- Arrest van 18 december 2012

18/12/2012 - P.12.1585.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de inverdenkinggestelde bij een door hem niet bestreden beslissing van het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht is verwezen, maakt de tegen hem ingestelde strafvordering het voorwerp niet meer uit van het gerechtelijk onderzoek en heeft de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer om overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van hem de regelmatigheid van de procedure te onderzoeken, zodat de door de kamer van inbeschuldigingstelling ten aanzien van een mede-inverdenkinggestelde met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering genomen beslissing niet bindend is voor de inverdenkinggestelde die geen partij is in die procedure en hem bijgevolg niet kan grieven.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1585.N

MYRSENE nv, met zetel te 8800 Roeselare, Zijstraat 21 bus 15,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, E. Pecherstraat 47 GLV, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de minister van Economie, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 oktober 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Op 23 juni 2009 vordert de procureur des Konings voor de raadkamer de verwij-zing van de eiseres naar de correctionele rechtbank, samen met veertien anderen.

Voor de raadkamer legt de eiseres, die is vertegenwoordigd door haar raadsman, geen conclusie neer.

De raadkamer verwerpt de in een conclusie geformuleerde vordering van een me-de-inverdenkinggestelde tot nietigverklaring en verwijdering van bepaalde dos-sierstukken wegens schending van het beroepsgeheim en verwijst bij beschikking van 19 januari 2011 alle inverdenkinggestelden naar de correctionele rechtbank.

Op het hoger beroep van deze mede-inverdenkinggestelde en na oproeping van de burgerlijke partij en deze mede-inverdenkinggestelde oordeelt de kamer van inbe-schuldigingstelling bij arrest van 31 oktober 2011 dat het hoger beroep van de mede-inverdenkinggestelde ontvankelijk is in de mate dat het de bewijsuitsluiting van stukken beoogde, maar ongegrond en voor het overige niet ontvankelijk.

Het is tegen dat arrest dat het cassatieberoep van de eiseres is gericht.

III. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiseres voert aan dat het met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering gewezen arrest uitspraak heeft gedaan in een aangelegenheid die rechtstreeks belang had voor de beoordeling van de tegen haar gerichte strafvordering, terwijl zij bij die procedure niet werd betrokken, alhoewel dit nochtans vereist was.

2. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep vereist een antwoord op het door de eiseres aangevoerde middel, dat nauw verband houdt met die ontvankelijkheid.

Middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest beoordeelt overeen-komstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de vordering van een mede-inverdenkinggestelde, zonder dat de eiseres werd opgeroepen en behoorlijk ge-hoord; aan de eiseres had de mogelijkheid moeten worden geboden om tegen-spraak te voeren over deze vordering, te meer volgens artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering de eiseres voor de feitenrechter daarover geen verweer meer kan voeren.

4. Wanneer de inverdenkinggestelde bij een door hem niet bestreden beslissing van het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht is verwezen, maakt de tegen hem ingestelde strafvordering het voorwerp niet meer uit van het gerechtelijk on-derzoek en heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, behalve in hier niet toe-passelijke gevallen, geen rechtsmacht meer om overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van hem de regelmatigheid van de pro-cedure te onderzoeken.

5. De door de kamer van inbeschuldigingstelling ten aanzien van een mede-inverdenkinggestelde met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvorde-ring genomen beslissing is niet bindend voor de inverdenkinggestelde die geen partij is in die procedure en kan hem bijgevolg niet grieven.

6. Uit artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering volgt niet dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling op het hoger beroep van een inverdenking-gestelde en bij toepassing van artikel 235bis heeft beslist dat er van een onregel-matigheid, verzuim of nietigheid geen sprake is, een andere niet in de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling betrokken mede-inverdenkinggestelde deze onregelmatigheid, verzuim of nietigheid niet meer zou mogen opwerpen voor de feitenrechter.

7. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging zijn afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

9. Uit het antwoord op het middel volgt dat het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 138,82 euro.

F. Adriaensen

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 18 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Verwijzing van inverdenkinggestelden naar het vonnisgerecht

  • Hoger beroep van een inverdenkinggestelde

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering

  • Rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling ten aanzien van de definitief verwezen inverdenkinggestelde