- Arrest van 7 januari 2013

07/01/2013 - C.11.0387.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de verzekeraar weigert een brandschadegeval te dekken omdat het te wijten kan zijn aan een opzettelijke daad van de verzekerde of van de verzekeringsbegunstigde, is enkel de afwijking bepaald onder a) van voornoemd artikel 67, §2, 5°, met uitzondering van die onder b), toepasselijk (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0387.F

AG INSURANCE nv,

Mr Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. P.,

2. L. R.,

Mr François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 22 november 2010.

De zaak is bij beschikking van 18 december 2012 door de eerste voorzitter verwe-zen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, inzonderheid eerste lid, 1135, 1153, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 67, inzonderheid § 2bis, 2° en 3°, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, zowel vóór als na de wijziging ervan bij de wetten van 21 mei 2003 en 17 september 2005;

- artikel 67, § 2bis, 5°, b), van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 mei 2003;

- artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

- de artikelen 28ter en 63 van het Wetboek van Strafvordering.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerders van de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 6 december 2001, datum van neerlegging van het deskundigenverslag dat het bedrag van de schade te wijten aan het litigieuze schadegeval, vaststelt tot 31 maart 2010, op het bedrag van de veroordeling (76.033,35 euro) uitgesproken door het tussenarrest van 9 februari 2010, exclusief de kosten van het hoger beroep van de verweerders, op grond van volgende redenen:

"Artikel 18 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis die partijen bindt bepaalt dat:

- de verzekeringsvergoeding moet betaald worden binnen dertig dagen na de sluiting van de schadeschatting of, bij ontstentenis, de datum van de vaststelling van het bedrag van de schade en de taksen en rechten worden betaald op voorlegging van de bewijsstukken,

- indien er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde of begunstigde, kan de verzekeraar voorafgaandelijk kennis nemen van het strafdossier en moet hij dat verzoek uiterlijk binnen dertig dagen na de sluiting van de expertise formuleren. Desgevallend moet de verzekeraar de vergoeding betalen binnen dertig dagen nadat hij van de conclusies van het strafonderzoek kennis heeft genomen, voor zover de verzekerde of de begunstigde die betaling van de vergoeding vraagt niet strafrechtelijk wordt vervolgd,

- Bovendien, als de vaststelling van de vergoeding of de verzekerde aansprakelijkheden betwist worden, moet de betaling van de eventuele vergoeding door de verzekeraar geschieden binnen dertig dagen die volgen op de sluiting van de genoemde betwistingen.

Te dezen heeft het openbaar ministerie nooit een strafonderzoek geopend na de litigieuze brand. De eiseres heeft geen klacht ingediend en heeft zich geen burgerlijke partij gesteld en zulks ondanks het blijkbaar opzettelijk karakter van de brand. Noch de verzekerden, de verweerders, noch hun nicht S.R., werden a fortiori strafrechtelijk vervolgd in verband met die brand.

De bepalingen van artikel 67 van de wet van 25 juni 1992 die de betaling van de verzekeringsvergoeding regelen en de voornoemde contractuele bepalingen verplichten de verzekeraar de verzekeringsvergoeding te betalen binnen dertig dagen na de vaststelling van de schade aan de hand van een expertise, zoals hier het geval was.

De [eiseres] oordeelt dat de betaling van de vergoeding omstreden is gebleven tot de uitspraak van het arrest op 9 februari 2010, die een einde heeft gemaakt aan het conflict naar aanleiding van het opzettelijk karakter van de litigieuze brand en het feit dat de verzekeraar de verantwoordelijkheid legde bij zijn verzekerde of diens nicht, S.R., die zich in het gebouw bevond op het ogenblik van het ontstaan van de brand.

Zij meent dat zij, aangezien zij op 31 maart 2010 78.854 euro aan de verweerders heeft betaald, wat de hoofdsom vertegenwoordigt, na aftrek van het eigen risico, en een rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro, slechts interest verschuldigd is voor de periode tussen 9 maart 2010, hetzij dertig dagen na het arrest dat een einde maakt aan de betwistingen over de betaling van de vergoeding, en 31 maart 2010, en zij aanvaardt in ondergeschikte orde dat de intrest zou kunnen ingaan vanaf de dagvaarding van 30 april 2002.

De [eiseres] kan niet worden gevolgd: [... ]

- het is een duidelijk artikel 67, § 2bis, 2°, [van de wet van 25 juni 1992] het vrijstellen van de verplichting om de verzekerde te vergoeden impliciet doch zeker niet alleen afhankelijk maakt van het bestaan van vermoedens omtrent het opzettelijke karakter van het schadegeval maar ook van het openen van een opsporings- of strafonderzoek na het ongeval, quod non in casu;

- de [eiseres] heeft bijgevolg vrijwillig het risico genomen haar verzekerde niet te vergoeden en moet de gevolgen van die keuze dragen.

Eigenlijk miskent het laatste lid van artikel 18 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis de aard van de declaratieve en niet constitutieve gevolgen van het arrest dat het bedrag van de schade heeft vastgesteld waarop de [verweerders] te dezen recht op hebben".

Grieven

Eerste onderdeel

Het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 67, 2bis, 2° van de wet van 25 juni 1992 en artikel 18 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis die de partijen bindt "impliceren dat de verzekeraar verplicht is de verzekeringsvergoeding te betalen binnen dertig dagen na de vaststelling van de schade aan de hand van een expertise", hetzij in casu binnen dertig dagen na de neerlegging van het verslag, op 6 november 2001.

Artikel 67, § 2bis, van de wet van 25 juni 1992, zowel vóór als na de wijziging ervan bij de wetten van 21 mei 2003 en 19 september 2005, bepaalt in 2° dat de termijnen waarbinnen de verzekeraar de vergoeding moet betalen opgeschort worden "als er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde [...]. De verzekeraar mag zich het recht voorbehouden vooraf kopie van het strafdossier te nemen [...]. De eventuele betaling moet geschieden binnen dertig dagen nadat de verzekeraar kennis genomen heeft van de conclusies van het genoemde dossier, indien de verzekerde of de begunstigde die om de vergoeding vraagt niet strafrechtelijk wordt vervolgd"; in 3° of 5°, b) (vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 mei 2003) dat, " als [...] de verzekerde aansprakelijkheden betwist worden, de betaling van de eventuele vergoeding moet geschieden binnen dertig dagen die volgen op de afsluiting van de genoemde betwisting".

Artikel 18, derde lid, van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis die de partijen bindt stelde: " als de vaststelling van de vergoeding of de verzekerde aansprakelijkheden betwist worden, moet de betaling van de eventuele vergoeding geschieden binnen dertig dagen die volgen op de sluiting van de genoemde betwistingen".

Uit die bepalingen van artikel 67, 2bis, inzonderheid 2°, blijkt dat, in tegenstelling tot hetgeen het arrest beweert, het opschorten van de verplichting om de verzekerde te vergoeden niet afhankelijk is van de opening van een opsporings- en strafonderzoek en de verzekeraar geenszins verplicht is, tenzij hij niet te goeder trouw is, klacht in te dienen of zich burgerlijke partij te stellen wanneer er, zoals te dezen, vermoedens bestaan van een opzettelijke daad.

Noch artikel 67, 2bis, 2° of 3° (of 5°, b), van de wet van 25 juni 1992, noch artikel 18 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis die de betaling van de vergoeding vastleggen binnen dertig dagen na het afsluiten van de betwistingen, verplichten de verzekeraar de betwisting over het opzettelijk karakter van het schadegeval voor de strafrechter te brengen.

Artikel 4 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters als de strafvordering kan vervolgd worden terwijl artikel 28ter van het Wetboek van Strafvordering "een algemene opsporingsplicht en een algemeen opsporingsrecht" geeft aan de procureur des Konings. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, heeft enkel de mogelijkheid klacht in te dienen (artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering).

De eiseres behield bijgevolg het recht om de burgerlijke rechter te laten beslissen of de litigieuze brand te wijten is aan een opzettelijke daad van de verweerders. Men mag niet, zoals het arrest heeft gedaan, als regel stellen dat die betwisting door strafvervolgingen sneller kan worden opgelost en een burgerlijk proces een vertragende werking zou hebben.

De uitspraak van het arrest van 9 februari 2010 had weliswaar uitsluitend een declaratief gevolg zonder rechten te vestigen, maar dat neemt niet weg dat de betwisting over het opzettelijk karakter van het schadegeval slechts op 9 februari "afgesloten" werd, in de zin van de artikelen 67, 2bis, van de wet van 25 juni 1992 en 18 van de algemene voorwaarden van de polis.

Daaruit volgt dat de veroordeling van de eiseres tot het betalen van (verwijl)intrest op de vergoeding die aan de verweerders toekomt, niet vanaf 9 februari 2010, datum van het arrest dat "einde heeft gemaakt aan het conflict naar aanleiding van het opzettelijk karakter van de litigieuze brand" en waarop de schuld van verweerders bijgevolg opeisbaar is geworden, maar sinds 6 december 2001, "dertigste dag volgend op het indienen van het deskundigenverslag", op grond dat artikel 67, § 2bis, 2°, van de wet van 25 juni 1992 het uitstel van de betaling van de vergoeding afhankelijk zou maken van het openen van een opsporings- of strafonderzoek, terwijl artikel 18, derde lid, van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis de louter declaratieve aard zou miskennen van het arrest van 9 februari 2010, niet naar recht is verantwoord (schending van de bovenvermelde wettelijke bepalingen, meer bepaald van artikel 67, § 2bis, 2°, en 5°)(oude versie), van de wet van 25 juni 1992 en van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, die de bindende kracht van artikel 18 van de algemene ver-koopvoorwaarden van de verzekeringspolis die de partijen bindt vastlegt).

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1146 en 1153, hoofdzakelijk derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerders van de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 6 december 2001, datum van neerleggen van het deskundigenverslag tot vaststelling van het bedrag van de schade te wijten aan het litigieuze schadegeval, tot 31 maart 2010, op het bedrag van de veroordeling (76.033,35 euro) uitgesproken door het tussenarrest van 9 februari 2010, exclusief de kosten van het hoger beroep van de verweerders.

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 1146 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "schadevergoeding dan eerst verschuldigd is wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen".

Volgens artikel 1153, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, is de intrest [wegens vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot betalen] verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen".

Ook al zou - quod non - krachtens artikel 67 van de wet van 25 juni 1992 en artikel 18 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis, de schuldvordering van de vergoeding van de verweerders opeisbaar zijn vanaf de sluiting van de expertise en de vaststelling van de schade, zoals het arrest lijkt te beslissen, omschrijven die bepalingen het tijdstip vanaf wanneer de vergoeding opeisbaar wordt, maar stellen de verzekeringnemer niet vrij van zijn verplichting tot ingebrekestelling om de verwijlintrest te doen ingaan.

Daaruit volgt dat de beslissing die de eiseres veroordeelt tot het betalen van (ver-wijl)intrest vanaf 6 december 2001 op de vergoeding die reeds aan de verweerders is betaald, zonder vast te stellen dat de eiseres gesommeerd was die te betalen, de artikelen 1146 en 1153, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 67, § 2, 3°, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzeke-ringsovereenkomst, in de versie die op het geschil van toepassing is vóór de wij-ziging ervan bij de wetten van 21 mei 2003 en 17 september 2005, is de brandver-zekeringsvergoeding in de regel betaalbaar binnen dertig dagen die volgen op de datum van sluiting van de expertise of bij ontstentenis, de datum van de vaststel-ling van het bedrag van de schade.

In afwijking van die bepaling, schrijft artikel 67, § 2, 5°, dat van toepassing is op het geschil, voor:

a) indien er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde of de verzekeringsbegunstigde, alsook in geval van dief-stal kan de verzekeraar zich het recht voorbehouden vooraf kopie van het straf-dossier te lichten; het verzoek om kennis ervan te mogen nemen moet uiterlijk binnen dertig dagen na de afsluiting van de door hem bevolen expertise geformu-leerd worden en, indien de verzekerde of de begunstigde die om vergoeding vraagt niet strafrechtelijk wordt vervolgd, moet de eventuele betaling geschieden binnen dertig dagen nadat de verzekeraar kennis genomen heeft van de conclusies van het genoemde dossier;

b) bovendien, als de vaststelling van de vergoeding of de verzekerde aansprake-lijkheden betwist worden, moet de betaling van de eventuele vergoeding geschie-den binnen dertig dagen die volgen op de afsluiting van de genoemde betwisting.

Artikel 18 van de algemene voorwaarden van de litigieuze verzekeringspolis dat het arrest vermeldt, neemt beide afwijkingen in zijn derde en vierde lid op.

Wanneer de verzekeraar weigert een brandschadegeval te dekken en hiertoe aan-voert dat het te wijten kan zijn aan een opzettelijke daad van de verzekerde of verzekeringsbegunstigde, is uitsluitend de onder a) van artikel 67, § 2, 5°, be-paalde afwijking van toepassing, met uitsluiting van de onder b) bepaalde afwij-king.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat, als de eiseres ervan uitgaat dat de li-tigieuze brand te wijten was aan een opzettelijke daad van de verweerders, haar verzekerden, of van hun nicht, die zich ter plaatste bevond toen het schadegeval zich voordeed, het openbaar ministerie nooit een gerechtelijk onderzoek heeft ge-opend naar aanleiding van die brand, de eiseres geen klacht heeft ingediend en zij zich ook geen burgerlijke partij heeft gesteld in verband met die brand en noch de verweerders, noch hun nicht strafrechtelijk werden vervolgd in verband met die brand.

Het arrest dat op grond van die vaststellingen oordeelt dat de eiseres het voordeel niet mag aanvoeren van de vrijstelling van de vergoedingsverplichting bepaald bij artikel 67, § 2bis, 2° , dat overeenstemt met het voornoemde artikel 67, § 2, 5°, a), vóór de wijzigingen ervan door de voornoemde wetten, en bij artikel 18, derde lid, van de algemene voorwaarden, op grond dat die bepaling die vrijstelling "niet al-leen afhankelijk maakt van het bestaan van vermoedens omtrent het opzettelijke karakter van het schadegeval maar ook van het openen van een opsporings- of strafonderzoek na het ongeval", verantwoordt naar recht zijn beslissing om die afwijking niet op het geschil toe te passen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(...)

Tweede onderdeel

Uit artikel 67 van de wet van 25 juni 1992, zowel in de versie die van toepassing is op het geschil als in de versie die gewijzigd werd bij de wet van 21 mei 2003, blijkt dat die bepaling niet afwijkt van het gemeen recht van de artikelen 1146 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 7 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Brandverzekering

  • Verzekeringsvergoeding

  • Opzettelijke daad van de verzekerde aangevoerd door de verzekeraar

  • Gevolg

  • Betaling