- Arrest van 14 januari 2013

14/01/2013 - C.11.0341.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vermits de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen, kan hij dit doen tot aan het sluiten van het debat (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0341.N

1. D.V.C.,

2. E.V.C.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kie-zen,

tegen

1. A.D,

2. M.V.W.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen,

3. W.V.C,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 10 september 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 november 2012 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 16 november 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. Het blijkt niet dat na de afstand van hoger beroep door de derde verweerder tussen deze en de eisers voor de appelrechters nog een geding bestond.

Het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de derde verweerder kan alleen strek-ken tot de bindendverklaring van het arrest.

Eerste onderdeel

2. Artikel 1054, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of voor de betekening erin berust heeft.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het incidenteel beroep echter niet kan worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

Artikel 825, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat om geldig te zijn de af-stand van geding moet aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.

Artikel 826, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege inhoudt dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen ge-ding geweest was.

3. De afstand van geding door de eiser in hoger beroep kan niet gelijkgesteld worden met een nietigheid of laattijdigheid van het hoger beroep.

Vermits de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instel-len, kan hij dit doen tot aan het sluiten van het debat.

4. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat wanneer de eiser in hoger be-roep afstand van geding doet, het incidenteel beroep van de gedaagde in hoger beroep alleen dan niet ontvankelijk is, wanneer hij de afstand van geding heeft aangenomen.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- de derde verweerder afstand heeft gedaan van zijn hoger beroep bij conclusie neergelegd op 26 februari 2010;

- de eisers incidenteel beroep hebben ingesteld bij conclusie neergelegd op 14 mei 2010.

Zij oordelen dat het incidenteel beroep van de eisers niet kan aangezien worden als een incidenteel beroep, maar als een hoger beroep ingesteld bij conclusie over-eenkomstig artikel 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Zij oordelen tevens dat het hoger beroep van de eisers dat is ingesteld meer dan een maand na de betekening van het beroepen vonnis, wegens laattijdigheid niet ontvankelijk is.

6. De appelrechters die niet vaststellen dat de eisers de afstand van geding door de derde verweerder hebben aanvaard, konden niet zonder schending van de aangewezen wetsbepalingen oordelen dat het hoger beroep van de eisers geen in-cidenteel beroep was en dit beroep wegens laattijdigheid niet ontvankelijk verkla-ren.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het aan de derde verweerder akte geeft van zijn afstand van het hoger beroep .

Verklaart het arrest bindend voor de derde verweerder.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in open-bare rechtszitting van 14 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Tijdstip