- Arrest van 6 december 2012

06/12/2012 - C.11.0604.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verplichting die artikel 4 van de wet van 17 april 1878 oplegt aan de rechter, die van de burgerlijke rechtsvordering kennisneemt, om zijn uitspraak aan te houden, is slechts van toepassing wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter; daartoe is niet vereist dat de partij, die op grond van die wetsbepaling een vordering tot het aanhouden van de uitspraak instelt, aantoont dat de misdrijven die zij aanvoert en die een weerslag kunnen hebben op de burgerlijke rechtsvordering, bewezen of zelfs nog maar aannemelijk zijn (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0604.F

COMPAGNIE INTERCOMMUNALE LIEGEOISE DES EAUX, publiek-rechtelijke coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LUX AQUATEC, vennootschap naar Luxemburgs recht,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 mei 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 9 oktober 2012 een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Ma-rie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres heeft volgend middel aangevoerd.

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, dat de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond had verklaard en de eiseres had veroordeeld tot betaling, aan de verweerster, van een bedrag van 74.680 euro, te vermeerderen met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding.

Het verwerpt dienaangaande de vordering van de eiseres om op grond van het beginsel volgens hetwelk "de strafvordering de burgerlijke rechtsvordering schorst", de uitspraak aan te houden.

Het grondt die verwerping op de volgende redenen :

"Het voorwerp van het geschil en de omstandigheden van de zaak zijn weergegeven door de eerste rechters, en het hof van beroep verwijst dan ook naar hun uiteenzetting.

Er moet worden herhaald dat [de eiseres] in de rechten is getreden van de vennootschap Cilex, die is opgericht bij akte van 23 december 2004. In 2005 is die vennootschap begonnen met het bouwen van een bottelarij en met het plaatsen van een netwerk van drinkfonteinen, waarvoor zij een beroep heeft gedaan op [de verweerster]. Drie overeenkomsten werden ondertekend.

[De eiseres] betoogt dat de prestaties van [de verweerster], wegens de nauwe banden tussen R.L., toen algemeen directeur van Cilex, en [de verweerster], in de persoon van P.N., ‘veel te hoog zijn aangerekend' aan Cilex.

[De eiseres] heeft op 10 oktober 2008 een klacht neergelegd met burger-lijkepartijstelling bij de Luikse onderzoeksrechter R., die haar op 27 september 2010, overeenkomstig artikel 61ter Wetboek van Strafvordering, inzage heeft ge-geven in het strafdossier.

Noch die klacht, die blijkbaar zou zijn gericht tegen R. L., noch die beschikking van de onderzoeksmagistraat werden neergelegd.

[De eiseres] citeert in haar conclusie uit de processen-verbaal die haar raadsman bij de onderzoeksrechter heeft kunnen raadplegen en waarvan de inhoud door [de verweerster] niet wordt betwist.

Die uittreksels hebben betrekking op de verhoren van R. L., P. N. en C. V. van de vennootschap Euroseam en zouden, volgens [de eiseres], aantonen dat die vennootschap Cilex te hoge facturen voor haar prestaties zou hebben opgemaakt, waaruit uiteindelijk [de verweerster] en R.LL, via valse facturen, voordeel zouden hebben gehaald.

[De eiseres] wijst erop dat zij ‘zich weldra burgerlijke partij zal stellen tegen [de verweerster], wier betrokkenheid thans buiten kijf staat'. Het valt te betreuren dat [de eiseres] niet aantoont dat zij haar voornemen heeft verwezenlijkt, hoewel dat haar eerder al was verweten door de eerste rechters.

De verplichting die artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering aan de burgerlijke rechter oplegt om zijn uitspraak aan te houden, vereist niet dat er tegen [de verweerster] een klacht is neergelegd. Het is vereist maar voldoende dat de oplossing van de strafvordering de oplossing van de burgerlijke rechtsvordering zou kunnen beïnvloeden.

Het bewijs van het instellen van de strafvordering volgt naar genoegen van recht uit het feit dat er een gerechtelijk onderzoek werd geopend, dat aan rechter R. is toevertrouwd.

Daarentegen moet erop gewezen worden dat, zelfs als ervan uitgegaan wordt dat R. L., samen met P. N. en C. V., heeft deelgenomen aan het opzetten van een bedrieglijke constructie waarbij Cilex te hoge facturen ontving van Euroseam en er valse facturen door [de verweerster] en door een vennootschap van R. L. werden opgemaakt, [de eiseres] daarom nog niet over voldoende gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens beschikt over het feit dat de litigieuze overeenkomsten tussen Cilex en [de verweerster] of de uitvoering ervan ook onregelmatig zouden zijn.

Het feit dat die overeenkomsten slecht zouden zijn uitgevoerd of voor Cilex of [de eiseres] meerkosten zouden hebben teweeggebracht, wijst op zich niet op bedrog.

De uitspraak hoeft niet te worden aangehouden".

Grieven

Artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld". De verplichting, voor de burgerlijke rechter, om de procedure te schorsen overeenkomstig het voormelde artikel 4, eerste lid, raakt de openbare orde. Die verplichting is gegrond op het absolute karakter van het gezag van het rechterlijk gewijsde van de beslissingen over de strafvordering en is van toepassing wanneer de strafrechter uitspraak dient te doen over punten die de strafvordering en de voor de burgerlijke rechter ingestelde rechtsvordering met elkaar gemeen hebben, met dien verstande dat wanneer die rechtsvordering ontvankelijk wordt verklaard, de burgerlijke rechter geacht wordt over die punten uitspraak te doen.

Wanneer die voorwaarden vervuld zijn, moet de burgerlijke rechter de procedure schorsen zonder dat die schorsing veronderstelt dat de partij die ze vordert, in die stand van de zaak door gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens dient aan te tonen dat de misdrijven die zij aanvoert en die objectief gezien een invloed kunnen hebben op de uitkomst van de procedure, bewezen of zelfs nog maar aannemelijk zijn.

Te dezen vroeg de eiseres het hof van beroep om het beroepen vonnis te wijzigen, in zoverre dat het vonnis het aanhouden weigerde van de uitspraak over de vordering van de verweerster tot betaling van verschillende aan Cilex gerichte facturen vorderde, op grond dat bepaalde gegevens lieten uitschijnen dat die facturen vals waren of dat ze te hoge bedragen aanrekenden als gevolg van een ongeoorloofde regeling tussen de heer L., destijds algemeen directeur van Cilex, en de bestuurders van de verweerster, en dat er naar die feiten een gerechtelijk onderzoek is ingesteld.

Aangezien het arrest heeft vastgesteld dat de strafvordering in gang was gezet, daar "er een gerechtelijk onderzoek werd geopend, dat aan rechter R. is toevertrouwd", en dat het voormelde onderzoek, dat werd geopend na een klacht van de eiseres met burgerlijkepartijstelling, met name betrekking had op het feit dat de verweerster, via valse facturen, Cilex allicht te veel zou hebben aangerekend voor de door haar geleverde prestaties, heeft het arrest dus niet wettig kunnen weigeren om de uitspraak aan te houden, op grond dat "zelfs als ervan uitgegaan wordt dat R. L., samen met P. N. en C. V., heeft deelgenomen aan het opzetten van een bedrieglijke constructie waarbij [de verweerster] te hoge facturen ontving van Euroseam en er valse facturen door [de verweerster] en door een vennootschap van R. L. zijn opgemaakt, [de eiseres, die in de rechten is getreden van Cilex] daarom nog niet over voldoende gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens beschikt over het feit dat de litigieuze overeenkomsten tussen Cilex en [de verweerster] of de uitvoering ervan ook onregelmatig zouden zijn", daar "het feit dat die overeenkomsten slecht zouden zijn uitgevoerd of voor Cilex of [de eiseres] meerkosten zouden hebben teweeggebracht, op zich niet wijst op bedrog".

Het arrest doet aldus de verplichting om de procedure te schorsen in de zin van artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878, immers afhangen van het bewijs van de feiten die het voorwerp uitmaken van de strafrechtspleging, terwijl dat artikel die voorwaarde niet bevat (schending van dat artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De regel van openbare orde, die is vastgelegd in artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en krachtens welke de uitoefening van de burgerlijke rechtsvordering, die niet tezelf-dertijd als de strafvordering voor dezelfde rechter wordt vervolgd, geschorst wordt zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat het strafvonnis, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering met elkaar gemeen hebben.

De verplichting die de voormelde wetsbepaling oplegt aan de rechter, die van de burgerlijke rechtsvordering kennisneemt, om zijn uitspraak aan te houden, is slechts van toepassing wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter.

Daartoe is niet vereist dat de partij, die op grond van die wetsbepaling een vorde-ring tot het aanhouden van de uitspraak instelt, aantoont dat de misdrijven die zij aanvoert en die een weerslag kunnen hebben op de burgerlijke rechtsvordering, bewezen of zelfs nog maar aannemelijk zijn.

Na te hebben vastgesteld dat "het bewijs van het instellen van de strafvordering naar genoegen van recht volgt uit het feit dat er een gerechtelijk onderzoek werd geopend, dat aan rechter R. is toevertrouwd", weigert het arrest recht te doen op de vordering van de eiseres die ertoe strekte de uitspraak aan te houden, op grond dat, "zelfs als ervan uitgegaan wordt dat R. L., samen met P. N. en C. V., heeft deelgenomen aan het opzetten van een bedrieglijke constructie waarbij [de ver-weerster] te hoge facturen ontving van Euroseam en er valse facturen door [de verweerster] en door een vennootschap van R. L. zijn opgemaakt, [de eiseres] daarom nog niet over voldoende gewichtige, bepaalde en met elkaar overeen-stemmende vermoedens beschikt over het feit dat de litigieuze overeenkomsten tussen Cilex en [de verweerster] of de uitvoering ervan ook onregelmatig zouden zijn", en dat "het feit dat die overeenkomsten slecht zouden zijn uitgevoerd of voor Cilex of [de eiseres] meerkosten zouden hebben teweeggebracht, op zich niet wijst op bedrog".

Het arrest, dat het aanhouden van de uitspraak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878, doet afhangen van het bewijs van de feiten, terwijl de voormelde bepaling die voorwaarde niet bevat, schendt die bepaling.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Si-mon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 december 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Afzonderlijk ingestelde strafvordering en burgerlijke rechtsvordering

  • Aanhouden van de uitspraak

  • Schorsing van de burgerlijke rechtsvordering