- Arrest van 3 januari 2013

03/01/2013 - C.12.0174.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer schade is veroorzaakt door de samenlopende fouten van twee daders, kan de rechter, op de vordering tot vrijwaring van een dader tegen de mededader, tenzij hij vaststelt dat de mededader contractueel verplicht was de dader te vrijwaren, niet beslissen dat, in de onderlinge verhouding van dader en mededader, laatstgenoemde gehouden is tot volledige vrijwaring van de dader, aangezien hij in dat geval het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout van de dader en de schade van het slachtoffer ontkent (1). (1) Zie Cass. 23 juni 2005, AR C.03.0551.F – C.03.0556.F, AC 2005, nr. 369.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0174.F

ÉTABLISSEMENTS MAYON ET MIGNON bvba,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FORTIS BANK nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

mede inzake

1. O. E.,

2. F. M.,

partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 27 april 2007.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1146, 1147, 1149, 1251, 3°, 1382 tot 1385 van het Burgerlijk Wet-boek;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de verrijking zonder oorzaak.

Aangevochten beslissingen

Het arrest oordeelt "dat de (verweerster) een fout heeft begaan door van de (eise-res) een hypothecair mandaat en vervolgens een hypotheek te aanvaarden op een stuk grond waarvan zij wist of diende te weten dat het zou worden verkocht aan een andere klant (en dat zij) zich zodoende mede schuldig heeft gemaakt aan de wanuitvoering, door de (eiseres), van haar contractuele verbintenissen ten aanzien van de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen)" en dat "de (verweerster), door te eisen dat die - onrechtmatig verkregen - hypotheek pas gelicht kon worden na betaling van een bedrag van 1.200.000 frank, daarenboven heeft volhard in een onrechtmatige gedraging, aangezien herhaald moet worden dat zij wel degelijk wist dat de kopers dat bedrag hadden betaald in 1998", en beslist om die redenen dat "aan de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen), tot vergoeding van de door de fout van de (verweerster) ver-oorzaakte schade, een bedrag verschuldigd is tot beloop van 29.747,22 euro + 639,57 euro + 2.000 euro, dit is 32.386,79 euro, zoals de eerste rechter heeft beslist"; het arrest bevestigt het beroepen vonnis, "in zoverre het de door de (verweerster) tegen de (eiseres) ingestelde vordering tot vrijwaring geheel toewijst", om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"(De eiseres) heeft geen goede gronden om te betwisten dat zij (haar) contractuele verbintenissen jegens (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen) niet is nagekomen, aangezien zij een hypothecair mandaat op de bouwgrond heeft toegekend, ook al wist ze dat de bouwgrond was betaald.

De (eiseres) is degene die voordeel heeft gehaald uit het feit dat de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen) de prijs twee keer hebben betaald, aangezien de twee betalingen wel degelijk hebben gediend om haar schuld jegens de (verweerster) af te lossen (...).

De omstandigheid dat die betalingen zijn geschied zonder de toestemming van de (eiseres), doet daar niet aan af.

De toewijzing van (verweersters) vordering tot vrijwaring komt niet neer op de toekenning van een derde betaling aan (de verweerster), maar moet integendeel verhinderen dat de (eiseres) in fine een dubbele betaling van de prijs geniet".

Grieven

Eerste onderdeel

Wanneer de schade voortvloeit uit de samenlopende fouten van verschillende per-sonen, is ieder van hen jegens het slachtoffer gehouden tot de integrale vergoeding van de door die fouten veroorzaakte schade.

Wanneer een van de personen die de fouten hebben begaan het slachtoffer volledig heeft vergoed, kan hij vervolgens tegen de andere medeaansprakelijken een vordering instellen, onder aftrek van het gedeelte van de schade dat hij diende te vergoeden. Die regresvordering kan gegrond zijn op de wettelijke indeplaatsstel-ling, zoals vastgelegd in artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, op het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak of op het mechanisme zelf van de burgerlijke aansprakelijkheid, of althans van de burgerlijke aansprake-lijkheid buiten overeenkomst.

Wanneer de partijen geen vrijwaringsbeding in hun overeenkomst hebben opgenomen, kan de rechter bijgevolg, inzake de betrekkingen tussen de personen die de fouten hebben begaan, niet beslissen dat een van die personen de andere geheel moet vrijwaren, zonder tegelijkertijd te ontkennen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van laatstgenoemde en de schade van het slachtoffer.

Het arrest, dat het beroepen vonnis bevestigt, "in zoverre het de door de (verweerster) tegen de (eiseres) ingestelde vordering tot vrijwaring geheel toewijst", en de eiseres aldus verplicht om de schade van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen in fine integraal te vergoeden, zonder vast te stellen dat de verweerster en de eiseres een vrijwaringsbeding zouden zijn overeengekomen, schendt de artikelen 1251, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en miskent het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is nieuw:

De eiseres voerde in haar conclusie in hoger beroep aan dat "[de verweerster] een fout heeft begaan waarvoor zij als kredietverstrekker aansprakelijk is", dat "[de tot bindendverklaring opgeroepen partijen] terecht tegen [de verweerster] een aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld" dat laatstgenoemde moet worden veroordeeld tot terugbetaling van de som van 29.747,22 euro, dat "de motivering van de eerste rechter, die [de eiseres] veroordeelt tot tussenkomst en vrijwaring van [de verweerster] voor haar veroordelingen jegens [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen], niet gegrond is" en dat "indien de vordering tot tussenkomst en vrijwaring in beginsel gegrond wordt verklaard, zulks erop neerkomt dat er aan [de verweerster] een derde betaling wordt toegekend".

In tegenstelling tot wat de verweerster betoogt, heeft de eiseres aldus aangevoerd dat zij niet kon worden veroordeeld tot terugbetaling, aan de verweerster, van het volledige bedrag dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen hadden betaald.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Het arrest, dat uitspraak doet over de vordering van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen tegen de verweerster, oordeelt dat "de [verweerster] een fout heeft begaan door van de [eiseres] een hypothecair mandaat en vervol-gens een hypotheek te aanvaarden op een stuk grond waarvan zij wist of diende te weten dat deze zou worden verkocht aan een andere klant", dat "zij zich zodoende mede schuldig heeft gemaakt aan de wanuitvoering, door de [eiseres], van haar contractuele verbintenissen ten aanzien van de [tot bindendverklaring van het ar-rest opgeroepen partijen]" en dat "de [verweerster], door te eisen dat die - on-rechtmatig verkregen - hypotheek pas gelicht kon worden na betaling van een be-drag van 1.200.000 frank, daarenboven heeft volhard in een onrechtmatige ge-draging, aangezien herhaald moet worden dat zij wel degelijk wist dat de kopers dat bedrag hadden betaald in 1998".

Het oordeelt ook dat "[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij-en], door de hierboven omschreven fouten van de [verweerster], de prijs van de grond een tweede keer hebben moeten betalen", dat "indien de bank die fouten niet had begaan, de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen] de interest op het overbruggingskrediet van februari 2001 en maart 2001 niet hadden moeten betalen" en dat "het feit dat de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen] zijn opgenomen in de lijst van de Nationale Bank", wat mo-rele schade heeft veroorzaakt, "ook te wijten is aan de fouten van [de verweer-ster]".

Het arrest beslist aldus dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de verweerster en de schade van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroe-pen partijen.

Het arrest, dat uitspraak doet over de vordering tot vrijwaring van de verweerster tegen de eiseres, oordeelt dat "[de eiseres] geen goede gronden heeft om te be-twisten dat zij [haar] contractuele verbintenissen jegens [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen] niet is nagekomen, aangezien zij een hy-pothecair mandaat op de grond heeft toegekend, ook al wist ze dat de grond was betaald".

Het arrest, dat zonder vast te stellen dat de eiseres contractueel verplicht was de verweerster te vrijwaren, beslist dat de eiseres de verweerster in het kader van hun wederzijdse betrekkingen geheel moet vrijwaren, ontkent het bestaan van een oor-zakelijk verband tussen de fout van de verweerster en de schade van de tot bin-dendverklaring van het arrest opgeroepen partijen, en schendt derhalve de artike-len 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de vordering tot vrijwaring van de verweerster tegen de eiseres toewijst en in zoverre het uitspraak doet over de kos-ten tussen die partijen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van O.E. en F.M.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten ; houdt de andere helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verschillende daders

  • Hoofdelijkheid

  • Vergoeding van het slachtoffer

  • Bijdrage in de schuld

  • Vordering tot vrijwaring van een dader tegen een mededader

  • Veroordeling tot volledige vrijwaring