- Arrest van 2 januari 2013

02/01/2013 - P.12.2052.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 5.4. EVRM is niet van toepassing op de eiser die niet meer is aangehouden, maar die enkel de opheffing van opgelegde voorwaarden vraagt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.2052.N

P G,

verdachte,

eiser,

met als raadsman mr. Vincent Vereecke, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 18 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.4, 6.1 en 6.3.b EVRM en de artikelen 30, 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het recht op tegenspraak en wapengelijkheid als onderdeel van het algemeen rechts-beginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging niet is miskend doordat hij in het kader van de procedure tot opheffing van de opgelegde voorwaarden geen inzage in het strafdossier heeft gekregen, terwijl de nieuwe stukken sinds zijn invrijheidstelling wel ter beschik-king waren van de appelrechters en het openbaar ministerie (eerste onderdeel); het arrest oordeelt ten onrechte dat aan de verdachte die voor de kamer van inbeschul-digingstelling verschijnt in toepassing van de artikelen 36 en 37 Voorlopige Hech-teniswet, geen inzage in het strafdossier kan verleend worden, terwijl de eiser die inzage had gevraagd om verweer te kunnen voeren op basis van de actuele gege-vens van het strafdossier (tweede onderdeel).

2. Artikel 5.4 EVRM is niet van toepassing op de eiser die niet meer is aange-houden, maar die enkel de opheffing van opgelegde voorwaarden vraagt.

Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

3. Krachtens artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering is, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het gerechtelijk onderzoek geheim. Dat geheim kan rechtvaardigen dat uitspraak wordt gedaan over het verzoek van een in vrijheid gestelde verdachte tot opheffing van opgelegde voorwaarden op grond van artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zonder dat hij inzage heeft gekregen in het volledige strafdossier. Het door de eiser ingeroepen recht van verdediging kan aan die regel geen afbreuk doen.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. Het geheim van het onderzoek heeft eveneens tot gevolg dat in de regel slechts toelating tot inzage in het strafdossier kan worden verleend wanneer de wet dat uitdrukkelijk voorziet.

De artikelen 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet voorzien niet in het recht op inza-ge van het strafdossier door de hiervoor bedoelde verdachte, zodat de eiser in het kader van de vermelde procedure geen recht tot inzage had en de appelrechters hem ook geen toelating tot inzage konden verlenen.

De kamer van inbeschuldigingstelling kon dus, zonder schending van enige wette-lijke bepaling noch miskenning van enig algemeen rechtsbeginsel, oordelen dat de eiser toelating tot inzage had dienen te vragen aan de onderzoeksrechter op grond van de procedure bepaald in artikel 61ter Wetboek van Strafvordering, iets wat hij niet heeft gedaan.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel voor het overige aanvoert dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het gebrek aan inzage van het strafdossier eisers recht van verdedi-ging niet heeft miskend, komt het op tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 35, § 2 en § 3, 36, § 1, en 37, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de regelmatigheid van de beslissing van de onderzoeksrechter tot verlenging van aan de eiser opgelegde voorwaarden niet dient onderzocht te worden, terwijl de eiser in besluiten de onregelmatigheid van die beschikking uitdrukkelijk heeft aangevoerd in toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en de kamer van inbeschuldigingstelling daarover dus moest oordelen omdat de zaak bij haar regelmatig aanhangig was.

7. Het onderzoek, bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, be-treft de eigenlijke onderzoekshandelingen, met uitsluiting van de stukken betref-fende de voorlopige hechtenis waarvoor de wetgever in een afzonderlijke rechts-pleging heeft voorzien.

In zoverre het middel schending van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering aanvoert, faalt het naar recht.

8. Voor het overige verlenen de artikelen 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet aan de verdachte geen recht op hoger beroep tegen de beschikking van de onder-zoeksrechter tot verlenging van opgelegde voorwaarden. De verdachte die zich verzet tegen die verlenging, kan een verzoekschrift op grond van artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet indienen bij de raadkamer.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre eveneens naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoor-zitter Frédéric Close, en de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Er-win Francis, en op de openbare rechtszitting van 2 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Cornelis

B. Dejemeppe F. Close J. de Codt

Vrije woorden

  • Niet meer aangehouden verdachte

  • Verzoek tot opheffing van opgelegde voorwaarden

  • Rechten van de Mens

  • Verdrag Rechten van de Mens

  • Artikel 5

  • Artikel 5.4