- Arrest van 11 januari 2013

11/01/2013 - C.11.0323.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Tegen de beslissing van de jeugdrechtbank in beroep van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Voetbalwet, staat geen hoger beroep open, zodat het vonnis in laatste aanleg is gewezen en een cassatieberoep tegen dergelijk vonnis ontvankelijk (1). (1) Zie de andersluidende concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0323.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, voor wie optreedt de algemene directie veiligheid- en preventiebeleid, Voetbalcel, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 76,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. D.B.,

2. K.L.,

beiden in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderja-rige zoon J.B.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de jeugdrechtbank te Hasselt van 25 februari 2010.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 9 januari 2012 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Door het Openbaar Ministerie wordt overeenkomstig artikel 1097 Gerechte-lijk Wetboek een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opge-worpen omdat tegen de beslissing van de jeugdrechtbank in beroep van een admi-nistratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden (hierna: Voetbalwet), hoger be-roep openstaat en het vonnis van de jeugdrechtbank niet in laatste aanleg is gewe-zen.

2. Artikel 31 Voetbalwet, zoals gewijzigd bij artikel 17, 2°, wet 10 maart 2003, bepaalt : "§ 1. De overtreder die de beslissing van de in artikel 26, § 1, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de buitengewone rechtsmiddelen.

§ 2. Indien de beslissing genomen wordt ten opzichte van een minderjarige die veertien jaar was op het ogenblik van de feiten, wordt het beroep bij de jeugd-rechtbank ingediend".

Bij artikel 2 wet van 7 mei 2004 werd in artikel 36 Jeugdbeschermingswet inge-voegd: "De jeugdrechtbank neemt kennis (...) 6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administra-tieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten".

3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de wetswijziging doorvoerde om tegemoet te komen aan de door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 155/2002 van 6 november 2002 gewenste procedurele waarborgen tegenover minderjarigen die inbreuk plegen op de Voetbalwet en aan wie krachtens artikel 24quater Voetbalwet een administratief stadionverbod kan worden opgelegd. De Voetbalwet werd daarom aangevuld met specifieke procedurele waarborgen voor de minderjarigen, die geïnspireerd zijn op die waarin de wet van 8 april 1965 voorziet, wat betreft de mededeling van informatie aan de personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, het verhoor van de minderjarige en de aanwezigheid van een advocaat, en de beroepsmogelijkheid voor minderjarigen ouder dan veertien jaar aan wie een tijdelijk stadionverbod wordt opgelegd bij de jeugdrechtbank in plaats van de politierechtbank.

3. Hieruit volgt niet dat de wetgever wat de procedure ten aanzien van minder-jarigen in de Voetbalwet betreft, van de overige voorschriften van artikel 31, § 1, Voetbalwet, zoals de afwezigheid van de mogelijkheid om hoger beroep aan te te-kenen tegen deze beslissing, is afgeweken.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel

4. Krachtens artikel 22 Voetbalwet kan, behoudens wettelijk voorschrift, over-heidsbevel of een andere uitdrukkelijke en voorafgaande toelating of gerechtvaar-digde reden waaruit het geoorloofd karakter blijkt, eenieder die bepaalde zones van het stadion betreedt of poogt te betreden zonder in het bezit te zijn van een geldig toegangsbewijs voor die zone of die plaatsen betreedt of poogt te betreden die voor het publiek niet toegankelijk zijn, een of meer sancties oplopen als be-paald in de artikelen 24, 24ter en 24quater.

Artikel 24quater bepaalt dat in geval van overtreding van de artikelen 20, 20bis, 21, 21bis, 21ter, 22, 23, 23bis en 23ter, een administratief stadionverbod voor een duur van drie maanden tot vijf jaar kan worden opgelegd aan de minderjarige bo-ven de veertien jaar op het ogenblik van de feiten.

5. Artikel 31 Voetbalwet, zoals gewijzigd bij artikel 17, 2°, wet 10 maart 2003, bepaalt: "§1 . De overtreder die de beslissing van de in artikel 26, § 1, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de buitengewone rechtsmiddelen.

§ 2. Indien de beslissing genomen wordt ten opzichte van een minderjarige die veertien jaar was op het ogenblik van de feiten, wordt het beroep bij de jeugd-rechtbank ingediend".

6. Krachtens artikel 36 Jeugdbeschermingswet neemt de jeugdrechtbank ken-nis:

"4° van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de persoon die vervolgd wordt wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd voor de volle leeftijd van achttien jaar;

5° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet-opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten;

6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwed-strijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten".

Krachtens artikel 37, § 1, Jeugdbeschermingswet kan de jeugdrechtbank de in toepassing van artikel 36, 4°, voor haar gebrachte personen maatregelen van be-waring, behoeding en opvoeding opleggen, waaronder deze van artikel 37, § 2, 4°, de prestaties van opvoedkundige aard en van algemeen nut, terwijl artikel 38bis van deze wet het opleggen van administratieve sancties aan minderjarigen door de jeugdrechtbank regelt als vooreerst bepaald in artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet (1°) als vervolgens bepaald in artikel 24, tweede lid van de Voetbalwet (2°).

7. Deze bepalingen laten de jeugdrechtbank die in het kader van dergelijk beroep tegen de administratieve beslissing op grond van de Voetbalwet wordt ge-vat, niet toe de maatregelen bedoeld in artikel 37, § 1, Jeugdbeschermingswet op te leggen, of deze aan de opgelegde administratieve sanctie te substitueren.

De jeugdrechter die het opgelegde stadionverbod vervangt door een maatregel be-doeld in artikel 37, § 1 Jeugdbeschermingswet, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre dit het beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de jeugdrechtbank te Tongeren.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Voetbalwet

  • Administratieve sanctie

  • Minderjarige

  • Beroep

  • Jeugdrechtbank

  • Beslissing

  • Aanleg