- Arrest van 11 december 2012

11/12/2012 - P.12.0538.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder bepaalt geen uitzonderingen wat de personen betreft die als dader of mededader kunnen vervolgd worden voor een inbreuk op de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen en sluit de aansprakelijkheid van occasionele gebruikers van de inrichting die geluidshinder in het milieu inbrengt niet uit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0538.N

S. J. A.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Vincent Vereecke, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 21 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 5, tweede lid, Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest antwoordt niet op het in een appelconclusie aangevoerde verweer van de ei-ser die zich beriep op een strafuitsluitingsgrond welke erin bestaat dat de inbreuk moet worden toegerekend aan de rechtspersoon die de fuif organiseert, omdat in redelijkheid niet kan gesteld worden dat eisers fout de zwaarste is.

2. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

3. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek dat de gevallen regelt waarin de verant-woordelijkheid van een natuurlijk persoon en van een rechtspersoon in het gedrang komen wegens eenzelfde misdrijf, voert een strafuitsluitingsgrond in voor degene die de minst zware fout heeft begaan.

Die verschoningsgrond geldt evenwel niet voor de dader die wetens en willens heeft gehandeld.

4. Het arrest oordeelt over de eiser en een medebeklaagde: "Voor beide mede-beklaagden staat vast dat zij de handelingsbevoegdheid en de feitelijke macht hadden om de overtredingen van de regelgeving waarop de bewezen telastleggin-gen C.1, D.1 en D.2 betrekking hebben te voorkomen of te beletten, wat zij niet deden. Het waren deze beide beklaagden die weigerden gevolg te geven aan de vraag van de verbalisanten om de muziek stil te zetten teneinde het achtergrond-geluidsniveau te kunnen meten bij uitschakeling van de geluidsbron, het waren zij die opdracht gaven om het volume van de muziek wat terug te draaien (maar tot meer waren zij niet bereid) en het waren ook zij die aandrongen op een tweede geluidsmeting nu de muziek naar hun zeggen stiller was gezet. Toen die tweede geluidsmeting om 02u17' werd uitgevoerd, werd er 98,8 dB(A) gemeten, wat op-nieuw een inbreuk was (...)".

5. Met die redenen oordeelt het arrest dat de eiser wetens en willens heeft ge-handeld. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing de aange-voerde uitsluitingsgrond niet toe te passen, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest antwoordt niet op het in een appelconclusie aangevoerde verweer van de ei-ser dat aan de constitutieve elementen van het misdrijf (overschrijding geluids-normen) niet voldaan is omdat hij persoonlijk niet het muziekvolume regelde; het arrest veroordeelt de eiser voor deelname door onthouding zonder dat het vaststelt dat hij zich onthield van een rechtsplicht en dat zijn onthouding een aanmoediging inhield om het misdrijf te plegen.

7. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser het in het middel weergegeven verweer voerde ter staving van een ruimer verweer over de bewezen aard van de feiten en de toerekening ervan.

9. De appelrechters verwijzen naar de feitelijke vaststellingen van de verbali-santen en stellen vast dat die niet worden betwist (arrest, p. 11). Zij oordelen over de toerekening ervan zoals in het antwoord op het eerste middel weergegeven.

10. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer zonder dat zij daarbij hoefden te antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

11. Een natuurlijke persoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor een door een rechtspersoon gepleegd misdrijf, indien blijkt dat hij de ware verantwoordelijke is voor het nakomen van de verplichtingen van de rechtspersoon en hij door zijn persoonlijk optreden schuld heeft aan het in gebreke blijven van de rechtspersoon.

12. Het arrest oordeelt ondermeer dat:

- het vaststaat dat de eiser handelingsbevoegdheid en feitelijke macht had om de overtredingen van de regelgeving waarop de bewezen telastleggingen betrek-king hebben te voorkomen of te beletten;

- hij de inbreuken niet voorkwam of belette;

- hij weigerde gevolg te geven aan de vraag van de verbalisanten om de muziek stil te zetten;

- hij later aandrong op een tweede meting, nadat de muziek naar zijn zeggen stil-ler was gezet, hetgeen leidde tot nieuwe vaststellingen van een inbreuk.

13. Hiermee oordeelt het arrest niet dat de eiser door onthouding heeft deelge-nomen aan de ten laste gelegde feiten, maar oordeelt het dat de feiten hem kunnen toegerekend worden omdat hij persoonlijk de inbreuk niet belette en vervolgens het geluidsniveau boven de wettelijk toegelaten drempel handhaafde, hoewel hij de bevoegdheid had daaraan te verhelpen.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

Derde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek en van de arti-kelen 1, 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende de vaststellingen en geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen (hierna: Besluit Geluidshinder Muziek (oud)): het arrest oordeelt dat niet alleen de uitbater zich schuldig maakt aan de telastlegging C (overschrijding geluidsimmis-sienorm) maar ook de eiser die de handelingsbevoegdheid heeft om de geluids-hinder te voorkomen of te doen ophouden, terwijl artikel 3 van dat besluit alleen van toepassing is wanneer de plaats waar muziek geproduceerd wordt, niet in die zin werd ingericht, dat de overschrijding van het achtergrondsgeluidniveau binnen de perken blijft; een beklaagde kan slechts als mededader worden vervolgd voor de wijze waarop de plaats wordt ingericht; occasionele gebruikers die geen uit-staans hebben met de inrichting van het pand, kunnen niet aansprakelijk worden gesteld.

15. Artikel 11, eerste lid, 2°, Geluidshinderwet (oud) stelt diegene strafbaar die de bepalingen van de ter uitvoering van die wet vastgestelde koninklijke besluiten overtreedt.

Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn op de in die wet bepaalde overtredingen toepasselijk (artikel 11, laatste lid, Geluidshinderwet (oud)).

Artikel 3 Besluit Geluidshinder Muziek (oud), genomen ter uitvoering van de Ge-luidshinderwet, bepaalt: "De openbare en private inrichtingen waar muziek ge-produceerd wordt, moeten zo ingericht zijn dat het geluidsniveau gemeten in de buurt: 1° niet hoger is dan 5 dB(A) boven het achtergrondgeluidsniveau, indien dit lager is dan 30 dB(A); 2° niet hoger is dan 35 dB (A) indien het achtergrond-geluidsniveau ligt tussen 30 en 35 dB(A) 3° niet hoger is dan het achtergrondge-luidsniveau indien dit hoger is dan 35 dB (A)(...)."

16. De Geluidshinderwet (oud) bepaalt geen uitzonderingen wat de personen betreft die als dader of mededader kunnen vervolgd worden voor een inbreuk op de bepalingen van het Besluit Geluidshinder Muziek (oud) en sluit de aansprake-lijkheid van occasionele gebruikers van de inrichting die geluidshinder in het mi-lieu inbrengt niet uit.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

17. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 98,67 euro.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 11 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Geluidshinder

  • Inrichting waar muziek geproduceerd wordt

  • Aansprakelijkheid occasionele gebruikers