- Arrest van 14 december 2012

14/12/2012 - C.12.0018.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onderwerp van de vordering wordt uitsluitend bepaald door de syntheseconclusie (1); de rechter is niet gehouden uitspraak te doen over een punt van de vordering dat niet wordt herhaald in de syntheseconclusie. (1) Cass. 29 maart 2012, AR C.11.0472.N, AC 2012, nr. 208.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0018.N

JACKY AUSSEMS nv, met zetel te 3740 Bilzen, Natveld 11,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

MARTENS HOUT nv, met zetel te 2900 Schoten, Hoogmolendijk 4,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onverminderd de toepas-sing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatrege-len te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, de laatste con-clusie van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies en dat voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, de syntheseconclusies alle vorige con-clusies vervangen en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusie neerlegt.

2. Uit deze bepaling volgt dat het onderwerp van de vordering uitsluitend wordt bepaald door de syntheseconclusie en dat de rechter niet gehouden is uit-spraak te doen over een punt van de vordering dat niet wordt herhaald in de syn-theseconclusie.

3. Uit haar syntheseappelconclusie van 2 maart 2011 blijkt dat de eiseres hierbij vorderingen in vrijwaring en in ontbinding van de koop lastens de verweerster formuleert wegens niet-conforme levering, wegens dwaling, minstens wegens verborgen gebreken.

De appelrechters oordelen dat voormelde door de eiseres op onderscheiden gron-den ingestelde vorderingen allen ontoelaatbaar zijn.

4. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters artikel 1138, 3°, Gerechte-lijk Wetboek schenden omdat ze nalaten uitspraak te doen over de voorgehouden hiervan te onderscheiden op 7 oktober 2005 door de eiseres ingestelde vordering, die in de syntheseappelconclusie van de eiseres van 2 maart 2011 niet werd her-haald, kan niet worden aangenomen.

Tweede en derde onderdeel

5. De appelrechters oordelen enkel over de vorderingen zoals deze door de ei-seres werden geformuleerd in haar syntheseappelconclusie van 2 maart 2011.

De onderdelen die van het tegendeel uitgaan, missen feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

6. De rechter beoordeelt vrij de korte tijd binnen welke de koper de rechtsvor-dering op grond van verborgen gebreken moet instellen, rekening houdende met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen ver-richte gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.

7. In zoverre het onderdeel in werkelijkheid opkomt tegen de vrije beoordeling van de korte tijd door de appelrechters, is het niet ontvankelijk.

8. De appelrechters oordelen dat:

- de eiseres de koopvernietigende vordering in vrijwaring tegen de verweerster heeft ingesteld bij conclusie van 28 februari 2006;

- de vordering in vrijwaring wegens verborgen gebreken aldus dateert van bijna drie jaar na de ingebrekestelling uitgaande van haar raadsman en met andere woorden van bijna drie jaar na de ontdekking van de beweerde verborgen ge-breken;

- zelfde vordering tevens dateert van ongeveer 21 maanden na het definitief des-kundigenverslag, neergelegd ter griffie op 23 juni 2004;

- de vordering derhalve onmiskenbaar niet werd ingesteld binnen de door artikel 1648 Burgerlijk Wetboek vereiste korte termijn;

- de eiseres ook niet aantoont dat tussen het ontdekken van de beweerde verbor-gen gebreken en het instellen van de vordering tussen partijen onderhandelin-gen zijn gevoerd, laat staan ernstige onderhandelingen met het oog op het be-reiken van een minnelijke regeling, zodat er evenmin sprake kan zijn geweest van een schorsing van de korte termijn.

9. De appelrechters beantwoorden aldus het in het onderdeel bedoeld verweer.

Zij waren hierbij niet gehouden te antwoorden op alle argumenten die de eiseres ter staving van haar verweer had aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel uit-maakten.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

10. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van par-tijen niet miskent.

Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

Dit houdt niet in dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, doch niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toe-passelijkheid te onderzoeken, doch enkel dat hij, mits eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder wor-den aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.

11. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de plicht hadden de vordering van de eiseres ambtshalve te toetsten aan de aansprakelijkheidsregels inzake niet-conforme levering, maar voert niet aan dat de toepassing van die rechtsgrond geboden was door de feiten die door de eiseres in het bijzonder werden aangevoerd.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Zesde onderdeel

12. De appelrechters oordelen dat de vorderingen van de eiseres in zoverre ge-steund op de niet-conformiteit van de levering enerzijds en dwaling anderzijds on-toelaatbaar zijn niet alleen op grond dat zij zich in hun tussenarrest van 1 maart 2010 reeds hadden uitgesproken over de kwalificatie van de vordering en derhalve hun rechtsmacht desbetreffend hadden uitgeput, maar ook op grond dat de eiseres na voormeld tussenarrest bedoelde vorderingen niet meer vermocht in te stellen daar "dit vorderingen betreffen die duidelijk niet binnen de heropening van de debatten vallen".

13. Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde reden schraagt de bestreden beslissing.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ont-vankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.024,41 euro en voor de verweerster op 164,08 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 14 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Onderwerp

  • Syntheseconclusie

  • Gevolg

  • Punt niet herhaald in de syntheseconclusie

  • Opdracht van de rechter