- Arrest van 4 december 2012

04/12/2012 - P.12.1224.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 90sexies Wetboek van Strafvordering vereist niet dat de daar bedoelde opnamen vertaald worden door een beëdigde vertaler of door een lid van de gerechtelijke diensten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1224.N

I

F. A. J. B.,

beklaagde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel.

II

O. P. L.,

beklaagde,

eiseres.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 juni 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres II voert geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van een akte, zoals afgeleid uit de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oor-deelt dat het in de beschikkingen tot afluisteren vermelde citaat in de Franse taal geen aanwijzing is van een concreet feit waarop die beschikkingen zijn gesteund, maar dat het louter en alleen een toelichting betreft; aldus geeft het arrest aan dit citaat en die beschikkingen een uitlegging die er niet mee overeenkomt en miskent het de bewijskracht ervan.

2. De schending van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het citaat in het Frans geen aanwijzing is van een concreet feit waarop de tapbeschikking is gesteund; elke opname of verwijzing in een tapbeschikking van of naar feitelijke elementen van het strafdossier is echter noodzakelijkerwijze te beschouwen als ‘de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter Wetboek van Strafvordering' of ‘de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen', zoals bepaald in voormeld artikel.

4. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, kan een beschikking tot het machtigen van een afluistermaatregel niet alleen aanwijzingen, concrete feiten of redenen, bedoeld in artikel 90quater, § 1, eerste lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering, bevatten, maar ook verduidelijkingen of toelichtingen die geen overwegingen zijn waarop de afluistermaatregel is gesteund.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12 en 40 Taalwet Gerechtszaken en artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert over te gaan tot de nietigverklaring van de beschikkingen tot afluisteren en al het erop steunende bewijs omdat het ten onrechte oordeelt dat het Franse citaat enkel een toelichting is, zonder echter vast te stellen dat de zakelijke inhoud ervan weergegeven wordt in de overige tekst van de beschikkingen tot afluisteren; het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen omdat er geen inbreuk is op artikel 12 Taalwet Gerechtszaken; de eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:

"Schendt artikel 40, tweede lid van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet en de artikelen 6 en 8 EVRM, in de zin dat de nietigheidssanctie van een afluistermaatregel wegens schending van de regels van de voormelde wet gedekt wordt door elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak werd gewezen en die het exploot en de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan, terwijl de nietigheidssanctie van een afluistermaatregel wegens schending van artikel 90quater, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet gedekt wordt door elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak werd gewezen en die het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan, terwijl beide nietigheden op gelijke wijze een gebrek in de motivering van de onderzoeksmaatregel sanctioneren."

6. De omstandigheid dat een akte die in de taal van de rechtspleging is gesteld, een vermelding in een andere taal bevat, doet geen afbreuk aan de eentaligheid van die akte, vereist door onder meer artikel 12 Taalwet Gerechtszaken, wanneer de anderstalige vermelding, gelet op haar aard, in het maatschappelijk verkeer voor eenieder probleemloos te begrijpen is, wanneer de zakelijke inhoud van de anderstalige vermelding in de akte is weergegeven of wanneer die vermelding slechts een loutere verduidelijking of toelichting is ten opzichte van de vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte.

7. Met eigen redenen en met redenen overgenomen uit het beroepen vonnis, oordeelt het arrest dat het in het Frans gestelde citaat in de beschikkingen tot afluisteren geen overweging is waarop de tapbeschikkingen zijn gesteund, maar een verduidelijking en toelichting van de overwegingen die eraan voorafgaan.

Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat artikel 12 Taalwet Gerechtszaken niet geschonden is en dat er geen reden is om die beschikkingen nietig te verklaren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

8. De aangevoerde schending van artikel 26, § 2, 2°, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en de thans opgeworpen prejudiciële vraag zijn geheel afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 12 en 40 Taalwet Gerechtszaken.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

De prejudiciële vraag wordt niet gesteld.

Tweede middel

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 90sexies Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de in België opgenomen Franstalige telefoongesprekken regelmatig zijn, hoewel er voor de vertaling ervan naar het Nederlands geen beroep werd gedaan op een beëdigde vertaler en de processen-verbaal betreffende de uitvoering van de tapmaatregelen niet vermelden dat een lid van de gerechtelijke diensten is overgegaan tot de vertaling van die gesprekken.

10. Artikel 90sexies Wetboek van Strafvordering vereist niet dat de daar bedoelde opnamen vertaald worden door een beëdigde vertaler of door een lid van de gerechtelijke diensten.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert miskenning aan van de leer inzake de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs en het zwijgrecht, zoals vervat in artikel 6.1 EVRM: de onregelmatige vertaling van de afgeluisterde gesprekken maakt de vertaling onbetrouwbaar en moet leiden tot bewijsuitsluiting; het arrest weigert de afgeluisterde gesprekken van het bewijs uit te sluiten omdat de eiser zelf niet aanduidt waar en hoe de vertaling onbetrouwbaar is; de eiser kan op grond van zijn zwijgrecht niet verplicht worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

12. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers elk tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 156,76 euro waarvan de eiser I en de eiseres II elk 78,38 euro verschuldigd zijn.

V. Kosynsky

E. Francis P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Afluistermaatregel

  • Opnamen

  • Vertaling