- Arrest van 21 december 2012

21/12/2012 - F.12.0006.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de gerechtsdeurwaarder het verzoekschrift houdende het cassatieberoep en de betekeningsexploten heeft neergelegd op een verkeerde griffie, kan de hem toerekenbare fout niet als een geval van overmacht worden beschouwd waardoor het cassatieberoep geacht zou moeten worden tijdig en regelmatig te zijn neergelegd.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0006.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brussel II, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/340,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

EGBEHEER bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2301 EB Lei-den (Nederland), Gerbrandijlaan 33, die woonplaats heeft gekozen bij advocaat Hubert Dubois, met kantoor te 2610 Antwerpen, Berkenlaan 45,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 oktober 2011.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het openbaar ministerie werpt ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid op: het verzoekschrift en de exploten van de betekening ervan aan de verweerster werden neergelegd ter griffie van het Hof in plaats van op de griffie van het hof van beroep.

Van dit middel werd kennis gegeven aan de partijen overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek.

2. De voorziening van de verweerster tegen de beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brussel van 16 mei 1994 waarover het arrest beslist, werd bij het hof van beroep ingeleid op 22 juni 1994.

3. Uit de samenhang tussen artikel 97, negende lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken volgt dat inzake inkomstenbelastingen, de cassatieberoepen tegen beslissingen gewezen op voorzieningen ingeleid voor het hof van beroep vóór 1 maart 1999, nog volledig beheerst worden door de artikelen 386 tot 391 WIB92, zoals ze be-stonden voor hun opheffing bij artikel 34 van de voormelde wet van 15 maart 1999.

4. Artikel 388, tweede lid, (oud) WIB92 bepaalt dat het verzoekschrift dat vooraf aan de verweerder werd betekend en het exploot van betekening, op straffe van verval ter griffie van het hof van beroep worden afgegeven.

5. De eiser heeft het verzoekschrift dat vooraf aan de verweerster werd bete-kend en de exploten van betekening, neergelegd ter griffie van het Hof.

6. De eiser voert in antwoord op het opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid aan dat hij de gerechtsdeurwaarder die het verzoekschrift samen met de betekeningsexploten heeft neergelegd, uitdrukkelijk heeft verzocht deze neer te leggen op de griffie van het hof van beroep te Brussel en dat de nalatigheid van de gerechtsdeurwaarder als een geval van overmacht moet worden beschouwd, waardoor het cassatieberoep geacht moet worden tijdig en regelmatig te zijn neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel.

7. De fouten of nalatigheden van de lasthebber verbinden de lastgever wanneer zij binnen de perken van de lastgeving zijn begaan en kunnen op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht opleveren.

8. De omstandigheid dat de lasthebber hier een gerechtsdeurwaarder is, heeft geen invloed op de toepassing van deze regel aangezien de hem toerekenbare fout niet werd begaan in het kader van het monopolie dat artikel 516, eerste lid, Ge-rechtelijk Wetboek aan deze ministeriële ambtenaar toekent, maar in de uitvoering van een handeling die hij overeenkomstig artikel 516, derde lid, Gerechtelijk Wetboek op verzoek van de advocaten van de partijen kan verrichten.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 505,63 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 21 december 2012 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche F. Van Volsem G. Jocqué

K. Mestdagh E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Gerechtsdeurwaarder

  • Fout

  • Neerlegging op de verkeerde griffie