- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - F.12.0074.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Hof houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag zal hebben beantwoord of artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat oplegt dat het cassatieverzoekschrift van een belastingplichtige tegen een inzake directe belastingen gewezen arrest ingesteld moet worden via een door een advocaat ondertekend verzoekschrift maar het recht van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen onverkort laat om zelf een dergelijk verzoekschrift te ondertekenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ***.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0074.F

LES STUDIOS AMÉRICAINS nv,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen arrest van het hof van beroep te Brussel AR nr. 2008/AR/2595 van 1 februari 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 26 november 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Over het door de verweerder tegen het cassatieberoep aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is niet ondertekend door een advocaat

Luidens artikel 378 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, zoals het werd gewijzigd bij de artikelen 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en 379 van de programmawet van 27 december 2004, mogen het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.

Die bepaling, die afwijkt van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre laatstgenoemd artikel bepaalt dat het verzoekschrift zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, en die trouwens het recht onverkort laat van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen om zelf een cassatieverzoekschrift te ondertekenen, legt op dat het verzoekschrift waarbij een belastingplichtige een inzake directe belastingen gewezen arrest aan het toezicht van het Hof onderwerpt, door een advocaat moet zijn ondertekend.

Het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep wordt ingesteld, is niet door een ad-vocaat ondertekend.

De eiseres voert aan dat de wet, door de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de belastingplichtige te onderwerpen aan een voorwaarde die niet voor de administratie geldt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet dat hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uit-spraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet van die grondwettelijke bepalingen.

Krachtens artikel 26, § 2, van die bijzondere wet dient het Hof de in het dictum van dit arrest vermelde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord:

Schendt artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat oplegt dat het cassatieverzoekschrift van een belastingplichtige tegen een inzake directe belastingen gewezen arrest ingesteld moet worden via een door een advocaat ondertekend verzoekschrift, maar het recht van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen onverkort laat om zelf een dergelijk verzoekschrift te ondertekenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare te-rechtzitting van 20 december 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verzoekschrift niet door een advocaat ondertekend

  • Ontvankelijkheid

  • Schending van de artikelen 10 et 11 van de Grondwet

  • Prejudiciële vraag