- Arrest van 17 december 2012

17/12/2012 - S.11.0099.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bodemrechter beoordeelt het bestaan van een schade in feite maar het Hof gaat na of de feiten die hij heeft vastgesteld de gevolgen rechtvaardigen die hij er in rechte heeft uit afgeleid (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0099.F

1. S. M.,

2. H. A.

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 18 mei 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 30 oktober 2012 een conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1, eerste lid, en 57, § 2, eerste en tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

- artikel 60, eerste en tweede lid van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft vastgesteld dat de eisers, die afkomstig zijn uit Algerije, een asielaanvraag hebben ingediend in België die op 5 februari 2010 werd afgewezen; dat zij vanaf die dag illegaal in België verblijven; dat de eisers op 1 april 2010 financiële hulp hebben gevraagd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Seraing die overeenstemt met het leefloon en kinderbijslag; dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Seraing die hulp geweigerd heeft in twee beslissingen van 20 april 2010 op grond dat de eisers illegaal in België verbleven; dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn evenwel op 15 april 2010 aan de verweerder een aanvraag heeft ingediend voor de huisvesting van de eisers en hun vier minderjarige kinderen en een vijfde kind dat verwacht werd in juni 2010; dat de verweerder op 20 april en 31 mei 2010 heeft laten weten dat hij de aanvraag voor huisvesting niet kon inwilligen omdat zijn opvangcentra verzadigd waren; dat de eisers voor de arbeidsrechtbank te Luik de beslissingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben betwist en de verweerder in het geding hebben betrokken; dat de litigieuze periode gaat van 20 april 2010 tot 11 augustus 2010, namelijk de dag waarop de eisers een toelating hebben gekregen om onbeperkt in België te verblijven en maatschappelijke dienstverlening genieten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.,

en heeft beslist dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Seraing niet kan worden veroordeeld tot het verlenen van maatschappelijke dienstverlening gedurende de litigieuze periode, aangezien krachtens artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de taak van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp en het vaststellen van de staat van behoeftigheid van een vreemdelingen jonger dan 18 jaar die met hun ouders illegaal in het Rijk verblijven; dat maatschappelijke hulp aan de minderjarige kinderen van de eisers kan worden toegekend onder de vorm van huisvesting voor het hele gezin in een opvangcentrum Fedasil waar zij, krachtens artikel 57, § 2, "de materiële hulp moeten krijgen die onontbeerlijk is voor hun ontwikkeling wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft vastgesteld dat hun staat van behoeftigheid ingevolge het feit dat de ouders niet in staat zijn hun onderhoudsplicht na te komen; [dat] zulks hier het geval is omdat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegegeven heeft dat de voorwaarden voor het verlenen van hulp aan de minderjarige kinderen [van de eisers] vervuld zijn aangezien het op 15 april 2010 een aanvraag voor huisvesting bij [de verweerder] heeft menen te moeten indienen ten voordele van de kinderen van de [eisers]; dat [de verweerder] de staat van behoeftigheid niet in twijfel mag trekken, die enkel door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mag worden beoordeeld; dat artikel 60 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen aan de verweerder de taak oplegt materiële hulp te verzekeren aan de minderjarigen die met hun ouders illegaal in het land verblijven en van wie de staat van behoeftigheid werd vastgesteld door het openbaar centrum voor maatschappelijke zekerheid wanneer de ouders niet in staat zijn hun onderhoudsplicht te vervullen; dat bijgevolg enkel [de verweerder] verplicht is om gedurende de litigieuze periode de materiële hulp aan de minderjarige kinderen [van de eisers] die bij hun ouders leven en illegaal verblijven; dat [de verweerder] ten onrechte de vermeende verzadiging van zijn opvangcentra aanvoert om zich aan zijn verplichting te onttrekken van de taak die hem door de wetgever is opgelegd; dat geen enkele overmacht belet dat de verweerder die taak uitvoert; dat [de verweerder] bijgevolg diende te worden veroordeeld om aan de minderjarige kinderen die hun illegaal verblijvende ouders vergezellen de maatschappelijke dienstverlening te verstrekken waarop zij overeenkomstig artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 recht hebben, namelijk huisvesting van de ouders en de minderjarigen in een federaal opvangcentrum; dat de uitvoering in natura, wanneer [de verweerder] zijn verplichtingen niet nakomt zoals de wettekst bepaalt, diende te worden vervangen door een uitvoering bij equivalent, onder de vorm van het ten laste nemen van hetgeen minderjarige kinderen nodig hebben om een leven te lei-den dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid met eerbiediging van de eenheid van het gezin",

en "vervolgens beslist dat het beroep tegen [ de verweerder] gegrond is maar vaststelt dat het zonder voorwerp is; de vordering tot de veroordeling [van de verweerder] tot het betalen van een schadevergoeding niet gegrond is".

Het arrest stoelt die beslissing op de volgende gronden:

"Die hulp bij equivalent had de beginselen moeten overnemen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 juli 2003, aangezien het een hulp in natura is, beperkt tot de eigen noden van het kind, of een tenlasteneming van de kosten ten voordele van derden die een dergelijke hulp verstrekken om elk mogelijk misbruik ten voordele van de ouders uit te sluiten. Thans is het niet meer mogelijk die hulp aan de [eisers] te verstrekken ten laste van [de verweerder], ongeacht of het gaat om hulp onder de vorm van huisvesting voor het hele gezin in een opvangcentrum of om materiële hulp bij equivalent onder de vorm van het ten laste nemen door [de verweerder] van wat noodzakelijk was om de minderjarige kinderen van de [eisers] gedurende de litigieuze periode een leven te laten leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, aangezien het niet mogelijk is terug te gaan in de tijd. Het beroep dat tegen [de verweerder] is ingesteld is hierdoor zonder voorwerp. Zo [de verweerder] al een fout heeft begaan door zijn verplichtingen ten voordele van de kinderen van [de eisers] tijdens de litigieuze periode niet na te komen, is niet aangetoond dat die kinderen door die fout schade hebben geleden en is in het bijzonder niet aangetoond dat een dergelijke schade te herstellen is door het verstrekken van financiële hulp zoals de [eisers] gevraagd hebben".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt: "Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid."

Artikel 57, § 2, eerste en tweede lid van die wet bepaalt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd."

Artikel 60, eerste en tweede lid, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen arbeidsovereenkomsten bepaalt: "Het Agentschap is belast met de toekenning van de materiële hulp aan minderjarigen die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven en van wie de staat van behoeftigheid door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, wanneer de ouders niet in staat zijn om hun onderhoudsplicht na te komen. Deze materiële hulp wordt toegekend binnen de opvangstructuren die door het Agentschap worden beheerd."

Te dezen blijkt uit de vaststellingen en motieven van het arrest dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Seraing vastgesteld heeft dat de minderjarige kinderen van de eisers die illegaal in het Rijk verbleven zich in staat van behoeftigheid bevonden wegens het feit dat de eisers niet in staat waren hun onderhoudsplicht ten opzicht van hen na te komen en dat die kinderen bijgevolg recht hadden om van de verweerder maatschappelijke hulp te krijgen onder de vorm van materiële hulp die onontbeerlijk is voor hun ontwikkeling en die noodzakelijk was om tijdens de litigieuze periode een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het arrest oordeelt echter dat niet is aangetoond dat de minderjarige kinderen van de eisers schade hebben geleden doordat ze die materiële hulp niet hebben ontvangen en verklaart bijgevolg de vordering tot schadevergoeding die de eisers in naam van hun minderjarige kinderen hebben ingesteld, niet gegrond.

Het arrest dat oordeelt dat die materiële hulp onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige kinderen van de eisers en noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, kan niet naar recht beslissen dat die kinderen geen schade leden door die hulp niet te ontvangen. Het arrest miskent aldus het wettelijk begrip 'schade' (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) en schendt ook de artikelen 1, eerste lid, 57, § 2, eerste en tweede lid van de wet van 8 juli 1976 en 60, eerste en tweede lid, van de wet van 12 januari 2007.

Het arrest berust op zijn minst op tegenstrijdige motieven in zoverre het oordeelt dat de door de verweerder aan de minderjarige kinderen van de eiser verschuldigde materiële hulp enerzijds wel en anderzijds niet onontbeerlijk was voor hun ontwikkeling, zodat het niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

Wanneer een verplichting in natura binnen een bepaalde termijn moest worden uitgevoerd en dat niet gebeurd is, moet de schade voortvloeiend uit die wanuitvoering hersteld worden door de betaling van een schadevergoeding. De schade verdwijnt niet door het feit dat de uitvoering in natura niet meer mogelijk is wegens tijdsverloop.

Te dezen, hadden de eisers aangevoerd dat, als het arbeidshof een fout verzuim van de verweerder zou vaststellen omdat hij zijn verplichting niet is nagekomen om de minderjarige kinderen van de eisers, vergezeld door laatstgenoemden, te huisvesten, zij "recht hadden op een schadevergoeding die bij equivalent overeenstemt met de materiële hulp die hen niet werd toegekend en die moet worden geraamd op het bedrag van de maatschappelijke hulp [die hen was] toegekend door de rechtbank (ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn)", "namelijk een maatschappelijke steun die overeenstemt met het leefloon dat wordt toegekend aan de personen met een gezin ten laste, vermeerderd met een steun die overeenstemt met de kinderbijslag voor vijf kinderen, en ook een geboortepremie".

Het arrest erkent dat de verweerder heeft nagelaten zijn taak te vervullen die erin bestaat, de kinderen van de eisers, samen met hun ouders, in een opvangcentrum te huisvesten waar ze de onontbeerlijke materiële hulp moesten krijgen voor hun ontwikkeling, dat de verweerder geen overmacht kon aanvoeren en het bijgevolg zaak was "de uitvoering in natura te vervangen door een uitvoering bij equivalent". Het arrest weigert evenwel de schadevergoeding die de eisers in naam van hun minderjarige kinderen vragen op grond dat de uitvoering bij equivalent had moeten gebeuren van hetzij hulp in natura, hetzij een tenlasteneming van de kosten ten voordele van derden die een dergelijke hulp zouden hebben verstrekt, en dat het niet meer mogelijk is die hulp te verstrekken ten laste van de verweerder, "omdat niet in de tijd kan worden teruggegaan", zodat het beroep dat tegen de verweerder is ingesteld "zonder voorwerp geworden is".

Als het arrest oordeelde dat de schade van de minderjarige kinderen van de eisers die de materiële hulp die noodzakelijk was om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid gedurende de litigieuze periode niet hebben ontvangen, niet kan worden hersteld "door het toekennen van een financiële hulp zoals de [eisers] hebben gevraagd", dan had het het bedrag van de schadevergoeding moeten vaststellen waarop de kinderen van de eisers recht hadden voor het herstel van de schade die ze geleden hadden door het ontberen van die materiële hulp, eventueel na de heropening van het debat over het bedrag van de vergoeding. Het arrest, dat het beroep van de eisers tegen de verweerder zonder voorwerp verklaart en hun vordering tot schadevergoeding niet gegrond, schendt bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en ontslaat de verweerder op onrechtmatige wijze van de verplichtingen die hem zijn opgelegd bij de artikelen 57, § 2, tweede lid, van de wet van 8 juli 1976 en 60, eerste en tweede lid, van de wet van 12 januari 2007 (schending van die twee wetsbepa-lingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

Over het door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel bekritiseert een feitelijke beoordeling van het arbeidshof:

De feitenrechter beoordeelt het bestaan van een schade in feite maar het Hof gaat na of de feiten die hij heeft vastgesteld de gevolgen rechtvaardigen die hij er in rechte heeft uit afgeleid.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Het arrest dat, door de redenen die het weergeeft, vaststelt dat de materiële hulp waarop de kinderen van de eisers recht hadden onontbeerlijk was voor hun ont-wikkeling en noodzakelijk was om hen toe te laten een leven te leiden dat beant-woordt aan de menselijke waardigheid, schendt de artikelen 1382 en 1383 Burger-lijk Wetboek door te beslissen dat niet bewezen was dat de fout van de verweer-der, met name die hulp niet te hebben geboden, hen schade heeft toegebracht.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Tweede onderdeel

Ontvankelijkheid

Over het door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is zonder belang:

Aangezien het eerste onderdeel aangenomen is, verliest de door het tweede onder-deel aangevochten motivering haar overtollig karakter.

Over het door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het onderzoek ervan overschrijdt de bevoegdheid van het Hof doordat het Hof daardoor uitspraak moet doen over het bedrag van de schade:

Het onderzoek van het onderdeel verplicht het Hof niet uitspraak te doen over de schadevergoeding die aan de eisers zou zijn verschuldigd.

De middelen van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Uit het feit dat een schade wegens het tijdsverloop niet meer in natura kan worden hersteld, kan niet worden afgeleid dat die schade niet door een schadevergoeding moest worden hersteld.

Het arrest dat oordeelt "dat het thans niet meer mogelijk is die hulp aan de [eisers] te verstrekken ten laste van [de verweerder], ongeacht of het gaat om hulp onder de vorm van huisvesting voor het hele gezin in een opvangcentrum of om materiële hulp bij equivalent onder de vorm van het ten laste nemen door [de verweerder] van wat noodzakelijk was om de minderjarige kinderen van de [eisers] gedurende de litigieuze periode een leven te laten leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, aangezien het niet mogelijk is terug te gaan in de tijd", terwijl het vaststelt dat de eisers schadevergoeding eisen van de verweerder, schendt de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek door hun beroep zonder voorwerp en hun vordering tot schadevergoeding niet gegrond te verklaren.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het beroep van de eisers tegen de verweerder.

Beveelt dat melding van dit arrest wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de kosten gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerech-telijk Wetboek.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 december 2012 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Aansprakelijkheid buiten overeenkomst

  • Schade

  • Onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de bodemrechter

  • Wettelijkheid

  • Toezicht van het Hof