- Arrest van 11 januari 2013

11/01/2013 - C.11.0607.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 2.17, eerste lid, van het BVIE, in het licht van de arresten van het Benelux-Gerechtshof A 2005/1 en A 2008/1, zo moet worden uitgelegd dat de daarin vermelde rechterlijke beroepsinstanties kennis kunnen nemen van nieuwe feitelijke gegevens die worden overgelegd in het kader van aanspraken die in dezelfde oppositieprocedure reeds werden geformuleerd voor het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, stelt het een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof (1). (1) Zie de deels andersl. concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0607.N

PARFUMERIE ICI PARIS XL nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Schaarbeeklei 499,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

PUBLICATIONS FRANCE MONDE sa, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 92534 Levallois-Perret (Frankrijk), rue Anatole France 149, die woon-plaats kiest bij gerechtsdeurwaarder mr. Luc Katra, met kantoor te 1950 Kraai-nem, Pr. Joséphine Charlotteplaats 9,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 november 2009.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 5 oktober 2012 een schriftelijke con-clusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Met de redenen vermeld in r.o. 24 van hun arrest, beantwoorden de appel-rechters het in het middel bedoeld verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

2. Uit de procedurestukken, met name de tweede conclusie voor de appelrech-ters van 12 september 2008, blijkt dat de verweerster "volledigheidshalve [...] ta-bellen [voorlegt], uitgaande van de verdeler van het weekblad ICI PARIS, met name de s.a.r.l. Nouvelles Messageries de la Presse Parisienne, ter verduidelijking van het aantal verdeelde en verkochte exemplaren in alle exportlanden tussen 2001 en 2006", en waaruit zou blijken dat "België het belangrijkste exportland is en dat samen met het Groothertogdom Luxemburg aldaar jaarlijks ongeveer 1 miljoen exemplaren van het magazine ICI PARIS worden verdeeld". De verweerster verwijst hiernaar in haar inventaris als stuk nr. 15 "tien tabellen uitgaande van NMPP aangaande de aantallen verdeelde exemplaren van het weekblad ICI PA-RIS, met bijgaande verklaring van 9 september 2008".

Verder blijkt uit de aanvullende en syntheseconclusie na tussenkomst van het ar-rest van het Benelux Gerechtshof van 26 juni 2009 dat de eiseres verzocht om dit stuk nr. 15 te weren als niet-ontvankelijk wegens "nieuw bewijsmateriaal".

3. In het bestreden arrest beslissen de appelrechters om het verweer van de ei-seres - gebaseerd op het ontbreken van bewijs van normaal gebruik van het merk "Ici Paris" - af te wijzen, in het bijzonder op grond van de overweging dat de verweerster "onder meer kleurenkopies voor[legt] van negen titelbladen van exemplaren van het blad ‘Ici Paris' [...] . Tevens legt ze lijsten voor betreffende de gecumuleerde verkoopresultaten die werden geboekt voor de jaren 2001 tot en met 2005. Daaruit blijkt dat het weekblad ook werd verkocht in België, Nederland en het Groothertogdom Luxemburg en dat er miljoenen exemplaren werden verkocht. Die gegevens laten geen enkel twijfel dat eiseres haar merk tijdens de relevante periode intens heeft gebruikt door het aan te brengen als titel voor een weekblad."

4. De appelrechters hebben aldus bij hun beoordeling van het normale gebruik van dit merk in de Benelux gegevens in aanmerking genomen die het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (hierna: BBIE) niet in aanmerking heeft kunnen nemen bij zijn oppositiebeslissing.

5. Overeenkomstig artikel 2.17, eerste lid, BVIE doen de appelrechters uit-spraak over het beroep tot vernietiging van een beslissing inzake oppositie van het BBIE.

6. In zijn arrest van 26 juni 2009 (A 2008/1) tot uitlegging van artikel 2.17, eerste lid, BVIE besliste het Benelux-Gerechtshof dat, na vernietiging van de be-slissing van het BBIE, het hof van beroep zelf uitspraak moet doen, met dien ver-stande dat dit hof alleen die gegevens in aanmerking kan nemen op grond waar-van de oppositiebeslissing door het BBIE werd genomen of had moeten genomen worden.

7. In zijn arrest van 15 december 2003 (A 2002/2) tot uitlegging van de artike-len 6bis en 6ter BMW (thans artikelen 2.11 en 2.12 BVIE), heeft het Benelux-Gerechtshof reeds geoordeeld, inzake de weigering tot inschrijving van een teken als merk op absolute gronden, dat het hof van beroep "alleen maar die gegevens in aanmerking kan nemen op grond waarvan het BMB [BBIE] heeft beslist of had moeten beslissen".

Ondervraagd over de betekenis van deze term "gegevens" heeft het Benelux-Gerechtshof vervolgens beslist, in zijn arrest van 29 juni 2006 (A 2005/1), dat uit de artikelen 6bis en 6ter BMW volgt dat de appelrechters geen kennis kunnen nemen van aanspraken die buiten de beslissing van het BMB vallen of die niet aan het BMB zijn voorgelegd. Het Hof preciseert evenwel dat, wanneer nadere gege-vens worden aangevoerd, ter ondersteuning van het verzoek om een bevel tot in-schrijving van het depot zoals dit door het BMB is beoordeeld en geweigerd, deze te beschouwen zijn als "gegevens die derhalve vallen binnen het kader van de aanspraken die aan het BMB zijn voorgelegd". Het Hof beslist vervolgens dat, in een procedure ingevolge artikel 6ter BMW (thans artikel 2.12 BVIE) nieuwe fei-telijke gegevens kunnen worden overgelegd met betrekking tot een in de inschrij-vingsprocedure naar voren gebrachte grondslag en dat zodanig nader bewijsmate-riaal door de voornoemde appelrechters in aanmerking kan worden genomen bij de beantwoording van de vraag of het BMB al dan niet terecht de inschrijving van het depot heeft geweigerd.

8. Hieruit volgt dat zowel in een beroepsprocedure tegen een beslissing van het BBIE tot weigering van de inschrijving van een teken als merk op absolute gron-den (artikel 2.12 BVIE) als in een beroepsprocedure tegen een beslissing van het BBIE op oppositie, genomen op grond van artikel 2.16, lid 4, BVIE (artikel 2.17 BVIE), de appelrechters enkel die gegevens in aanmerking kunnen nemen op grond waarvan het BBIE heeft beslist of had moeten beslissen. In de eerstge-noemde procedure kunnen de appelrechters tevens rekening houden met nieuwe feitelijke gegevens die worden overgelegd in het kader van aanspraken die reeds werden geformuleerd voor het BBIE.

9. Uit het arrest in de zaak A 2008/1 kan niet met zekerheid worden afgeleid dat de term "gegevens" in de laatst genoemde beroepsprocedure in dezelfde zin moet worden geïnterpreteerd als uiteengezet in het arrest van 29 juni 2006 (A 2005/1).

10. De beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing doet aldus een vraag rijzen over de interpretatie van artikel 2.17 BVIE. Laatstgenoemde bepaling is een rechtsregel die gemeen is aan België, Luxemburg en Nederland in de zin van artikel 1 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van het Benelux-Gerechtshof.

De noodzaak van een beslissing over de uitlegging van de rechtsregel vervat in het genoemde artikel 1, noopt het Hof de in het dictum gepreciseerde vraag aan het Benelux-Gerechtshof voor te leggen.

Dictum

Het Hof,

Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux-Gerechtshof bij prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag:

"Moet artikel 2.17, eerste lid, BVIE, in het licht van de arresten A 2005/1 en A 2008/1, zo worden uitgelegd dat de daarin vermelde rechterlijke beroepsinstanties kennis kunnen nemen van nieuwe feitelijke gegevens die worden overgelegd in het kader van aanspraken die in dezelfde oppositieprocedure reeds werden geformu-leerd voor het BBIE?"

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in open-bare rechtszitting van 11 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

B. Wylleman

G. Jocqué

A. Smetryns

B. Deconinck

E. Stassijns

Vrije woorden

  • Inschrijving

  • Oppositie

  • Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom

  • Beslissing

  • Beroep tot vernietiging

  • Hof van beroep

  • Gegevens die in aanmerking kunnen genomen worden

  • Nieuwe feitelijke gegevens

  • Benelux-Gerechtshof

  • Prejudiciële geschillen