- Arrest van 17 december 2012

17/12/2012 - C.10.0541.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 57, § 1, derde lid, van de wet van 8 juli 1976 kan de maatschappelijke dienstverlening van materiële of geneeskundige aard zijn; zij kan bestaan uit het ten laste nemen van de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst van een ter observatie opgenomen zieke overeenkomstig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, namelijk de kosten die ten laste van de zieke komen krachtens artikel 34, tweede lid, van dezelfde wet (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0541.F

CLINIQUE FOND'ROY vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE UKKEL,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJKE WELZIJN TE BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

J. M. S.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 september 2007.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 november 2012 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 22 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. DASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23 en 149 van de Grondwet;

- artikel 1 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 januari 2002;

- artikel 57 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van kracht na de wijziging of vervanging ervan bij de wet van 15 juli 1996 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en na de gedeeltelijke vernietiging ervan bij het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 43/98 van 22 april 1998, en vóór de wijziging ervan bij de wetten van 7 januari 2002 en 2 augustus 2002;

- artikel 61 van de wet van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 december 1999;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond, bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de vordering van de eiseres ten aanzien van de twee verweerders niet gegrond heeft verklaard, en veroordeelt de eiseres in de kosten van het hoger beroep, op grond al zijn redenen en in het bijzonder op grond van de volgende:

"[De eiseres] heeft haar vordering respectievelijk gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, op de zijdelingse vordering en op zaakwaarneming;

Zij handhaaft dezelfde gronden in hoger beroep;

De fout die zonder onderscheid wordt toegeschreven aan de twee [verweerders] is dat zij hun wettelijke verplichtingen inzake dringende medische hulp hebben verzaakt doordat ze geweigerd hebben de hospitalisatiekosten van de heer S. ten laste te nemen terwijl zij die kosten van de Belgische Staat konden terugvorderen;

Volgens de [verweerders] blijkt uit geen enkel stuk dat de heer S. illegaal in België verbleef;

Het is juist dat het door de [eiseres] overgelegde uittreksel van het Rijksregister van de natuurlijke personen enkel aantoont dat die persoon niet kon worden geïdentificeerd;

De administratieve toestand van de heer S. heeft echter geen weerslag op zijn recht op dringende medische hulp: als zijn verblijf illegaal was, dan is de door de gemeenschap verschuldigde hulp beperkt tot precies dringende medische hulp met toepassing van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; in het tegengestelde geval had hij sowieso recht op dringende medische hulp vermits die behoort tot één van de vormen van hulpverlening van de gemeenschap waarvoor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten instaan;

De opheffing van artikel 58 van de wet van 8 juli 1976, die het gevolg is van de uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, doet daar niets aan af; voortaan beoogt de wet van 8 juli 1964 in het algemeen de hulpverlening aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd; zij omvat bijgevolg ook de ziekten of ongevallen die zich hebben voorgedaan op een privé-plaats als bedoeld destijds in artikel 58 van de wet van 8 juli 1976;

Ter herinnering, de [eiseres] werd hier verplicht, op verzoek van het parket en in het raam van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, de heer S. in haar psychiatrische inrichting op te vangen; er was dus geen oproep via het eenvormig oproepstelsel; de toestand van de heer S. wordt dus niet geregeld bij de wet van 8 juli 1964; het staat niet vast dat laatstgenoemde illegaal in België verbleef; zijn toestand wordt dus ook niet geregeld bij artikel 57, § 2, van de wet van 14 juli 1976 en haar uitvoeringsbesluit;

Eigenlijk betwisten de [verweerders] niet dat de toestand van de heer S. ressorteerde onder dringende medische hulp als één van de vormen van maatschappelijke hulpverlening bepaald bij artikel 57, § 1, van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

Volgens artikel 34 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, komen de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst, of in een gezin, en van eventuele overbrenging naar een andere dienst of een ander gezin ten laste van de zieke, te dezen de heer S.;

De [eiseres] heeft de [verweerders] en de heer S., tegen wie zij een vonnis bij verstek voor de eerste rechter heeft verkregen, tegelijkertijd gedagvaard;

Het recht op maatschappelijke hulpverlening behoorde toe aan de heer S. en alleen hij kon bijgevolg dat voordeel vragen, hetgeen hij niet heeft gedaan; zelfs als het in de gegeven omstandigheden weinig waarschijnlijk was dat de heer S., die hier misschien illegaal verbleef en alleszins een geestesstoornis had, in staat was geweest hulpverlening te vragen, is het toch zo dat de [eiseres], in zoverre zij haar middel tegen de [verweerders] steunt op de dringende medische hulp die laatstgenoemden of één van hen aan de heer S. moest bieden, niet aantoont dat er een regeling bestaat die haar de mogelijkheid biedt hulpverlening aan te vragen in de plaats van laatstgenoemde, zelfs als die aanvraag, gelet op de hoogdringendheid, niet diende te gebeuren vóór de tussenkomst van de verzor-gingsinstelling;

Krachtens artikel 1372 van het Burgerlijk Wetboek vereist zaakwaarneming dat de daden vrijwillig worden gesteld, dat wil zeggen met de bedoeling voor rekening van iemand anders op te treden; de [eiseres] heeft zorgen toegediend in het raam van haar activiteit als ziekenhuis, daarenboven op verzoek van het parket met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, zodat niet ervan kan uitgegaan worden dat zij de bedoeling zou hebben gehad te handelen voor rekening van de heer S.;

De [eiseres] die in het raam van dringende medische hulp overigens niet kan optreden in de plaats van de heer S., heeft trouwens geen enkele grond om van de [verweerders] de terugbetaling van een factuur voor zorgverstrekking te vorderen;

Bij ontstentenis van een verplichting van de [verweerders] om in te gaan op een verzoek tot dringende medische hulp uitgaande van een zorgverstrekker, te dezen de [eiseres], in de plaats van de begunstigde, of van een regeling waardoor die zorgverstrekker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de betaling kan vorderen van de zorgen die hij verstrekt heeft, zelfs op vordering, hebben de [verweerders] geen fout begaan door de vordering van de zorgverstrekker af te wijzen;

Het is wel zo dat die oplossing ertoe leidt dat een privépersoon de dringende medische hulp moet dragen die, krachtens de wet, een opdracht van de [verweerders] is; die toestand is echter het gevolg van een wetgevende of regelgevende lacune die het hof [van beroep] niet kan opvullen".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 23 van de Grondwet, heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden.

Krachtens artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn heeft elke persoon recht op maatschappelijke dienstverlening die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn hebben tot opdracht deze dienstverlening te verzekeren.

Artikel 61, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 24 december 1999, bepaalde dat "het centrum een beroep kan doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene.

Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt".

Artikel 57, § 1 en § 2, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976, zoals van kracht na de wijziging of vervanging ervan bij de wet van 15 juli 1996 en gedeeltelijk vernietigd door het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 43/98 van 22 april 1998, en vóór de wijziging ervan bij de wetten van 7 januari 2002 en 2 augustus 2002, bepaalde:

"§1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp.

Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

§ 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft."

De eiseres verweet de verweerders een fout te hebben begaan door te kort te zijn geschoten aan hun wettelijke verplichtingen inzake dringende medische hulp, voortvloeiend uit voornoemde wettelijke bepalingen, door te weigeren de kosten te dragen van de dringende medische hulp die zij verplicht aan de heer S. had moeten verstrekken.

Het arrest stelt vast dat de eiseres zich tot de eerste en dan tot de tweede verweerder had gewend voor het verkrijgen van hun tussenkomst in het kader van de dringende medische hulp verstrekt aan de heer S. maar dat zij die tussenkomst geweigerd hadden.

Na te hebben erkend dat de heer S. recht had op dringende medische hulp vanwege de verweerders, ongeacht of hij legaal dan wel illegaal in België verbleef, oordeelt het arrest vervolgens dat de verweerders geen fout hebben begaan door niet tussen te komen in het kader van de dringende medische hulp die aan de heer S. moest worden geboden en door dus niet de kosten te dragen voor die door de eiseres verstrekte hulp, op grond dat "het recht op maatschappelijke hulpverlening toebehoorde aan de heer S. en alleen hij bijgevolg dat voordeel mocht aanvragen, hetgeen hij niet heeft gedaan", zelfs als het in de gegeven omstandigheden "weinig waarschijnlijk was dat de heer S., die hier misschien illegaal verbleef en alleszins een geestesstoornis had, in staat was geweest hulpverlening aan te vragen". Het arrest beslist dus dat aangezien de begunstigde van de dringende medische hulp de tussenkomst van de verweerders niet heeft gevraagd, ook niet voor het ten laste nemen van de kosten van de hulp, de verweerders geen fout hebben begaan door de door de eiseres aan de heer S. verstrekte dringende medische hulp financieel niet ten laste te nemen.

De financiële tenlasteneming door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de dringende medische hulp verstrekt door een ziekenhuisdienst is echter niet ondergeschikt aan een vraag om tussenkomst vanwege de begunstigde van de hulp of zijn mandataris. Uit geen enkele wettelijke bepaling die van toepassing was op het ogenblik van de litigieuze feiten volgt immers dat de verweerders enkel verplicht waren de dringende medische hulp eventueel financieel ten laste te nemen op voorwaarde dat de begunstigde van de steun of zijn mandataris een dergelijke aanvraag zou hebben ingediend.

Het arrest dat beslist dat de verweerders geen fout hebben begaan door de kosten van de door de eiseres aan de heer S. verstrekte dringende medische hulp niet ten laste te nemen en daartoe overweegt dat de patiënt zelf de tenlasteneming van die kosten moest vragen en dat laatstgenoemde of zijn mandataris geen enkele aanvraag heeft ingediend bij de verweerders, verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, de artikelen 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de Grondwet uitgezonderd).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet, in de versie die van toepassing is op de feiten, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onder de door de wet bepaalde voorwaarden tot taak aan personen en gezinnen de dienst-verlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Die dienstverlening heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Krachtens artikel 57, § 1, derde lid, OCMW-wet kan de maatschappelijke dienst-verlening van materiële of geneeskundige aard zijn. Zij kan bestaan uit het ten las-te nemen van de kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst van een zieke die ter observatie is opgenomen overeenkom-stig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de per-soon van de geesteszieke, namelijk de kosten die ten laste van de zieke komen krachtens artikel 34, tweede lid, van dezelfde wet.

Voornoemd artikel 9 vermeldt in zijn eerste lid dat in spoedeisende gevallen en, overeenkomstig artikel 2 van de wet, indien de toestand van de zieke zulks ver-eist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, de procureur des Konings kan beslissen dat de zieke ter observatie zal worden op-genomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst. Overeenkomstig artikel 9, vierde lid, van de wet en 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 juli 1991 ter uitvoering van artikel 36 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescher-ming van de persoon van de geesteszieke is de directeur van de instelling in dat geval verplicht de zieke in bewaring te nemen, zijn vervoer te laten uitvoeren en tot zijn opname over te gaan.

De verplichting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om aan de zieke maatschappelijke dienstverlening te verstrekken krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet, onder de door die wet bepaalde voorwaarden, onder de vorm van het ten laste nemen van vervoer en opneming in een psychiatrische dienst van een overeenkomstig artikel 9 van de wet van 26 juni 1990 ter observatie opgenomen zieke, is, wegens het spoedeisend karakter dat die ter observatie opneming veronderstelt, niet afhankelijk van een vraag om tussenkomst van de zieke of zijn mandataris. Als dat spoedeisend karakter aanhoudt, geldt hetzelfde voor de kosten van verblijf en behandeling.

Het arrest stelt vast dat de eiseres op vordering van de procureur des Konings ver-plicht werd J. M. S. in haar psychiatrische dienst op te vangen in uitvoering van artikel 9 van de wet van 26 juni 1990; dat de zieke geen inkomsten, ziekenfonds en gekende woonplaats had; dat noch hij zelf, noch zijn mandataris de tussen-komst van de verweerders hebben aangevraagd maar dat de eiseres die aanvraag heeft gedaan; dat de toestand van de zieke niet onder de toepassing viel van artikel 57, § 2, OCMW-wet en, ten slotte, dat de verweerders niet betwistten dat die toestand ressorteerde onder dringende medische hulp als één van de vormen van maatschappelijke dienstverlening bepaald bij artikel 57, § 1, van die wet.

Het arrest oordeelt dat het recht op de maatschappelijke dienstverlening aan J.M.S. toebehoorde en dat alleen hij dat voordeel kon aanvragen, hetgeen hij niet heeft gedaan, en dat de eiseres niet kon optreden in zijn plaats. Het leidt hieruit af dat de verweerders niet verplicht waren, in het raam van de bij artikel 57, § 1, OCMW-wet bepaalde maatschappelijke dienstverlening, de kosten te dragen van vervoer, opneming, verblijf of behandeling van de zieke in de psychiatrische dienst van de eiseres.

Het arrest dat aldus oordeelt, schendt de voornoemde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het akte verleent aan de eiseres van de afstand van het tegen J.M.S. ingestelde hoger beroep.

Verklaart dit arrest bindend voor J.M.S..

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigd arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 december 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Patiënt

  • Bijstandtrekker

  • Medische hulp

  • Spoedeisend karakter

  • Opneming ter observatie

  • Geesteszieken

  • Bescherming

  • Psychiatrische dienst

  • Opneming

  • Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

  • Verplichting

  • Tenlasteneming