- Arrest van 18 december 2012

18/12/2012 - P.12.0163.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de samenlezing van de artikelen 16, eerste lid, 24 en 25 Faillissementswet in hun onderlinge samenhang volgt dat, tenzij de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaat, de gedwongen verkoop van vóór het vonnis van faillietverklaring in beslag genomen goederen verder kan worden gezet voor rekening van de boedel, met inbegrip van het opladen voor verkoop van de in beslag genomen goederen, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen goederen reeds vóór dat vonnis was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0163.N

1. L A,

beklaagde,

2. E A J D V,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Willy Dierickx, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 december 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiseres 1 en eerste middel van de eiser 2

1. Het middel van de beide eisers voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de mogelijkheid tot toegang tot een raadsman gelijkgesteld wordt met het recht op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor en dat de verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat toelaatbaar zijn; het middel van de eiseres 1 voert eveneens aan dat zij tijdens haar verhoor wel de-gelijk zelf-incriminerende of belastende verklaringen heeft afgelegd en het arrest neemt deze in aanmerking.

2. Het arrest oordeelt onaantastbaar in feite dat de eisers tijdens hun verhoor geen zelf-incriminerend en -belastende verklaringen hebben afgelegd.

In zoverre het middel van de eiseres 1 opkomt tegen dat oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

3. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de verdachte zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel ge-schaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zon-der mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

4. Het arrest (achtste en negende blad) oordeelt dat:

- de eisers zich vrijwillig hebben aangeboden bij de politie voor verhoor;

- de eisers op geen enkel ogenblik van hun vrijheid werden beroofd en steeds be-schikten over de vrijheid van komen en gaan;

- niets de eisers belette voorafgaandelijk aan hun verhoor een raadsman te raad-plegen;

- zo zij dit wensten, de eisers zich tijdens het verhoor konden verwijderen om een advocaat te raadplegen teneinde een strategie van verdediging, ook met be-trekking tot het voorgenomen of aan gang zijnde verhoor, uit te werken;

- geen van beide eisers zichzelf in de afgelegde verklaringen heeft geïncrimi-neerd of belast.

5. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat de eisers tijdens het voor-onderzoek steeds toegang tot een advocaat hebben gehad zodat hun recht van ver-dediging in dit strafproces, dat in zijn geheel moet worden beschouwd, niet is miskend en er geen reden is om eender welk stuk als bewijsmiddel ontoelaatbaar te verklaren of uit te sluiten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiseres 1 en tweede middel van de eiser 2

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 16, 24 en 25 Faillissementswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het de ge-rechtsdeurwaarder toegelaten was de gedwongen verkoop te laten doorgaan en dat diens vaststellingen op 8 mei 2008 in het kader van de oplading rechtsgeldig zijn gebeurd; nochtans had de bvba Smac die op die datum failliet verklaard was, het beheer over haar goederen verloren, konden er tegen haar geen uitvoeringsdaden meer worden verricht en kon elk beslag op verzoek van de gewone schuldeisers geen uitwerking meer hebben; zoals blijkt uit het proces-verbaal van oplading van 8 mei 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder op die datum verder uitgevoerd tegen de bvba Smac.

7. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het arrest de motiverings-plicht miskent.

In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, is het on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

8. Artikel 16, eerste lid, Faillissementswet bepaalt: "Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen."

Artikel 24 Faillissementswet bepaalt: "Na hetzelfde vonnis, kan een roerende of onroerende rechtsvordering of een middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen niet voortgezet, ingesteld of aangewend worden dan tegen de curators.

De rechtbank kan de gefailleerde niettemin als tussenkomende partij toelaten. De beslissingen die worden gewezen omtrent de rechtsvorderingen voortgezet of in-gesteld tegen de gefailleerde persoonlijk, kunnen niet aan de boedel worden te-gengeworpen."

Artikel 25 Faillissementswet bepaalt: "Het vonnis van faillietverklaring doet elk beslag gelegd ten verzoeke van de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers ophouden.

Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds voor dat vonnis was bepaald en door aanplakking be-kendgemaakt, geschiedt die verkoop voor rekening van de boedel.

Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaan."

9. Uit deze bepalingen in hun onderlinge samenhang volgt dat, tenzij de rech-ter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toe-staat, de gedwongen verkoop van vóór het vonnis van faillietverklaring in beslag genomen goederen verder kan worden gezet voor rekening van de boedel, met in-begrip van het opladen voor verkoop van de in beslag genomen goederen, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen goederen vóór dat vonnis was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt.

10. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 507, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de feiten van de telastlegging A; het kan uit de vaststelling dat de gerechtsdeurwaarder verklaart dat er bepaalde goederen weggemaakt waren, niet wettig afleiden dat de eisers de daders van dit misdrijf zijn; het leidt de schuld van de eisers ten onrechte af uit de afwezigheid van een andere mogelijke aanwijsbare dader en motiveert de beslissing niet wettelijk.

12. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het arrest de motiverings-plicht miskent.

In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, is het on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

13. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel aangehaald, maar ook (twaalfde blad) dat:

- waar de wegmaking duidelijk in het belang van de bvba Smac was, geredelijk moet worden aangenomen dat het de beide eisers zijn die de goederen waarvan gewag in de telastlegging A met het vereiste bedrieglijk opzet hebben wegge-maakt;

- de eisers de enige bestuurders van de bvba Smac waren;

- op het ogenblik van de faillietverklaring er nog slechts één personeelslid in dienst was en geen enkel gegeven toelaat aan te nemen dat dit lid enig belang of enige reden zou hebben gehad om de beslagen goederen weg te maken;

- er het onbetwistbare feit is dat de barkrukken en de twee laptops uiteindelijk in de woning van de beide eisers werden aangetroffen.

In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest geeft niet aan waarin bij de eisers het bedrieglijk en opzettelijk karakter van de wegneming bestaat; de laptops werden dagelijks mee naar huis genomen om 's avonds verder te werken.

15. Het arrest (twaalfde blad) oordeelt dat de wegmaking werd gepleegd teneinde de vennootschap heimelijk toe te laten er verder over te blijven beschikken. Aldus geeft het arrest het bedrieglijk en opzettelijk karakter aan van de wegmaking van de in beslag genomen goederen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiseres 1 en vierde middel van de eiser 2

16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 189bis, 4°, (lees: 489bis, 4°,) Strafwetboek en de artikelen 2 en 9 Faillissementswet.

Eerste onderdeel

17. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het passief in een periode van ongeveer acht jaar werd opgebouwd en de staking van betaling vaststelt op 31 december 2006; dit blijkt niet uit de vaststellingen in het proces-verbaal van 30 juli 2008.

18. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of en wanneer de koopman heeft opgehouden te betalen en zijn krediet geschokt is.

19. Het onderdeel voert formeel schending van de voormelde bepalingen aan, maar komt in werkelijkheid volledig op tegen dat oordeel of verplicht tot een on-derzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

20. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet vaststelt dat het krediet van de bvba Smac wankelde of geschokt was op 31 december 2006.

21. Het arrest (dertiende en veertiende blad) oordeelt: "Blijkens het proces-verbaal d.d. 19.6.2008 van nazicht der schuldvorderingen bedroeg het totaal be-drag van de aanvaarde schuldvorderingen 205.571,20 EUR, en het totaal bedrag van de aangehouden schuldvorderingen 371.043,60 EUR, hetzij een totaal passief van 576.614,80 EUR." en "In het PV GE.LA.061265/08 van 30.07.2008 (...) wordt op gedetailleerde en onderbouwde wijze vastgesteld dat het voormeld passief in de loop van een periode van ongeveer acht jaar werd opgebouwd en dat de datum van het virtueel faillissement geredelijk moet bepaald worden op 31.12.2006."

22. Met die reden stelt het arrest vast dat de voorwaarden van het faillissement, daarin begrepen het geschokte krediet, op 31 december 2006 verenigd waren.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

23. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet vaststelt dat alle voorwaarden van de staat van faillissement op 31 december 2006 verenigd waren; aangezien de bvba Smac op 31 december 2006 niet duurzaam had opgehouden te betalen en haar handelskrediet niet geschokt was, verkeerde ze niet in staat van faillissement en diende de eiseres geen aangifte te doen de maand te rekenen vanaf 31 decem-ber 2006.

24. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel, stelt het arrest vast dat de voorwaarden van het faillissement op 31 december 2006 verenigd waren.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

25. Voor het overige voert het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen die onaantastbare vaststelling door het arrest.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

26. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eisers schuldig zijn daar ze nagelaten hebben binnen de wettelijke termijn aangifte te doen van de staat van faillissement; het vermeldt niet waarin het wettelijk vereiste oogmerk om de staat van faillissement uit te stellen zou bestaan; het vermeldt evenmin de feiten en omstandigheden waaruit het een handelen met opzet afleidt.

27. Het arrest (veertiende blad) oordeelt dat de eisers hebben nagelaten binnen de wettelijke termijn aangifte te doen van de staat van faillissement, dit met het oogmerk om de nochtans onvermijdelijke faillietverklaring uit te stellen.

28. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, hoeft het arrest niet nader te motiveren dat de eisers gehandeld hebben om de onvermijdbare faillissements-verklaring uit te stellen en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel van de eiser 2

29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 489bis, 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser feitelijk bestuurder was van de bvba Smac; het arrest kan dit niet afleiden uit het feit dat eisers elkaars partner zijn, terwijl de verklaringen van de curator niet gesteund zijn op enig con-creet voorbeeld.

30. Het arrest (dertiende blad) oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt. Het oordeelt ook dat de eiser eveneens aanwezig was bij de inventaris en de cura-tor mee te woord stond, dat beide eisers de boeken hebben neergelegd en dat uit de verklaring van de eiseres geredelijk kan worden afgeleid dat de eiser wel de-gelijk participeerde in het bestuur van de bvba Smac. Het arrest stelt ook vast dat gelet op het herhaaldelijk gebruik van de eerste persoon meervoud in de verschil-lende met het arrest geciteerde passages, die betrekking hebben op het bestuur van de vennootschap, er geen twijfel over laat bestaan dat de bvba Smac in realiteit door de beide beklaagden werd bestuurd. Het arrest stelt verder vast dat de eiseres verklaarde dat een kasprobleem werd opgelost via de vervroegde afkoop van hun levensverzekeringen en verder dat de beide eisers het kapitaal in de vennootschap hebben gestoken, dat na het handelsonderzoek in april 2007, zij de goedkeuring hebben gekregen om de zaak verder te runnen, dat zij met verschillende schuldeisers een afbetalingsplan hadden, dewelke zij correct naleefden, tot zij een proces tegen Carrefour verloren hebben, zij het nadien niet meer zagen zitten en het afbetalingsplan niet meer konden naleven.

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

31. Voor het overige voert het middel formeel een motiveringsgebrek aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 95,54 euro.

F. Adriaensen

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beslag

  • Gedwongen tenuitvoerlegging

  • Vóór het vonnis van faillietverklaring in beslag genomen goederen

  • Gedwongen verkoop

  • Verderzetting voor rekening van de boedel