- Arrest van 13 december 2012

13/12/2012 - C.12.0335.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een partij op de inleidende zitting is verschenen zonder een conclusie neer te leggen of over de zaak te pleiten tijdens een kort debat, is de rechtspleging jegens haar niet op tegenspraak gevoerd en kan, bijgevolg, geen enkel op tegenspraak gewezen vonnis jegens haar worden uitgesproken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0335.F

C. P., advocaat, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van Engineering Génie civil et Constructions métalliques nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten aanzien van

ENGINEERING GÉNIE CIVIL ET CONSTRUCTIONS MÉTALLIQUES nv,

partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 maart 2012.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 728, § 1, 735, 742 tot 748bis, 794, 795, 796, 802 tot 804 en 1047 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt de volgende feiten vast : "1. [De verweerder] heeft [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] bij deurwaardersexploot van 7 september 2011 in faillissement gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Brussel. Hij beroept zich op een niet-betaald bedrag van 40.423,18 euro aan belasting over de toegevoegde waarde, boetes en interest, en wijst op een uitstaande schuld van 77.496,22 euro bij de administratie van de directe belastingen. Beide partijen hebben op de gedinginleidende zitting van de rechtbank van koophandel te Brussel van 19 september 2011 gevraagd om de zaak naar de rol te verwijzen. De rechtbank van koophandel te Brussel heeft bij vonnis van 3 oktober 2011, waarin vermeld wordt dat er ten aanzien van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] bij verstek uitspraak is gedaan, het faillissement van laatst-genoemde uitgesproken en [de eiser q.q.] aangesteld in de hoedanigheid van curator; 2. [de verweerder], [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en de [eiser q.q.] zijn op 17 oktober 2011 vrijwillig verschenen voor de rechtbank van koophandel te Brussel. In het proces-verbaal van vrijwillige verschijning wordt erop gewezen ‘dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] op de zitting van 19 september 2011 is verschenen ; dat [de verweerder en die partij] evenwel gevraagd hebben om de zaak naar de rol te verwijzen, daar het grootste gedeelte van [verweerders] hoofdschuldvordering, na kennisgeving van de dagvaarding, was betaald en de voorwaarden voor het faillissement dus niet meer waren vervuld', ‘dat de rechtbank, ten gevolge van een verschrijving, het faillissement van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] niettemin heeft uitgesproken en [de eiser] heeft aangesteld in de hoedanigheid van curator', en ‘dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] er een gewettigd belang bij heeft tegen dat vonnis verzet te doen en de intrekking van die beslissing te [vorderen], aangezien er in het zittingsblad akte is genomen van het feit dat die zaak naar de rol was verwezen' en ‘dat er bijgevolg grond bestaat om het faillissement te herroepen'. De rechtbank van koophandel werd gevraagd ‘aan de partijen akte te verlenen van het feit dat zij een uitspraak over de hiervoor geformuleerde vordering [...] vorderen'. De rechtbank van koophandel te Brussel heeft, bij het beroepen vonnis van 24 oktober 2011, het vonnis van faillietverklaring van 3 oktober 2011 ingetrokken en het faillissement herroepen ; gezegd dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] de beslissing tot intrekking dient te doen bekendmaken op kosten [van de ver-weerder] en dat [laatstgenoemde] de kosten van de instantie moet dragen, voor de [eiser q.q.] bepaald op 750 euro en niet bepaald voor de andere partijen; 3. [de verweerder] stelt tegen die beslissing hoger beroep in. Hij vraagt het hof [van beroep] om het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 oktober 2011 te wijzigen en het faillissement van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] uit te spreken".

Het arrest verklaart het hoger beroep gegrond, "wijzigt het vonnis van de recht-bank van koophandel te Brussel van 24 oktober 2011 en verwerpt, in nieuwe beschikkingen, de vordering van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroe-pen partij] [en] verrekent de kosten van eerste aanleg en hoger beroep".

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:

"Het proces-verbaal van vrijwillige verschijning

Aangezien [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] is versche-nen op de zitting van 19 september 1991, wat zij trouwens preciseert in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, kon zij geen verzet doen tegen het vonnis van 3 oktober 2011, ook al vermeldt dat vonnis verkeerdelijk dat het bij verstek is gewezen. Indien het proces-verbaal van vrijwillige verschijning zo moest worden uitgelegd dat het verzet inhoudt, zou dat verzet niet ontvankelijk zijn.

Het proces-verbaal van vrijwillige verschijning is een vordering tot wijziging van het vonnis van 3 oktober 2011. De partijen verklaren daarin immers ‘dat de rechtbank, ten gevolge van een verschrijving, toch het faillissement van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] heeft uitgesproken en [de eiser] heeft aangesteld in de hoedanigheid van curator'. De rechtbank van koophandel oordeelt in zijn vonnis van 24 oktober 2011 ‘dat er ten gevolge van een verschrijving een vonnis van faillietverklaring bij verstek is uitgesproken'. Een verbetering kan echter alleen betrekking hebben op verschrijvingen, zonder dat de in de beslissing vastgestelde rechten uitgebreid, beperkt of gewijzigd mogen worden. De magistraat kan alleen de vorm van het vonnis verbeteren, zonder dat hij aan de grond mag raken. De wijziging heeft tot doel de verschrijvingen te schrappen, die verbeterd kunnen worden met elementen uit de beslissing zelf. [...] De eerste rechter, die recht doet op de vordering tot herroeping van het faillissement, heeft zodoende geraakt aan de grond van de vordering, wat hij niet mocht doen".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan tegen ieder verstekvonnis verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen. Artikel 802 van hetzelfde wetboek bepaalt dat, indien een van de partijen niet op de inleidende zitting verschijnt, op die zitting tegen haar verstek kan worden gevorderd. Volgens artikel 803 van hetzelfde wetboek wordt de niet-verschenen partij tegen wie op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd, op schriftelijk verzoek van de tegenpartij door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen ter zitting waartoe de zaak is verdaagd of waarop zij achteraf is bepaald. Artikel 804 bepaalt dat, indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, tegen haar vonnis bij verstek kan worden gevorderd (eerste lid), maar dat, indien een partij is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd, de rechtspleging ten aanzien van die partij op tegenspraak is (tweede lid). Luidens artikel 728, § 1, dienen de partijen op het ogenblik van de rechtsin-gang en later in persoon of bij advocaat te verschijnen.

Uit die bepalingen volgt niet dat het feit dat de verweerster is verschenen op de gedinginleidende zitting, op zich betekent dat de rechtspleging jegens haar op tegenspraak is gevoerd.

Krachtens artikel 735, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, kan in de zaken bedoeld in de eerste en de tweede paragraaf, te weten in de zaken waarvoor slechts een kort debat nodig is, het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd. Krachtens de vierde paragraaf van hetzelfde artikel worden de zaken die niet op de inleidende zitting zijn behandeld of verdaagd om er op een nabije datum over te pleiten, evenwel naar de rol verzonden. Krachtens artikel 741 van hetzelfde wetboek moeten de partijen vervolgens conclusie nemen "op de wijze in deze afdeling bepaald", dat wil zeggen in de artikelen 742 tot 748bis van het wetboek. De rechtspleging wordt in staat van wijzen gesteld, hetzij door de partijen in onderlinge overeenstemming, overeenkomstig artikel 747, § 1, hetzij door de rechter binnen de zes weken na de inleidende zitting, overeenkomstig artikel 747, § 2, derde lid.

Wanneer, in een zaak die naar de rol werd verwezen op verzoek van de partijen op de inleidende zitting en waarin nog niet werd beslist om de rechtspleging in staat van wijzen te stellen, noch door de partijen in onderlinge overeenstemming, noch door de rechter, een vonnis wordt gewezen dat recht doet op de vordering van de eiser, wegens een dwaling van de griffie, zonder dat de verweerder - die op de inleidende zitting is verschenen - enige schriftelijke conclusie heeft neergelegd, wordt dat vonnis jegens hem bij verstek gewezen in de zin van artikel 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en kan dat vonnis niet beschouwd worden als een op tegenspraak gewezen vonnis in de zin van artikel 804, tweede lid, van dat wetboek. Tegen dat vonnis kan de verweerder bijgevolg verzet doen.

Het arrest stelt vast dat zowel [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] als de verweerder op de inleidende zitting van 19 september 2011 gevraagd hebben om de zaak naar de rol te verwijzen. Uit die vaststelling volgt dat de zaak, krachtens artikel 735, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, niet werd behandeld als een zaak waarvoor slechts korte debatten nodig waren en waarin uitspraak kon zijn gedaan, zelfs indien er geen conclusies waren neergelegd. Het arrest stelt overigens niet vast dat de zaak, vóór het vonnis van 3 oktober 2011, door de partijen in onderlinge overeenstemming of door de rechter in staat van wijzen is gesteld in de zin van artikel 747, § 1 en 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, of dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] een schriftelijke conclusie heeft neergelegd.

Aangezien de zaak was verwezen naar de rol, overeenkomstig artikel 735, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, en de partijen nog conclusie dienden te nemen overeen-komstig de artikelen 741 tot 748bis van dat wetboek, kon niet ervan uitgegaan worden dat het vonnis van 3 oktober 2011 was gewezen na een rechtspleging op tegenspraak of die als dusdanig moet worden opgevat, zonder aan de verschijning van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] een gevolg te verbinden dat ze niet heeft krachtens de artikelen 728, § 1, en 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Dat vonnis moest worden aangemerkt als een vonnis dat jegens die partij bij verstek is gewezen.

Toch beslist het arrest dat "indien het proces-verbaal van vrijwillige verschijning zo moest worden uitgelegd dat het verzet inhoudt, dat verzet niet ontvankelijk zou zijn", op grond dat "[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] is verschenen op de gedinginleidende zitting van 19 september 2011" en dat zij dus geen verzet kon doen tegen dat vonnis, dat verkeerdelijk vermeldde dat het bij verstek was gewezen. Het arrest schendt aldus de artikelen 728, § 1, 735, § 1 tot 4, en 741 tot 748bis (inzonderheid de artikelen 741 en 747, § 1 en 2, derde lid), 802 tot 804 en 1047, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 802 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien een van de partijen niet op de inleidende zitting verschijnt, op die zitting tegen haar verstek kan worden ge-vorderd.

Uit die bepaling volgt niet dat het verschijnen van een partij op de inleidende zit-ting op zich betekent dat de rechtspleging jegens haar op tegenspraak is gevoerd.

Volgens artikel 804, tweede lid, van datzelfde wetboek, is de rechtspleging jegens een partij op tegenspraak gevoerd indien de partij is verschenen overeenkomstig artikel 728 en ter griffie of ter zitting een conclusie heeft neergelegd.

Krachtens artikel 735, § 3, eerste lid, van dat wetboek, kan in de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd.

Uit die bepalingen volgt dat, wanneer een partij op de inleidende zitting is ver-schenen zonder een conclusie neer te leggen of over de zaak te pleiten tijdens een kort debat, de rechtspleging jegens haar niet op tegenspraak is gevoerd en dat, bij-gevolg, geen enkel op tegenspraak gewezen vonnis jegens haar kan worden uitge-sproken.

Het arrest, dat vaststelt dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij is verschenen op de inleidende zitting van de rechtbank van koophandel van 19 september 2011 en dat beide partijen op die zitting hebben gevraagd om de zaak naar de rol te verwijzen, en vervolgens beslist dat het vonnis dat die recht-bank op 3 oktober 2011 heeft gewezen geen verstekvonnis is waartegen verzet kan worden gedaan, alleen op grond dat die partij is verschenen op de inleidende zitting, schendt de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ont-vankelijk verklaart.

Verklaart het onderhavige arrest bindend ten aanzien van de naamloze vennoot-schap Engineering Génie civil et Constructions métalliques.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 13 december 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Inleidende zitting

  • Geen conclusie

  • Geen pleidooi tijdens een kort debat

  • Gevolg