- Arrest van 3 januari 2013

03/01/2013 - D.12.0017.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 474 van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de procedure na afloop waarvan de raad van de orde, bij een met redenen omklede beslissing, een advocaat kan schrappen van de lijst van de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.12.0017.F

N. B., advocaat,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. STAFHOUDER VAN DE FRANSTALIGE ORDE VAN ADVOCATEN VAN DE BALIE TE BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUS-SEL,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Franstalige en Duitstalige tuchtraad van beroep van de advocaten van 25 april 2012, dat op verwijzing uit-spraak heeft gedaan ten gevolge van het arrest van het Hof van 9 december 2011.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

Het onderdeel verwijt de bestreden beslissing dat ze weigert artikel 474 Gerechte-lijk Wetboek toe te passen op de procedure bepaald in artikel 508/8, tweede lid, van dat wetboek of dat ze, op zijn minst, zeer laattijdig de schrapping van de lijst van de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand uitspreekt.

De wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerech-telijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden heeft de artikelen 458 tot 463 en 474 van dat wetboek vervangen.

Die wet heeft ook het voormelde artikel 508/8, tweede lid, in die zin gewijzigd dat de raad van beroep een advocaat bij een met redenen omklede beslissing kan schrappen van de lijst van de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand volgens de in de artikelen 458 tot 463 bepaalde procedure.

Het aldus gewijzigde artikel 508/8, tweede lid, verwijst niet naar artikel 474 dat bijgevolg niet van toepassing is op de procedure bepaald in artikel 508/8, tweede lid.

De bestreden beslissing oordeelt dat "de verweten tekortkomingen weliswaar oud zijn maar [...] dat de redelijke termijn niet is overschreden, gelet op het feit dat het dossier ingewikkeld is, elke partij [...] de haar bij wet toegekende rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden en [de eiser] een verdaging heeft kunnen verkrijgen telkens als hij dat wenste", dat "de tuchtraad de sanctie voldoende kan aanpassen al naargelang hij al dan niet beslist de schrapping op te leggen op grond van het aantal en de zwaarwichtigheid van de al dan niet bewezen verklaarde grieven", en onderstreept dat de schrapping "geenszins definitief is, aangezien [de van de lijst geschrapte advocaat] nog steeds kan vragen om opnieuw op de lijst te worden ge-plaatst".

Zij spreekt vervolgens de schrapping van de eiser uit, op grond dat de jegens hem bewezen verklaarde grieven "ernstige tekortkomingen vormen inzake de kwaliteit van de prestaties die verwacht worden van een advocaat die dossiers van juridische tweedelijnsbijstand wenst te behandelen", dat ze getuigen van "een ernstig gebrek aan plichtsbesef" en een "misprijzen voor cliënten die zich per definitie in een precaire toestand bevinden" en dat ze "van aard kunnen zijn het vertrouwen van de rechtzoekenden in de rechtsbijstand aan te tasten" alsook "van het vertrouwen van de overheid in de bekwaamheid van de balie om de haar bij wet toegekende opdrachten uit te voeren".

De bestreden beslissing vermeldt aldus de feitelijke overwegingen waarop zij steunt om te beslissen dat de schrapping in dit geval een passende straf uitmaakt voor de oude tekortkomingen die zij jegens de eiser bewezen verklaart.

Het Hof is niet bevoegd om die feiten te beoordelen.

Aangezien de grief volgens welke artikel 508/8, tweede lid, de rechter niet zou toestaan de straf geval per geval aan te passen, niet van belang is voor de oplos-sing van het geschil, bestaat er geen grond om de door de eiser voorgestelde pre-judiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel verwijt de bestreden beslissing dat zij de kosten van het onderzoek en van het onderzoek ter terechtzitting forfaitair begroot, zonder nog maar vast te stellen dat het bedrag van die kosten niet nauwkeurig kan worden bepaald.

Luidens artikel 460, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de tuchtraad in zijn be-slissing de kosten die voor het onderzoek en voor het onderzoek ter terechtzitting werden gemaakt aan de betrokken advocaat ten laste leggen.

De bestreden beslissing legt de eiser de kosten van de rechtspleging in hoger be-roep ten laste, die zij forfaitair vaststelt op 500 euro, zonder vast te stellen dat het onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting hebben geleid tot kosten in hoger beroep en zonder te verduidelijken waarom de schade alleen maar naar billijkheid kan worden bepaald.

Zij verantwoordt haar beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden beslissing in zoverre zij de eiser veroordeelt tot betaling van een bedrag van 500 euro wegens kosten van de rechtspleging in hoger beroep.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing.

Veroordeelt de eiser in drie vierden van de kosten en de eerste verweerder in het overige vierde.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de anders samengestelde Franstalige en Duitstalige tuchtraad van beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Juridische tweedelijnsbijstand

  • Kwaliteit van de prestaties van advocaten

  • Toezicht

  • Tekortkoming

  • Tuchtprocedure

  • Inleiding

  • Termijn

  • Toepasselijke bepaling