- Arrest van 11 december 2012

11/12/2012 - P.12.1933.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de enkele omstandigheid dat de eiser bij zijn verhoor door de politie werd bijgestaan door een bepaalde advocaat en hij tegenover de onderzoeksrechter ter gelegenheid van zijn verhoor ook heeft verklaard dat deze advocaat zijn raadsman is, volgt niet dat een andere advocaat, die volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zonder protest van de eiser hem bijstand heeft verleend bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter, niet een door de eiser gekozen raadsman is in de zin van artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1933.N

A. M.,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Carlierlaan 175, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 november 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

1. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.3.c EVRM en artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van het algemeen rechtsbegin-sel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat aangezien de eiser bijstand heeft gehad van mr. Sven De Kerpel als advocaat in de zin van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet, deze bepaling niet is geschonden; uit de voormelde bepalingen en uit het recht van verdediging volgt dat de verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman van zijn keuze; uit het gegeven dat de ei-ser bij het verhoor door de politie werd bijgestaan door mr. Joris Van Cauter en de eiser aan de onderzoeksrechter heeft verklaard dat mr. Joris Van Cauter zijn raadsman is, volgt dat mr. Joris Van Cauter de door eiser gekozen raadsman is; er was geen enkele reden om die keuze van raadsman te negeren en het tegen de wil van de eiser toewijzen van een andere advocaat vormt een ongeoorloofde inmen-ging in de wijze waarop hij zijn verdediging vermag te organiseren (eerste onder-deel); het arrest oordeelt ten onrechte dat mr. Sven De Kerpel de advocaat was van de eiser; daardoor werd niet mr. Joris Van Cauter als door de eiser gekozen raadsman gehoord door de onderzoeksrechter in zijn opmerkingen omtrent de mogelijkheid dat er een aanhoudingsbevel zou worden verleend (tweede onder-deel).

2. Uit de enkele omstandigheid dat de eiser bij zijn verhoor door de politie werd bijgestaan door mr. Joris Van Cauter en hij tegenover de onderzoeksrechter ter gelegenheid van zijn verhoor ook heeft verklaard dat mr. Joris Van Cauter zijn raadsman is, volgt niet dat mr. Sven De Kerpel, die volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zonder protest van de eiser hem bijstand heeft ver-leend bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter, niet een door de eiser gekozen raadsman is in de zin van artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet.

De onderdelen die uitgaan van het tegendeel, kunnen niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Het middel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsverplichting van de rechter en de verplichting van het onderzoeksge-recht om te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer dat hem niet de mogelijkheid werd geboden afstand te doen van de bijstand van de hem opge-drongen raadsman.

4. Het arrest oordeelt dat mr. Sven De Kerpel eisers raadsman was in de zin van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet. Het diende bijgevolg niet te ant-woorden op het doelloos geworden verweer over de afstand van de bijstand van die raadsman.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

5. Het middel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsverplichting van de rechter en de verplichting van het onderzoeksge-recht om te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer omtrent de schending van artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bestaande in de niet-verwittiging van de raadsman van de plaats en het uur van de ondervraging bij de onderzoeksrechter.

6. Het arrest oordeelt dat mr. Sven De Kerpel eisers raadsman was in de zin van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet. Het diende bijgevolg niet te ant-woorden op het doelloos geworden verweer over het niet verwittigen van een an-dere raadsman over de plaats en het uur van het verhoor.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

7. Het middel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsverplichting van de rechter en de verplichting van het onderzoeksge-recht om te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde: met het oordeel dat de eiser niet preciseert hoe, waardoor en op welke rechtsgrond de be-slissing van onderzoeksrechter Burm onregelmatig zou zijn, beantwoordt het arrest niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer over het niet rechtsgeldig gevat zijn van deze onderzoeksrechter en bijgevolg over diens onbevoegdheid om in dit gerechtelijk onderzoek beslissingen te nemen.

8. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel aangehaald, maar ook dat:

- de eiser regelmatig van zijn vrijheid werd beroofd door de bevoegde gerech-telijke politie in opdracht van onderzoeksrechter Burm, die het mini-onderzoek heeft gevoerd en loco zijn collega Gruwez het aanhoudingsbevel heeft ver-leend;

- de eiser niet aangeeft om welke reden de beweerde onregelmatigheid de nie-tigheid van eisers vrijheidsberoving en van het bevel tot aanhouding tot gevolg zou kunnen hebben.

Het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feite-lijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 11 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verhoor door de onderzoeksrechter

  • Bijstand van een raadsman

  • Andere dan door eiser gekozen raadsman