- Arrest van 7 januari 2013

07/01/2013 - S.12.0016.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bewerken door de schuldenaar van zijn onvermogen kan worden afgeleid uit alle omstandigheden die zijn wil aantonen om zich onvermogend te maken; het indienen van een verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling kan bijdragen als bewijs van die wil (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0016.F

1. P.B.,

2. A.B.,

Mr Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LES JOURS PAISIBLES vzw,

mede inzake

1. ELECTRABEL CUSTOMER SOLUTIONS nv,

2. CITIBANK BELGIUM nv,

3. SAINT BRICE nv,

4. DEXIA BANK BELGIË nv,

5. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

6. Hélène PEPIN, advocaat, optredend in de hoedanigheid van schuldbemidde-laar.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 16 november 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1675/2, eerste lid, en 1675/15, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Met bevestiging van het beroepen vonnis vernietigt het arrest de beslissing om de eisers toe te laten tot de procedure van de collectieve schuldenregeling op grond van alle redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven en in het bijzonder op grond dat:

"Ter herinnering, de procedure van de collectieve schuldenregeling richt zich tot elke natuurlijke persoon die geen handelaar is en zich in een toestand van overmatige schuldenlast bevindt (die niet meer in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen) en zijn onvermogen niet kennelijk heeft bewerkstelligd (...).

Volgens de parlementaire voorbereiding ‘mag de uitgewerkte procedure niet gebruikt worden door een solvabele schuldenaar om te ontsnappen aan het vereffenen van zijn schulden. Wordt uitgesloten de schuldenaar die kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt. Er is bewerking van onvermogen wanneer de schuldenaar bijvoorbeeld bedrieglijke handelingen heeft verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers, of elementen uit zijn vermogen op bedrieglijke wijze onttrokken heeft' (...).

Tijdens het parlementair debat werd de nadruk ontegensprekelijk gelegd op 'het opzet van de schuldenaar (om zich onvermogend te maken), element dat bepalend is voor de beoordeling, en niet op de eenvoudige vaststelling van bepaalde los van elkaar beschouwde daden. De beoordeling in concreto van al de feitelijke elementen, van al de omstandigheden die de bedrieglijke handelingen omkaderen, is bijgevolg doorslaggevend (...).

Naast de afwezigheid van een kennelijke bewerking van onvermogen die van de aanvrager van een collectieve schuldenregeling vereist wordt, is er ook een verplichting tot 'procedurale goede trouw'.

Zoals A. F. en V. G. doen opmerken, "la mauvaise foi procédurale d'un débiteur doit l'exclure du bénéfice (ou du maintien) de la procédure en règlement collectif de dettes. Il s'agit de l'obligation de transparence patrimoniale et de loyauté, le débiteur étant tenu de communiquer de manière sincère au juge l'état de son patrimoine. La jurisprudence est également attentive au fait que le débiteur fasse preuve d'une volonté réelle de faire face à ses dettes. Même si le droit français en matière de surendettement diffère du nôtre, la notion de bonne foi est commune aux deux droits".

Die auteurs geven aldus een vrij duidelijk beeld van de Franse doctrine: 'Elle (la mauvaise foi) ne résulte pas de comportements marqués par l'inconscience, alors même que le surendettement serait considérable, elle suppose un comportement ouvertement cynique, qui néglige délibérément toute préoccupation de paiement' (...).

Te dezen blijkt uit de gegevens van het aan het arbeidshof voorgelegde dossier dat (de eisers) op 23 november 2010 een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling hebben ingediend bij de arbeidsrechtbank te Bergen.

Zes schuldeisers werden opgegeven: Electrabel voor 125,28 euro, Citibank voor het verschuldigde saldo van de hypothecaire lening van 4.351,03 euro, Saint-Brice/Unigro voor 303,45 euro, Dexia voor 506,20 euro, de Federale Overheidsdienst Financiën voor 249,46 euro en [de verweerster] voor 159.471,74 euro.

De schuldenlast is uitsluitend het gevolg van de schuld jegens [de verweerster].

Twee vaststellingen dringen zich op in verband met die schuld:

- (de eiser) heeft zijn schuld erkend en (de eisers) hebben zich ertoe verbonden om die in februari 1996 (meer dan vijftien jaar geleden) aan te zuiveren;

- de inleiding van een procedure tot collectieve schuldenregeling is een gevolg van het arrest van het hof van beroep van 9 september 2010 dat het verzet tegen beslag van (de eiseres) afwijst.

Zoals de eerste rechter oordeelkundig opmerkt, bewijzen de feiten de duidelijke procedurale kwade trouw (van de eisers).

De verduisteringen (van de eiser) werden begin 1996 ontdekt. Ze bedragen 8.369.891 frank. Hij erkent de feiten en verbindt zich samen met [de eiseres] tot het terugbetalen van die som, met name door hun huis te verkopen. Hoewel hij aanvankelijk snel 1.936.817 frank stort, betwist hij vervolgens de feiten. Daarop volgden langdurige strafprocedures (correctioneel, hoger beroep, Cassatie en Eu-ropees Hof), na afloop waarvan hij strafrechtelijk en burgerrechtelijk veroordeeld wordt (6.433.074 frank te vermeerderen met de intrest). Vervolgens verzet [de ei-seres] zich tegen de uitvoeringsmaatregelen van (de verweerster)". Haar vordering wordt uiteindelijk afgewezen door het arrest van het hof van beroep te Bergen van 9 september 2010.

Op dat ogenblik leiden ze een procedure tot collectieve schuldenregeling in.

Samengevat hebben (de eisers), zoals de eerste rechter pertinent opmerkt, zich gedurende ongeveer vijftien jaar uitgesloofd om te ontsnappen aan hun verplichting tot het terugbetalen van de schade die voortvloeit uit de verduisteringen (van de eiser).

Dat gedrag kan als 'openlijk cynisch' worden bestempeld, aangezien het sinds februari 1996 hun kennelijk opzet was te ontkomen aan de terugbetaling van hun schuld.

Die vaststelling blijkt uit de volgende gegevens: de oorsprong van de schuld kan niet worden verhuld: het betreft een zeer aanzienlijke fraude van meer dan acht miljoen Belgische frank; de verbintenis tot terugbetaling werd nooit nageleefd, behalve die ene onmiddellijk na de ontdekking van de feiten, vele procedures (met inbegrip van een spoedprocedure voor het Europees Hof voor de rechten van de mens!) werden gevoerd om te ontsnappen aan het betalen van de schuld.

De indiening van het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling komt over als een nieuwe procedurale zet die de wil (van de eisers) bestendigt om te ontsnappen aan de betaling van de schuld aan (de verweerster).

Door de 'procedurale kwade trouw' (van de eisers) kunnen zij niet worden toegelaten tot de procedure van de collectieve schuldenregeling.

Bijgevolg dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard en, dienvolgens, het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen te worden bevestigd".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

De rechter mag een vordering tot collectieve schuldenregeling slechts ontoelaatbaar verklaren wegens het organiseren van bedrieglijk onvermogen wanneer de eiser één of meerdere handelingen heeft gesteld om zijn vermogen opzettelijk te verarmen met de bedoeling zich onvermogend te maken.

Er kan geen enkele bewerking van onvermogen worden afgeleid uit de oorsprong van de schuld en het niet-naleven in het verleden van de verbintenis tot terugbetaling, noch uit het feit dat de eiser vóór het indienen van het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling de door de wet ingestelde rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beslissing die hem een strafbaar feit aanwrijft, noch uit het feit dat de eiseres zich van haar kant verzet heeft tegen het beslag op het gemeenschappelijk onroerend goed in uitvoering van de beslissing die haar echtgenoot veroordeelt.

Indien het arrest zo moet gelezen worden dat het beslist dat de eisers hun onvermogen kennelijk hebben bewerkt en het zijn beslissing op die redenen heeft gesteund, miskent het hiermee het wettelijk begrip van het kennelijk bewerkstelligen van onvermogen en schendt het bijgevolg artikel 1675/2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1675/2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, kan elke natuurlijke per-soon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 Wetboek van Koophandel, in-dien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft be-werkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.

Het bewerken door de schuldenaar van zijn onvermogen kan worden afgeleid uit alle omstandigheden die zijn wil aantonen om zich onvermogend te maken. Het indienen van een verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenre-geling kan bijdragen als bewijs van die wil.

Het arrest stelt vast dat de eiser zijn schuld tegenover de verweerster nooit heeft vereffend en dat de schuldenlast van de eisers uitsluitend uit die schuld voort-vloeit. Het overweegt dat "volgens de parlementaire voorbereiding de uitgewerkte procedure niet kan gebruikt worden door een schuldenaar om te ontsnappen aan het vereffenen van zijn schulden; dat de schuldenaar die kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt, uitgesloten wordt" en dat het opzet van de schuldenaar om zich onvermogend te maken bepalend is voor het bewerken van onvermogen, en oordeelt vervolgens dat de eisers "zich gedurende bijna vijftien jaar hebben uitge-sloofd om te ontsnappen aan hun verplichting om [de verweerster] terug te beta-len", dat het gaat om "hun kennelijk opzet", dat "vele procedures werden gevoerd om te ontsnappen aan het betalen" van de schuld en dat "de indiening van het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling overkomt als een nieuwe procedu-rale zet die de wil [van de eisers] bestendigt om te ontsnappen aan de betaling van de schuld aan [de verweerster]".

Met die redenen, waarmee het arrest vaststelt dat de eisers hun onvermogen ken-nelijk hebben bewerkt, verantwoordt het zijn beslissing naar recht om de vordering van de eisers tot een collectieve schuldenregeling te verwerpen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mi-reille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 7 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewerken van het onvermogen

  • Bewijs

  • Wil om zich onvermogend te maken

  • Indiening van een verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling