;

- zowel de premie betaald door de werknemer als die betaald door de werkgever onderdeel zijn van het globale loon, tegenprestatie van de werkgever voor de arbeid van de werknemer.

6. Op grond van deze vaststellingen en overwegingen beslissen de appelrech-ters wettig dat het aanvullend pensioen gemeen is in de mate dat het werd opge-bouwd met bijdragen vanaf de datum van het huwelijk tot op de datum van de re-troactieve ontbinding van de gemeenschap, dit is in casu tot de datum van het in-leiden van de eerste echtscheidingseis door de eiser.

Het middel kan niet aangenomen worden.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 604,01 euro en voor de verweerster op 84,69 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 30 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen M. Delange G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns

Vrije woorden

  • Stelsel van gemeenschap van aanwinsten

  • Verplichte groepsverzekering ter financiering van een aanvullend pensioen

  • Inkomsten uit arbeid

  • Bijdragen betaald tijdens het huwelijk