- Arrest van 19 december 2012

19/12/2012 - P.12.1931.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Hof van Cassatie slaat geen acht op een afstand van cassatieberoep die de eiser doet afhangen van het geval waarin uit de beoordeling van zijn middelen zou blijken dat de strafuitvoeringsrechtbank zich in zijn voordeel heeft vergist bij de berekening van de duur van het alsnog uitvoerbaar gedeelte van de straffen na herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (1). (1) Zie Cass. 21 maart 2001, AR P.00.1705.F, AC 2001, nr. 151; Raoul Declercq, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, 2006, nr. 504.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1931.F

P. J.,

Mr. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Luik van 15 november 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep ingeval uit de beoordeling van zijn middelen zou blijken dat de strafuitvoeringsrechtbank zich in zijn voordeel heeft vergist bij de berekening van de duur van het alsnog uitvoerbaar gedeelte van de straffen.

Het Hof slaat geen acht op een afstand die de eiser doet afhangen van de voorde-len die hij van zijn cassatieberoep verwacht.

Eerste middel

Het vonnis wordt verweten dat het niet antwoordt op de conclusie van de eiser, wiens voorwaardelijke invrijheidstelling het herroept, en dat het artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering schendt.

De voormelde wettelijke bepaling schrijft de strafuitvoeringsrechtbank voor om, wanneer het een voorwaardelijke invrijheidstelling herroept, het gedeelte te bepa-len van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moet uitzitten. Daartoe moet de rechtbank rekening houden met met de periode van de proeftijd die goed is verlo-pen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.

Het voormelde artikel 68, § 5, tweede lid, vereist niet dat de rechtbank uitdrukke-lijk melding maakt van het aantal dagen van de vrijheidsstraf die de veroordeelde op het ogenblik van toekenning van de maatregel nog moet ondergaan en evenmin van het aantal dagen dat daarvan moet worden afgetrokken op grond van de in dat artikel bepaalde criteria.

De wet bepaalt niet dat het tijdvak waarbinnen de veroordeelde in voor-waardelijke vrijheid was, tot op de dag juist wordt afgetrokken, maar laat de mate van de bij wet opgelegde aftrek aan de beoordeling van de rechtbank over.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Onder het voorwendsel van een motiveringsgebrek oefent de eiser kritiek uit op de feitelijke beoordeling, door de strafuitvoeringsrechtbank, van het aantal dagen van het alsnog uitvoerbaar gedeelte van de straf.

Het middel is wat dat betreft, niet ontvankelijk.

Tweede middel

Het vonnis wijst erop dat de eiser bij arrest van het hof van beroep te Luik van 2 mei 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf, wegens de tijdens de proeftijd, namelijk tussen 1 januari 2009 en 28 oktober 2010, gepleegde feiten van invoer, vervoer, bezit, te koop aanbieden en aankoop van cannabis, met de omstandigheid dat het misdrijf neerkomt op daden van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging.

De eiser voert aan dat de appelrechters hem slechts tot één enkele straf hebben veroordeeld wegens de hem ten laste gelegde misdrijven, aangezien die feiten een collectief misdrijf door eenheid van opzet uitmaken. Hij leidt daaruit af dat het enige misdrijf alleen maar geacht wordt te bestaan op de laatste dag van het tijd-vak waarbinnen het misdrijf is gepleegd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zijn proeftijd tot op die laatste dag goed is verlopen en dat het aantal dagen dat van de nog uit te zitten straffen moet worden afgetrokken evenredig moet worden verhoogd.

Het arrest van 2 mei 2012, waarnaar het vonnis en de memorie verwijzen, legt de eiser immers slechts één enkele straf op wegens drughandel en lidmaatschap van een vereniging van boosdoeners. Dat arrest vermeldt evenwel ook, in de om-schrijving die de appelrechters aan de feiten hebben gegeven, dat de feiten her-haaldelijk werden gepleegd en dat de op te leggen straf rekening houdt met de duur van het tijdvak waarbinnen het misdrijf is gepleegd.

Artikel 65, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat in geval van veroordeling wegens tijdens de proeftijd gepleegde feiten, de herroeping wordt geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd. Die bepaling houdt in dat de dag die in aanmerking moet worden genomen, de dag is waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd, zodat de herroeping ook wordt uitge-sproken indien de veroordeling voor feiten die tijdens de proeftijd zijn gepleegd, pas na het verstrijken van die proeftijd wordt uitgesproken.

De strafuitvoeringsrechtbank beslist bijgevolg naar recht dat de proeftijd die aan de voorwaardelijk vrijgelaten persoon was opgelegd, opgehouden is goed te ver-lopen vanaf het begin van de criminele activiteit waarvoor hij is veroordeeld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 19 december 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

  • Vaststelling van de nog uit te zitten straf

  • Cassatieberoep

  • Afstand

  • Voorwaarde

  • Gevolg