- Arrest van 6 december 2012

06/12/2012 - C.12.0161.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regel dat het Hof de rechtsgronden opwerpt die de beslissing van de feitenrechter over het hem voorgelegde geschil verantwoorden, veronderstelt dat het middel de feitelijke onwettigheid van die beslissing aanklaagt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.1061.F

D. A.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. B.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 juni 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 23 oktober 2012 een conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende vier middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt de vordering van de eiser die strekt tot deelneming van de verweerster in de financiering van de hypothecaire lening van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996 en homologeert bijgevolg de staat van vereffening op dat punt.

Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen die het opgeeft sub 7, "De bijdrage van [de verweerster] in de financiering van de hypothecaire lening van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996":

"(De eiser) betoogt dat hem een vergoeding van 1.938,87 euro verschuldigd is, op grond dat hij de hypothecaire lening betreffende het onverdeelde pand van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996 helemaal alleen heeft betaald;

Aangezien de partijen die kwestie voor de notarissen niet hebben betwist en zij onderling geen akkoord hebben bereikt, is het geschil niet rechtsgeldig bij de rechtbank en thans bij het hof [van beroep] aanhangig gemaakt. De staat van vereffening hoeft op dat punt dus niet te worden gewijzigd".

Grieven

Uit de artikelen 1209 tot 1223 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat die wetsbepalingen in die zin moeten worden begrepen dat alleen de betwistingen die verwoord worden in of volgend uit de beweringen en moeilijkheden die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de aangewezen notaris voor de rechtbank worden gebracht, door neerlegging ter griffie van de uitgifte van dat proces-verbaal, onder voorbehoud van het akkoord van de partijen om andere betwistingen voor de rechter te brengen.

Krachtens de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek mag de feitenrechter de bewijskracht van een geschrift niet miskennen door het, ter verantwoording van zijn beslissing, een draagwijdte toe te kennen die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en, met name, door te weigeren daarin een vermelding te lezen die er wel in staat of daarin een vermelding te lezen die er niet in staat.

Uit de processtukken blijkt dat de eiser, voor de aangewezen notaris die belast was met de vereffening en de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding, bezwaren heeft ingebracht tegen de staat van vereffening die de notaris op 10 september 2008 had opgemaakt.

De eiser vordert, met name in zijn verweer in het document met het opschrift "Betwistingen betreffende de staat van vereffening van 10 september 2008", dat gevoegd is bij het proces-verbaal van beweringen en moeilijkheden van 8 december 2008 en waarnaar de notarissen verwijzen, een vergoeding van de verweerster, op grond dat hij de hypothecaire lening betreffende het onverdeelde pand van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996 helemaal alleen heeft betaald. Zo meende de eiser "dat de notarissen geen rekening hebben gehouden met (...) mijn argumentatie betreffende mijn veroordeling tot algehele terugbetaling van de hypothecaire lening voor de periode van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996, een periode tijdens welke [de verweerster] mij mijn gedeelte van de terugbetaling van de hypothecaire lening, te weten een maandelijks bedrag van 10.000 frank (247,89 euro), verschuldigd is".

Het arrest, dat oordeelt dat de partijen hierover geen enkel bezwaar hebben voorgelegd aan de notarissen, geeft van het document met het opschrift "Be-twistingen betreffende de staat van vereffening van 10 september 2008", dat ge-voegd is bij het proces-verbaal van beweringen en moeilijkheden van 8 december 2008 en waarnaar de notarissen verwijzen, een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan door hierin geen vermelding te willen lezen die erin staat en miskent bijgevolg de bewijskracht van dat document (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest, dat erop wijst dat de rechtbank en het hof [van beroep] niet rechtsgeldig van de betwisting hebben kennisgenomen, hoewel die betwisting geformuleerd werd in het document met het opschrift "Betwistingen betreffende de staat van vereffening van 10 september 2008", dat gevoegd is bij het proces-verbaal van beweringen en moeilijkheden van 8 december 2008 en waarnaar de notarissen verwijzen,, schendt daarenboven de artikelen 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek.

Het arrest homologeert bijgevolg de staat van vereffening dienaangaande niet naar recht (schending van artikel 1223 Gerechtelijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Eerste middel

De door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang.

Het middel voert aan dat het arrest, dat vaststelt dat de eiser "betoogt dat hem een vergoeding van 1.938,87 euro verschuldigd is, op grond dat hij de hypothecaire lening betreffende het onverdeelde pand van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996 helemaal alleen heeft betaald", de bewijskracht miskent van de door hem opgesomde geschriften, door te oordelen teneinde deze betwisting te verwerpen dat "de partijen die kwestie voor de notarissen niet hebben betwist".

De verweerster voert aan dat de niet-bekritiseerde redenen op grond waarvan het arrest uitspraak doet over de woonvergoeding die, voor dezelfde periode, van de verweerster wordt gevorderd, de beslissing volgens welke het bezwaar van de ei-ser betreffende de terugbetaling van de hypothecaire lening niet kan leiden tot een wijziging van de staat van vereffening, naar recht verantwoorden.

De regel dat het Hof de rechtsgronden opwerpt die de beslissing van de feiten-rechter over het hem voorgelegde geschil verantwoorden, veronderstelt dat het middel de onwettigheid van de grond van die beslissing aanklaagt.

Dat is niet het geval wanneer de rechter, die geen uitspraak heeft gedaan over de grond van een geschil, waarvan hij heeft geoordeeld dat het niet bij hem aanhan-gig was gemaakt, verweten wordt dat hij de bewijskracht heeft miskend van de geschriften die hem het voormelde geschil hebben voorgelegd.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

In het document met het opschrift "Betwistingen betreffende de staat van vereffe-ning van 10 september 2008", dat gevoegd is bij het proces-verbaal van bewerin-gen en moeilijkheden van 8 december 2008, wees de eiser erop "dat de notarissen geen rekening [hadden] gehouden met [...] [zijn] argumentatie betreffende [zijn] veroordeling tot algehele terugbetaling van de hypothecaire lening voor de periode van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996, een periode tijdens welke [de verweerster] [hem] [haar] gedeelte van de terugbetaling van de hypothecaire lening ver-schuldigd [was]".

Het arrest, dat dienaangaande oordeelt dat "de partijen die kwestie voor de nota-rissen niet hebben betwist", geeft aan dat document een uitlegging die niet ver-enigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent, bijgevolg, de bewijskracht van dat document.

Het middel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over "de bijdrage van [de verweerster] in de financiering van de hypothecaire lening van 1 juli 1995 tot 23 februari 1996" en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten, houdt de andere helft van de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 december 2012 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Grond van niet-ontvankelijkheid

  • Vervanging van redenen

  • Voorwaarden

  • Middel dat een feitelijke onwettigheid aanklaagt