- Arrest van 2 januari 2013

02/01/2013 - P.12.2003.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er is geen algemeen rechtsbeginsel van proportionaliteit van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.2003.N

A V,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 28 november 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 95/5 Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de in dat artikel bepaalde termijn van twee maan-den niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en dat de wet op de niet-naleving ervan geen sanctie voorziet; deze termijn is echter een vervaltermijn, zo-dat de strafuitvoeringsrechtbank, die de zaak pas heeft behandeld op de zitting van 15 november 2012, zich niet meer kon uitspreken over de vrijheidsbeneming of de invrijheidstelling onder toezicht van de eiser, wiens effectieve hoofdstraf verstrijkt op 9 januari 2013.

2. Op grond van artikel 95/5, § 1, Wet Strafuitvoering moet de zitting waarop de zaak wordt behandeld plaatsvinden uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de effectieve hoofdstraf.

3. Deze termijn is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en is evenmin een vervaltermijn. Het niet naleven van die termijn belet de strafuitvoeringsrecht-bank niet zich uit te spreken over de vrijheidsbeneming of de invrijheidstelling onder toezicht van de terbeschikkinggestelde veroordeelde.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 10.3 IVBPR: de strafuitvoe-ringsrechtbank leidt ten onrechte geen schending van deze bepaling af uit de om-standigheid dat de eiser gedurende de twaalf laatste jaren van zijn detentie nooit een uitgaansfaciliteit heeft genoten en in die tijd dus geen reclassering heeft kun-nen uitwerken, hoewel in vroegere vonnissen werd gesteld dat de eiser stapsgewijs een reclassering moest uitwerken via uitgaansfaciliteiten.

5. In zoverre het middel een vergelijking vereist tussen de gegevens van het bestreden vonnis en die aangehaald door vroegere vonnissen van de strafuitvoe-ringsrechtbank, vergt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

6. In zoverre het middel gericht is tegen eisers gebrek aan reclasseringsmoge-lijkheden, is het niet gericht tegen het vonnis en is het evenmin ontvankelijk.

7. Voor het overige oordeelt het vonnis met de redenen vermeld in zijn rechts-overweging 2 wettig dat de strafuitvoeringsrechtbank zich in het kader van de hangende procedure niet uit te spreken heeft over een eventuele schending van ar-tikel 10.3 IVBPR met betrekking tot de nog lopende hoofdgevangenisstraffen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: de strafuitvoeringsrechtbank geeft blijk van partijdigheid doordat zij sinds haar vonnis van 23 november 2010 meermaals in identieke bewoordingen melding heeft gemaakt van eisers terbeschikkingstelling van de strafuitvoerings-rechtbank in 2013 en van het deblokkeren van zijn dossier, maar er nooit effectief gevolg aan heeft gegeven.

9. De artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR zijn niet van toepassing op de straf-uitvoeringsrechtbank. Deze rechtbank doet immers geen uitspraak over de ge-grondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het middel naar recht.

10. Voor het overige valt uit de in het middel vermelde omstandigheden niet af te leiden dat de strafuitvoeringsrechtbank reeds vóór de behandeling van de zaak een oordeel had zodat zij niet meer de vereiste schijn van onpartijdigheid bezat.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsmede miskenning van het proportionaliteitsbeginsel: de strafuitvoeringsrechtbank antwoordt niet op eisers middel dat zijn terbeschikkingstelling voor een termijn van 25 jaar, na het ondergaan van een lange gevangenisstraf en na een laattijdige beslissing, een schending van artikel 3 EVRM uitmaakt; door de omstandigheden dat de eiser ge-durende de laatste 12 jaar onafgebroken in de gevangenis heeft verbleven en er lange tijd is verlopen tussen de beslissingen tot terbeschikkingstelling en de uit-voering ervan, is ook het proportionaliteitsbeginsel miskend.

12. Met de redenen vermeld in zijn rechtsoverweging 3, beantwoordt het vonnis het vermelde verweer van de eiser.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

13. Er is geen algemeen rechtsbeginsel van proportionaliteit van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank.

14. Het staat aan de rechter aan wie de wet de mogelijkheid verleent om de bij-komende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank op te leggen, te waken over de naleving van artikel 3 EVRM. De strafuitvoerings-rechtbank die op grond van de door haar onaantastbaar vastgestelde feiten en con-form de in de Wet Strafuitvoering bepaalde criteria, enkel beslist tot de vrijheids-beneming van de terbeschikkingestelde veroordeelde, schendt die bepaling niet.

15. Buiten de ontheffing bedoeld in artikel 95/29 Wet Strafuitvoering, heeft de strafuitvoeringsrechtbank evenmin rechtsmacht om de termijn van de terbeschik-kingstelling te verminderen.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoor-zitter Frédéric Close, en de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Er-win Francis, en op de openbare rechtszitting van 2 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Cornelis

B. Dejemeppe F. Close J. de Codt

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Algemeen rechtsbeginsel van proportionaliteit

  • Toepasselijkheid