- Arrest van 12 december 2012

12/12/2012 - P.12.0312.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0312.F

J.-L. A.,

gemachtigd ambtenaar van de directie Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van de provincie Luxemburg,

mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. R. M.,

2. M. D. B.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 18 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 30 november 2012 een con-clusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 12 december 2012 heeft raadsheer Gustave Steffens ver-slag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 EVRM, 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, en 155, § 1 en 2, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie.

Het arrest wordt verweten dat het de overschrijding van de redelijke termijn be-straft door de termijn die de verweerders is toegekend om de plaats in de oor-spronkelijke staat te herstellen op vijf jaar te brengen, hoewel die termijn, naar luid van het voormelde artikel 155, paragraaf 2, niet langer mag zijn dan een jaar.

Het misdrijf dat jegens de verweerders bewezen is verklaard, bestaat erin dat zij een constructie in stand hebben gehouden die zonder voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen was opgetrokken. Het arrest stelt vast dat dit misdrijf een aanvang nam zeven jaar ge-leden, toen de beklaagden door de bevoegde diensten van stedenbouw in kennis werden gesteld van de onregelmatigheden in verband met hun vakantiewoning en van het strafbare karakter van de instandhouding van de toestand.

Wanneer een strafbare feitelijke toestand, zoals de instandhouding van een weder-rechtelijk opgetrokken constructie, na de veroordelende beslissing blijft bestaan, ontstaat daaruit een nieuw voortdurend misdrijf, volgend op het tijdstip waarop de eerste veroordeling definitief is geworden.

De termijn die bij wet gepaard gaat met het herstel van de plaats in de oorspronke-lijke staat verhindert evenwel tijdelijk dat er een nieuw misdrijf ontstaat, omdat de bij wet verleende machtiging een rechtvaardigingsgrond is.

De door de rechter verleende machtiging rechtvaardigt daarentegen de overtreder niet.

Die machtiging zou betekenen dat een misdrijf waaraan de wet een einde wil stel-len, ongestraft blijft bestaan gedurende een periode die aan de veranderlijke be-oordeling van de hoven en rechtbanken wordt overgelaten.

De voortzetting van een strafbare toestand door een rechterlijke beslissing die daaraan tijdelijk straffeloosheid verleent, miskent het legaliteitsbeginsel van de misdrijven dat met name in artikel 7 van het Verdrag is vastgelegd. Krachtens dat artikel moet de wet en niet de rechter, op het ogenblik waarop tot een bepaalde gedraging wordt overgegaan, eenieder in staat stellen uit te maken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.

De door de eiser aangevoerde wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen verle-nen de rechter geenszins de bevoegdheid toe te staan dat het plegen van een voortdurend misdrijf wordt voortgezet buiten de termijn die de wet bepaalt om daaraan een einde te stellen.

Het middel is gegrond.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen.

Het arrest bestraft de overschrijding van de redelijke termijn bij de uitvoering van de herstelmaatregel pas na te hebben vastgesteld dat die maatregel bevolen moet worden. Daaruit volgt dus niet dat de appelrechters het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat afhankelijk hebben willen stellen van de voorwaarde om dat herstel uit te voeren binnen een termijn die de wettelijk bepaalde limiet over-schrijdt. Aangezien de door het Hof vernietigde onwettigheid alleen maar invloed heeft op de uitvoeringsmodaliteiten van de herstelmaatregel, raakt zij niet aan het herstel zelf van de plaats in de oorspronkelijke staat.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de uitvoerings-modaliteiten van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van het cassatieberoep en de ver-weerders tot een vierde daarvan.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 12 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onderzoek binnen een redelijke termijn

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Bestraffing

  • Stedenbouw

  • Herstel van plaats in de vorige staat

  • Bij wet bepaalde termijn voor de uitvoering van het herstel van de plaats in de vorige staat

  • Bestraffing van de overschrijding van de redelijke termijn

  • Rechter bevoegd om een bijkomende termijn te bevelen voor het herstel van de plaats in de vorige staat

  • Machtsoverschrijding