- Arrest van 14 december 2012

14/12/2012 - C.12.0232.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het belang is onrechtmatig wanneer de rechtsvordering strekt tot de instandhouding van een onrechtmatige toestand of tot het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel (1). (1) Zie Cass. 2 maart 2006, AR C.05.0061.N, AC 2006, nr. 120; Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N, AC 1998, nr. 188, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0232.N

1. G.L.,

2. L.P.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woon-plaats kiezen,

tegen

J.-P.B.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 januari 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.

1. Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 14 Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- artikel 42 Wetten betreffende het handelsregister, bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerd;

- de artikelen 2 en 5 Wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter.

Aangevochten beslissing

Het hof van beroep verklaart de vordering van eisers niet-ontvankelijk op grond van de volgende overwegingen:

"8.

In de voormelde vonnissen van 8 juli 2004 en 5 september 2007, waarvan [de eisers] zelf bevestigen dat deze in kracht van gewijsde zijn getreden, werd bij herhaling geoordeeld dat [de eisers] te beschouwen zijn als handelaars waar zij instonden voor de uitvoering van de krachtens de ter discussie staande uitgavencontacten aangegane en op hen rustende verbintenissen.

Het staat dan ook buiten kijf dat [de eisers] zowel bij de totstandkoming van de uitgavenovereenkomsten als bij de uitvoering ervan als handelaar zijn opgetreden.

Het is tevens duidelijk dat de oorzaak van de vordering tot schadevergoeding zoals door [de eisers] geformuleerd te vinden is in de voormelde uitgavenovereenkomsten die tussen [de eisers] en [de verweerder] werden afgesloten. [De eisers] vorderen immers schadevergoeding voor de beweerdelijk ontijdige verbreking van de voormelde overeenkomsten.

Mede gelet op de onbetwistbare kwalificatie van [de eisers] als handelaars staat het dan ook vast dat zij niet alleen bij de totstandkoming, maar ook bij de uitvoering van de uitgavenovereenkomsten een activiteit uitoefenden waarvoor een inschrijving in het handelsregister, thans de kruispuntbank van ondernemingen, vereist was.

Op basis van de voormelde en in kracht van gewijsde getreden vonnissen en de feitelijke gegevens staat het eveneens vast dat [de eisers], van bij het afsluiten tot aan de beëindiging van de overeenkomsten door geïntimeerde, niet over de voormelde vereiste inschrijving beschikten.

Door niet met de wetgeving inzake het handelsregister c.q. de kruispuntbank van ondernemingen in regel te zijn, overtraden appellanten meteen ook - zoals [de verweerder] terecht voorhoudt - de wetgeving op het sluikwerk van 6 juli 1976.

Artikel 2, § 1, wet definieert immers als:

‘het werk dat voorwerp kan zijn van een beroep behorend tot het ambachtswezen, de handel of de industrie en dat niet in ondergeschikt verband wordt verricht door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die ofwel niet is ingeschreven in het ambachts- of handelsregister, ofwel de wettelijke voorschriften inzake vergunning, verzekeringsplicht of inschrijving in verband met de uitoefening van dit beroep overtreedt, voor zover dat werk hetzij door zijn omvang en zijn technische aard, hetzij door zijn frequentie, hetzij door het aanwenden van materieel of van werktuigen, een specifiek professioneel karakter heeft'.

Het lijdt naar het oordeel van het hof geen twijfel dat de uitvoering van de door appellanten in het kader van de met geïntimeerde afgesloten uitga-venovereenkomsten opgenomen verbintenissen - waartoe zij zich als handelaar persoonlijk ten aanzien van [de verweerder] hadden verbonden - beantwoorden aan voormelde definitie.

Art. 5 van voormelde wet bepaalt verder:

‘Met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboeten van 26 [euro] tot 500 [euro] of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die sluikwerk verricht of gebruik maakt van de diensten van iemand die sluikwerk verricht'.

De miskenning/overtreding van de voormelde wet van 6 juli 1976 bestond zowel op het ogenblik van de totstandkoming, de uitvoering als de beëindiging van de ter discussie staande uitgavenovereenkomsten. De inschrijving die [de eisers] na de vonnissen van 8 juli 2004 en 5 september 2007 alsnog in de kruispuntbank van ondernemingen hebben genomen dateren immers van jaren na de beëindiging van de uitgavenovereenkomsten door [de verweerder] bij brief van 27 september 2000.

De argumentatie van [de eisers] dat zij geen enkele vergoeding zouden hebben ontvangen voor enige prestatie aangezien zij er steeds van uit gegaan waren dat de uitgavencontracten tussen bvba OSTEO 2000 en [de verweerder] waren afgesloten, doet geen enkele afbreuk aan voormelde vaststelling die een miskenning van de wetgeving op het sluikwerk van 6 juli 1976 inhoudt.

Ook de argumentatie dat enkel de bvba OSTEO economisch en juridisch instond voor de vertaling, de uitgave en de distributie aangezien [de eisers] meenden als zaakvoerder de uitgavencontracten met bvba OSTEO te hebben tot stand gebracht, staat haaks op hetgeen in de in kracht van gewijsde gestreden vonnissen van 8 juli 2004 en 7 september 2007 werd geoordeeld en kan om die reden ook niet in aanmerking worden genomen:

‘- het vonnis van 8 juli 2004 oordeelde immers expliciet dat [de eisers] als handelaars dienden te worden aanzien waar zij instonden voor de uitvoering van de krachtens de uitgavencontracten op hen rustende verbintenissen,

‘- ook het vonnis van 5 september 2007 oordeelde dat [de eisers] zich persoonlijk ten opzichte van [de verweerder] verbonden hadden.

Waar [de eisers] tenslotte voorhouden dat de wet van 6 juli 1976 niet van toepassing zou zijn op intellectueel sluikwerk, tonen zij vooreerst geenszins aan dat zij in het kader van de ter discussie staande uitgavencontracten uitsluitend intellectuele prestaties verrichten.

De voorliggende uitgavencontracten tonen dit in elk geval niet aan en maken integendeel melding van niet-intellectuele prestaties, met name het uitgeven en het verdelen/verkopen van boeken.

Overigens komt het onderscheid tussen intellectueel en manueel sluikwerk in de wet van 6 juli 1976 niet voor en is, in tegenstelling tot wat [de eisers] voorhouden, niet voorzien dat het intellectueel sluikwerk uit het toepassingsgebied van de wet wordt uitgesloten.

De door [de eisers] in hun syntheseconclusies onder randnummer 42 geciteerde rechtsleer bevestigt tenslotte dat een onderscheid tussen manueel en intellectueel sluikwerk in geen geval te verdedigen valt. Er is naar het oordeel van het hof overigens geen enkele redelijke verantwoording voor een dergelijk onderscheid.

9.

"Waar [de eisers] dan ook schadevergoeding vorderen op basis van de uitgavencontracten die zij van bij de totstandkoming tot bij de beëindiging ervan hebben uitgevoerd in strijd met

‘- de wet op het handelsregister, thans kruispuntbank van ondernemingen,

‘- de voormelde wet van 6 juli 1976 op het sluikwerk,

is hun vordering gesteund op een ongeoorloofde oorzaak - met name het handel drijven met miskenning van de voormelde strafrechtelijk gesanctioneerde wettelijke bepalingen van openbare orde - en beschikken zij niet over het vereiste rechtmatig belang voor het instellen van hun hiervoor vermelde vordering tot schadevergoeding wegens de beweerde eenzijdige en ontijdige opzegging van de uitgavencontracten door [de verweerder].

Bij gebreke daaraan komt hun vordering dan ook onontvankelijk voor.

Conform de artikelen 6, 1131 en 133 Burgerlijk Wetboek kan de rechter geen rechtsgevolgen toekennen aan verbintenissen uit een ongeoorloofde oorzaak."

Grieven

Schending van de 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 Burgerlijk Wetboek, van artikel 14 Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, van artikel 42 Wetten betreffende het handelsregister, bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerd en van de artikelen 2 en 5 Wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter.

Luidens de artikelen 17 en 18, eerste lid Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen dadelijk en rechtstreeks belang heeft om ze in te dienen.

Dit procedureel belang moet ook rechtmatig zijn.

Een eiser heeft alleen dan geen rechtmatig belang indien het voorwerp van zijn vordering, i.e. het materieel, moreel of psychologisch resultaat dat hij via de pro-cedure hoopt te verkrijgen, ertoe strekt een onrechtmatige toestand of een onrechtmatig voordeel te behouden.

Volgens artikel 1108 Burgerlijk Wetboek is voor de geldigheid van een overeen-komst een geoorloofde oorzaak van de verbintenis vereist.

Overeenkomstig artikel 1131 Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak geen gevolg hebben.

De artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 Burgerlijk Wetboek verbieden overeenkomsten die een ongeoorloofde toestand creëren of instandhouden.

Is ongeoorloofd de overeenkomst waarvan de oorzaak, i.e. de determinerende beweegreden die de contractpartij tot contracteren heeft bewogen, ertoe strekte een onwettige toestand te scheppen of te handhaven.

Artikel 14 Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen bepaalt het volgende:

"Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.

Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsemmer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk.

Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens niet ontvankelijk. De niet-ontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de niet-ontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen."

Artikel 42 van de Wetten betreffende het handelsregister, bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerd luidt als volgt:

"Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering."

Volgens artikel 2, § 1, Wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter is sluikwerk het werk dat voorwerp kan zijn van een beroep behorend tot het ambachtswezen, de handel of de industrie en dat niet in ondergeschikt verband wordt verricht door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die niet is ingeschreven in het ambachts- of handelsregister.

Volgens artikel 5 van diezelfde wet wordt met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboete van 26 frank tot 500 frank of met één van die straffen alleen gestraft hij die sluikwerk verricht of gebruik maakt van de diensten van iemand die sluikwerk verricht.

Het hof van beroep stelt te dezen vast dat de oorzaak van de vordering tot schadevergoeding door eisers geformuleerd te vinden is in de uitgavenovereenkomsten die tussen eisers en verweerder werden gesloten, aangezien zij schadevergoeding vorderen voor de beweerde ontijdige verbreking van die overeenkomsten.

Volgens het hof staat het buiten kijf dat eisers zowel bij de totstandkoming als bij de uitvoering van die uitgavenovereenkomsten als handelaar zijn opgetreden, zonder dat zij voor die handelsactiviteit over de vereiste inschrijving in het handelsregister of de kruispuntbank voor ondernemingen beschikten. De eisers verrichtten volgens het hof met andere woorden sluikwerk, dat zij bij het sluiten van die uitgavenovereenkomsten meenden te handelen voor rekening van bvba Osteo 2000 en dat zij nadien alsnog een inschrijving in de kruispuntbank voor ondernemingen verkregen doet daaraan volgens het hof niet af.

Omdat zij de uitgavenovereenkomsten van bij de totstandkoming tot bij de beëin-diging in strijd met de wet op het handelsregister, thans de kruispuntbank van on-dernemingen, en de wet van 6 juli 1976 op het sluikwerk hebben uitgevoerd, is hun vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding volgens het hof gesteund op een ongeoorloofde oorzaak, met name het handel drijven in strijd met wettelijke bepalingen van openbare orde, en beschikken zij niet over het vereiste rechtmatig belang voor het instellen van hun vordering tot schadevergoeding wegens de beweerde ontijdige beëindiging van de uitgavenovereenkomsten door de verweerder.

Hun vordering is volgens het hof bijgevolg onontvankelijk, de rechter kan geen rechtsgevolgen toekennen aan verbintenissen uit een ongeoorloofde oorzaak.

Met die overwegingen verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing dat de vordering van eisers onontvankelijk is niet naar recht.

Het belang vereist voor een toelaatbare rechtsvordering is alleen dan onrechtmatig indien het voorwerp van de vordering ertoe strekt een onrechtmatige toestand of een onrechtmatig voordeel te behouden.

Verbintenissen hebben een ongeoorloofde oorzaak indien de determinerende beweegreden erin bestaat een onwettige toestand te scheppen of in stand te houden.

Het hof van beroep stelt uitdrukkelijk vast dat de eisers met hun vordering schadevergoeding beoogden voor de ontijdige beëindiging van de uitgavenovereenkomsten met verweerder en dat de oorzaak van hun vordering in die uitgavenovereenkomsten te vinden is.

Noch met de hiervoor weergegeven overwegingen noch met enige andere overweging stelt het hof van beroep vast dat de eisers met hun vordering tot schadevergoeding een onrechtmatige want met de openbare orde strijdige toestand beoogden te scheppen of in stand te houden.

De afwijzing van eisers' vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding als onontvankelijk omdat zij in strijd met de bepalingen van de wet op het handelsregister, thans de kruispuntbank van ondernemingen, en de wet van 6 juli 1976 op het sluikwerk handel hebben gedreven, schendt bijgevolg zowel het vereiste van een ‘rechtmatig' belang als de geoorloofde oorzaak van overeenkomsten (schending van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 Burgerlijk Wetboek, van artikel 14 Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, van artikel 42 Wetten betreffende het handelsregister, bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerd en van de artikelen 2 en 5 Wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtska-rakter).

2. Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 618, 1017, 1018, 6° en 1022 Gerechtelijk Wetboek.

- artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (hierna het koninklijk besluit van 26 oktober 2007)

Bestreden beslissing

Het hof van beroep veroordeelt de eisers tot betaling van de gedingkosten in beide aanleggen, aan de zijde van verweerder begroot op 5000 euro als rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 5500 EUR als rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Grieven

Schending van de artikelen 618, 1017, 1018, 6° en 1022, Gerechtelijk Wetboek en van artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

Uit de artikelen 1017 en 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten wordt veroordeeld, die ook de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek omvatten.

Overeenkomstig artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek stelt de Koning de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vast, rekening houdend met de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.

De rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen wordt bepaald overeenkomstig artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 618, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober 2007 en artikel 618, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bijgevolg bepaald door de som in de laatste conclusie gevorderd.

Voor in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 100.000,01 euro en 250.000 euro bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 5.000 euro en, sinds de indexering vanaf 1 maart 2011, 5.500 euro.

Voor in geld waardeerbare vorderingen tot 250 euro bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober 2007 150 euro en, sinds de indexering vanaf 1 maart 2011, 165 euro.

Te dezen stelt het hof van beroep vast dat de eisers in essentie argumenteren dat verweerder gehouden is tot schadevergoeding begroot op de onverkoopbare stock boeken met een toenmalige verkoopwaarde van 147.563,39 euro, meer een vergoeding van stockagekosten a rato van 552 euro per jaar en verder dat zij in het beschikkend gedeelte van hun syntheseconclusie de veroordeling van de verweerder vorderden om aan hen te betalen een schadevergoeding provisioneel begroot op 1 euro, meer de wettelijke interest vanaf 27 september 2000, meer de gerechtelijke interest vanaf datum dagvaarding tot datum algehele betaling.

In zover het hof van beroep de rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbe-drag van in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 100.000,01 euro en 250.000 euro en geen rekening houdt met het bedrag van de bij syntheseconclusie gewijzigde vordering - een provisionele vergoeding van 1 euro en de aanstelling van een deskundige, miskent het hof van beroep artikel 2 koninklijk besluit van 26 oktober en artikel 618, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, en schendt het tevens, voor zoveel als nodig, de artikelen 1017, 1018, 6° en 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen rechtmatig belang heeft.

Het belang is onrechtmatig wanneer de rechtsvordering strekt tot de instandhou-ding van een onrechtmatige toestand of tot het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel.

2. Uit de artikelen 6, 1131 en 1132 Burgerlijk Wetboek volgt dat een overeen-komst die een ongeoorloofde oorzaak heeft omdat zij door de wet is verboden of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde, geen gevolg kan hebben.

3. Uit deze bepalingen volgt dat een rechtsvordering die strekt tot de uitvoe-ring van een dergelijke overeenkomst of tot de vergoeding van de schade wegens de beëindiging ervan, niet ontvankelijk is.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Artikel 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld wordt overeen-komstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Artikel 557 Gerechtelijk Wetboek preciseert dat onder het bedrag van de vorde-ring wordt verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwang-sommen.

Artikel 618 Gerechtelijk Wetboek preciseert dat indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

5. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat, ingeval van wijziging van de vordering in de loop van het geding, het basisbedrag van de rechtsplegingsver-goeding wordt bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd.

6. In zoverre het middel ervan uitgaat dat, ingeval van hoger beroep, het be-drag van de laatste conclusie in hoger beroep het basisbedrag van de rechtsple-gingsvergoeding in eerste aanleg bepaalt, faalt het naar recht.

7. In zoverre het middel aanvoert dat de vordering dient gekwalificeerd te worden als een niet in geld waardeerbare vordering, voert het niet de schending aan van artikel 3 Tarief Rechtsplegingsvergoeding en is het niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 729,66 euro jegens de eisende partijen en voor de verweerder op 213,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 14 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Belang

  • Begrip

  • Onrechtmatig belang