- Arrest van 21 december 2012

21/12/2012 - F.11.0067.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De aftrek van BTW op grond van het bestemmingsbeginsel is enkel mogelijk voor zover de belastingplichtige de door hem ontvangen goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen en dat, indien hij een gebouw opricht en bij een latere verkoop de naakte eigendom voor zichzelf voorbehoudt, hij slechts recht op aftrek heeft voor het gedeelte van de btw, dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0067.N

E.V.T.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de directie Belasting op de Toegevoegde Waarde, met kantoor te 2800 Me-chelen, Zwartzustersvest 24/21-23,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 maart 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 24 juli 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 17.1 en 2, a), b) en c), Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna Zesde btw-richtlijn) bepaalt:

"Ontstaan en omvang van het recht op aftrek

1. Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.

2. Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:

a) de belasting over de toegevoegde waarde, welke in het binnenland is verschuldigd of voldaan voor de door een andere belastingplichtige aan hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten;

b) de belasting over de toegevoegde waarde welke verschuldigd of voldaan is voor in het binnenland ingevoerde goederen;

c) de belasting over de toegevoegde waarde welke overeenkomstig artikel 5, lid 7, onder a) , en artikel 6, lid 3, verschuldigd is".

Artikel 17.5, eerste lid, van dezelfde richtlijn bepaalt:

"Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor handelingen als bedoeld in de leden 2 en 3, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde, dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (pro rata)."

2. Uit deze bepalingen volgt dat de aftrek van btw op grond van het bestem-mingsbeginsel enkel mogelijk is voor zover de belastingplichtige de door hem ontvangen goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste hande-lingen en dat, indien hij een gebouw opricht en bij een latere verkoop de naakte eigendom voor zichzelf voorbehoudt, hij slechts recht op aftrek heeft voor het ge-deelte van de btw, dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat.

3. Artikel 45, § 1, Btw-wetboek bepaalt:

"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1. belaste handelingen;

2. handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3. handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4. handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5. diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."

Volgens artikel 4 KB nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het be-paalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje of b, tweede streepje, Btw-wetboek kan de toevallige belastingplichtige, die een gebouw vervreemdt of die een zakelijk recht vestigt onder de in artikel 8, § 2, of artikel 44, § 3, 1°, b, tweede streepje, Btw-wetboek gestelde voorwaarden, van de ter zake van die han-deling verschuldigde belasting in aftrek brengen de belasting geheven van de han-delingen die strekken of bijdragen, naargelang van het geval, tot de oprichting of de verkrijging van het gebouw dat wordt vervreemd of waarop het zakelijk recht wordt gevestigd, evenals de belasting geheven van de handelingen die recht-streeks tot doel hebben het gebouw te vervreemden of het met het zakelijk recht te bezwaren.

4. Uit deze bepalingen volgt dat de toevallige belastingplichtige die een zake-lijk recht op een nieuw opgericht gebouw vestigt in de regel de belasting over de toegevoegde waarde die hij voor de oprichting of de aankoop van het gebouw be-taald heeft, in aftrek kan brengen. Indien de verkoopprijs niet overeenstemt met de oprichtings- of aankoopprijs van het goed omwille van het feit dat slechts het vruchtgebruik van het onroerend goed wordt verkocht, dan is de aftrek van de be-taalde belasting over de toegevoegde waarde beperkt volgens de verhouding van de prijs van het vruchtgebruik tot de aankoop- of de oprichtingsprijs van het ge-bouw in volle eigendom.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- het vruchtgebruik van het onroerend goed bij notariële akte van 5 april 2005 voor een periode van 20 jaar werd verkocht aan de bvba Hewa, mits de prijs van 260.000 euro, hetzij 194.147 euro voor de constructies en 65.583 euro voor de grond;

- de verkoop op grond van artikel 8, § 2, Btw-wetboek gebeurde als "toevallige oprichter" met toepassing van btw;

- niet wordt betwist dat de oprichtingsprijs van het gebouw 300.593,45 euro be-draagt en dat de op de oprichting betaalde btw 63.124,62 euro bedraagt;

- de verschuldigde btw op de verkoopprijs van het vruchtgebruik 40.770,87 euro bedraagt;

- de verweerder weigert tot terugbetaling over te gaan van een bedrag van 22.353,75 euro, zijnde het verschil tussen 63.124,62 euro (betaalde btw op de oprichting) en 40.770,87 euro (ontvangen btw bij de verkoop van het vruchtge-bruik);

- de verweerder het recht op aftrek heeft beperkt volgens de verhouding oprich-tingsprijs/verkoopprijs aangezien het opgerichte goed niet integraal bestemd was voor handelingen waarvoor het recht op aftrek geldt, met name de naakte eigendom die geen voorwerp uitmaakt van de overdracht en voorbehouden blijft aan de eiser.

6. De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat de ver-weerder ingevolge de kenmerken eigen aan de aard van de handeling, namelijk een overdracht van vruchtgebruik voor een beperkte periode van 20 jaar, het recht op aftrek terecht heeft beperkt, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 150,27 euro en voor de verweerder op 84,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 21 december 2012 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche F. Van Volsem G. Jocqué

K. Mestdagh E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Recht op aftrek

  • Bestemmingsbeginsel