- Arrest van 4 december 2012

04/12/2012 - P.12.0781.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich die aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen (1). (1) Zie Cass. 20 nov. 2001, AR P.00.0548.N, AC 2001, nr. 631.

Arrest - Integrale tekst

P.12.0781.N

A. A. M. B.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advo-caat bij de balie te Brussel,

tegen

1. SCHIESSER INTERNATIONAL nv, met zetel te 1853 Grimbergen (Strombeek-Bever), Nijverheidslaan 2,

burgerlijke partij,

met als raadslieden mr. Johan Scheers en mr. Tom Bauwens, advocaten bij de balie te Brussel.

2. MEX BODY & BEACH Gmbh, met zetel te 78315 Radolfzell am Boden-zee (Duitsland), Schützenstrasse 18,

burgerlijke partij,

3. SCHIESSER AG, met zetel te 78315 Radolfzell am Bodenzee (Duitsland), Schützenstrasse 18,

burgerlijke partij,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser deels vrij voor de telastlegging B. Het verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de tweede en derde verweersters tegen de eiser in zoverre gesteund op de feiten waarvoor vrijspraak werd verleend en het verklaart die rechtsvordering ongegrond in zoverre gesteund op de bewezen verklaarde feiten.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: de appelrechters verklaren de eiser met de telastlegging B ten on-rechte schuldig aan oplichting; oplichting vereist de aanwending van listige kunstgrepen die determinerend zijn voor de afgifte van de verkregen gelden; het louter verkopen van of het organiseren van de verkoop van goederen van de eerste verweerster aan groothandelsprijzen en tegen contante betaling of betaling met cheque, zoals vastgesteld door het arrest, kan geen listige kunstgreep uitmaken aangezien deze handeling niet bedrieglijk is en niet gepaard gaat met uitwendige handelingen die er een bepaald krediet aan toekennen; bijgevolg is het arrest niet naar recht verantwoord; door niet te preciseren waaruit de listige kunstgrepen bij de organisatie van de verkoop aan particulieren precies bestonden en met welke uitwendige handelingen ze gepaard gingen, belet het arrest het Hof zijn wettig-heidstoezicht uit te oefenen.

3. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich die aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen.

Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen en die determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak en bijgevolg in de regel de afgifte of de levering van de zaak vooraf-gaan.

Louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling, leveren geen listige kunst-grepen op, indien ze niet gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen.

4. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bepaalde gedraging een lis-tige kunstgreep is in de zin van artikel 496 Strafwetboek. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

5. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis en op eigen gronden dat:

- het vaststaat dat de eiser regelmatig verkopen organiseerde waarbij particulie-ren goederen van de eerste verweerster tegen contante betaling of tegen beta-ling met cheque aankochten aan gewone groothandelsprijzen en de eiser ver-volgens de met de telastleggingen A.1 tot en met A.7 bedoelde facturen onder de rubriek retours en monsters liet opstellen, waarbij de aldus gerealiseerde verkopen globaal en boekhoudkundig aangerekend werden tegen lagere prijzen dan deze die werkelijk werden betaald, namelijk onder aftrek van wegens de aard van de goederen of bij contante betaling gebruikelijke, maar in werkelijk-heid niet toegestane kortingen op de groothandelsprijzen (beroepen vonnis, p. 9; arrest, p. 5-6);

- het vaststaat dat de eiser de valse facturen liet opstellen met het bedrieglijk op-zet de boekhouding van de eerste verweerster ogenschijnlijk te doen kloppen en het verschil tussen de werkelijk betaalde prijzen en de in de facturen ver-melde prijzen ongemerkt aan de vennootschap te onttrekken (arrest, p. 7);

- de eiser uiteindelijk de facturen betaalde en de kortingen in zijn eigen zak ble-ven (beroepen vonnis, p. 9).

Op die gronden kon het arrest niet wettig oordelen dat de eiser, die het bestaan van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting met inbegrip van de listige kunstgrepen had betwist, listige kunstgrepen heeft aangewend om zich aan de eerste verweerster toekomende gelden te doen afgeven, met het oogmerk om die zich toe te eigenen. Eisers schuldigverklaring aan de telastlegging B (beperkt tot 661.738,21 euro) is dan ook niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: de appel-rechters verklaren de eiser met de telastlegging B ten onrechte schuldig aan op-lichting; de valse facturen, waarvan de appelrechters vaststellen dat ze werden op-gesteld na de afgifte van de bewuste gelden, kunnen de afgifte niet hebben gede-termineerd.

7. Listige kunstgrepen in de zin van artikel 496 Strafwetboek moeten determi-nerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak en bijgevolg in de regel de afgifte of de levering van de zaak voorafgaan.

8. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis en op eigen gronden dat de met de telastleggingen A.1 tot en met A.7 bedoelde facturen, die volgens de vaststellingen van het arrest werden opgesteld en gebruikt na de afgifte van de met de telastlegging B bedoelde gelden ten bedrage van 661.738,21 euro, listige kunstgrepen zijn in de zin van artikel 496 Strafwetboek. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers in zijn conclusie aangevoerd verweer dat de door de eer-ste verweerster gevorderde schade niet in oorzakelijk verband staat met de feiten van valsheid en gebruik van de telastlegging A; door niet de feitelijke elementen vast te stellen waaruit het bestaan van dit oorzakelijk verband wordt afgeleid ma-ken de appelrechters het voor het Hof minstens onmogelijk om zijn wettigheids-toezicht uit te oefenen.

10. Het arrest oordeelt dat:

- het vaststaat dat de eiser de valse facturen liet opstellen met het bedrieglijk op-zet de boekhouding van de eerste verweerster ogenschijnlijk te doen kloppen en het verschil tussen de in de facturen vermelde prijzen ongemerkt aan de vennootschap te onttrekken (arrest, p. 6);

- het vaststaat dat door het boekhoudkundig verwerken van verkopen aan parti-culieren middels de valse facturen de eiser het bedrag van 661.738,21 euro aan het vermogen van de eerste verweerster heeft onttrokken (arrest, p. 7);

- de vergoeding van de materiële schade die de eerste verweerster heeft onder-gaan als gevolg van de in hoofde van de eiser bewezen feiten van de telastleg-gingen A.1 tot en met A.7 en B (zoals beperkt), wordt vastgesteld op 661.738,21 euro.

Met die vaststellingen en redenen belet het arrest het Hof niet zijn wettigheidstoe-zicht uit te oefenen en beantwoordt het eisers in conclusie aangevoerd verweer.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Omvang van de cassatie

11. De vernietiging van eisers schuldigverklaring aan de telastlegging B (beperkt tot het bedrag van 661.738,21 euro) leidt tot de vernietiging van de hem voor de telastleggingen A.1 tot en met A.7 en B (beperkt tot het bedrag van 661.738,21 euro) samen opgelegde bestraffing en de hem opgelegde bijdrage aan het Slacht-offerfonds.

12. De mede op de telastleggingen A.1 tot en met A.7 gesteunde beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de eerste verweerster tegenover de eiser blijft onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser:

- schuldig verklaart aan de telastlegging B (beperkt tot 661.738,21 euro);

- tot straf en de bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten.

Laat de overige helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 189,92 euro

V. Kosynsky

E. Francis P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 4 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Bestanddelen