- Arrest van 17 januari 2013

17/01/2013 - C.11.0684.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 34, §2, 3°, en 63, §1, 2°, zoals het van toepassing was op de feiten, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer volgt niet dat de bestuurder die werd veroordeeld omdat hij, zonder gewettigde reden geweigerd heeft, de in voornoemd artikel 63, §1, 2°, vermelde bloedproef te ondergaan, vermoed wordt zich in een staat van alcoholintoxicatie te bevinden (1) (2). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .(2) Art. 63, §1, 2°, zoals het van toepassing was op de feiten, in de versie ervan vóór de wijziging bij Wet 31 juli 2009.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0684.F

AG INSURANCE nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

V. C. T,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 26 april 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 7 december 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 34, § 2, 3°, en 63, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer;

- algemeen rechtsbeginsel van het gezag van rechterlijk gewijsde in strafzaken, dat onder meer is vastgelegd door artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

- de artikelen 1134,eerste lid, 1315, tweede lid, 1319, 1320, 1322, 1349 tot 1352 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Beslissing die de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerder van 28.625,34 euro vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 6 februari 2007 en van de kosten in eerste aanleg en hoger beroep.

"De [eiseres] voert artikel 4.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden aan volgens welke de dekking uitgesloten is voor de schadegevallen veroorzaakt door een bestuurder in staat van dronkenschap of van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 gram/liter bloed (zijnde 0,65 mg/l uitgeademde alveolaire lucht).

[De verweerder] is terecht van oordeel dat de [eiseres] het bewijs moet leveren van de staat van dronkenschap of van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 gr./l.

(...)

Krachtens artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek dient de verzekeraar het bewijs te leveren van de grond van verval.

(...)

Enerzijds kan er geen enkel gevolg worden afgeleid uit een vrijspraak op grond van twijfel.

‘De vrijspraak op grond van twijfel stelt (immers) op positieve wijze vast dat de schuld van de beklaagde of diens deelname aan de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden. Ongeacht de mate van zekerheid waarop de rechter zijn beslissing steunt, heeft zij dezelfde uitwerking, is zij algemeen en geldt zij erga omnes'.

Anderzijds is niet voldoende aangetoond dat [de verweerder] in staat van dron-kenschap verkeerde op het ogenblik van de feiten.

De tekenen die de verbalisanten vermelden, worden niet bevestigd door de overige gegevens van het dossier.

(...)

De [eiseres] bewijst evenmin een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 gr./l.

Zij wijt dit gebrek aan de gedraging [van de verweerder] die, volgens haar, geweigerd heeft zowel de ademtest als de bloedproef te laten nemen.

Het dossier toont aan dat [de verweerder] door de werking van de airbag een wonde heeft opgelopen aan het slijmvlies van zijn bovenlip en een letsel aan de binnenkant van zijn rechter onderlip, wat zijn verklaring dat hij tevergeefs gepro-beerd heeft de ademtest te doen, geloofwaardig maakt.

Dienaangaande is het verwonderlijk dat de verbalisanten, zoals de politierechtbank erop wees, niet de moeite hebben gedaan om [verweerders] verklaring op te nemen ten tijde van de feiten maar pas zes maanden later. In die verklaring heeft [de verweerder] echter betwist dat hij bewust de bloedafname heeft geweigerd. Hij heeft verklaard dat hij eerst naar het toilet wou, wat hem zou zijn geweigerd door de verbalisanten die nadien vertrokken zijn.

Gelet op deze gegevens is het niet voldoende bewezen dat [de verweerder] opzet-telijk de bloedproef heeft geweigerd om aldus te beletten dat zijn verzekeraar kon bewijzen dat zijn eventuele staat van alcoholintoxicatie waarden vertoonden die hoger lagen dan die welke in de overeenkomst bepaald waren.

[De verweerder] is weliswaar veroordeeld omdat hij de bloedproef zonder wettige reden heeft geweigerd.

Die veroordeling bewijst echter niet dat [de verweerder] door een kunstgreep zijn verzekeraar heeft willen misleiden.

Artikel 34, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer stelt de weigering van de bloedproef zonder wettige reden strafbaar. De reden wordt wettig geacht wanneer de opgevorderde arts een door de persoon aangevoerde medische reden vaststelt.

In deze zaak is de door [de verweerder] aangevoerde reden (kortstondige weigering gevolgd door het vertrek van de verbalisanten) niet wettig in de zin van die bepaling. Enkel uit die omstandigheden kan echter niet worden afgeleid dat [de verweerder] elke bewijslevering onmogelijk zou hebben gemaakt, te kwader trouw zou zijn geweest en opzettelijk zijn verzekeraar belet zou hebben het bewijs van zijn alcoholintoxicatie te leveren.

De weigering vormt als dusdanig niet de oorzaak of een van de oorzaken van het ongeval, ook al klopt het dat het daardoor onmogelijk werd zijn alcoholgehalte exact te bepalen.

In die omstandigheden kan die weigering niet leiden tot het weigeren van de dek-king, dat niet uitdrukkelijk in de overeenkomst is overeengekomen, en kan zij ook geen omkering veroorzaken van de regels betreffende de bewijslast.

De [eiseres] kan alleen op grond van de bevindingen van de verbalisanten niet aantonen dat [de verweerder] de loyale uitvoering van de verzekeringsovereenkomst zou hebben belemmerd.

Het is immers onvoldoende bewezen dat [de verweerder] de voorgeschreven al-coholtests opzettelijk niet heeft willen ondergaan om elke nuttige vaststelling te vermijden, en inzonderheid omdat de verbalisanten nagelaten hebben de dag van de feiten [verweerders] verklaring op te nemen.

Uit het bovenstaande volgt dat de verzekeringsmaatschappij het schadegeval moet dekken".

Grieven

Het bestreden vonnis wijst erop dat de verweerder op 9 april 2008 door de politierechtbank veroordeeld werd omdat hij de bloedafname "zonder wettige reden" had geweigerd.

Die veroordeling steunt op artikel 34, § 2, 3°, van de gecoördineerde wetten be-treffende de politie over het wegverkeer (koninklijk besluit van 16 maart 1968) krachtens hetwelk degene die, zonder wettige reden, geweigerd heeft de bloedproef bedoeld in artikel 63 (...) te laten nemen, met een geldboete van 25 euro tot 500 euro wordt gestraft.

Artikel 63, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 preciseert dat de betrokken persoon een bloedproef moet ondergaan in het geval noch de ademtest noch de ademanalyse uitgevoerd konden worden en betrokkene duidelijke tekenen van alcoholopname vertoont of zich "blijkbaar" bevindt in de toestand bedoeld in artikel 34, § 2 (alcoholintoxicatie) of in de toestand bedoeld in artikel 35 (dron-kenschap).

Uit de bepalingen volgt dat de verplichting om in te stemmen met de bloedproef, onderstelt dat de betrokkene zich "blijkbaar" in een staat van alcoholintoxicatie bevindt. De strafrechtelijke veroordeling wegens weigering de bloedproef te laten nemen, heeft tot gevolg dat de bestuurder die zonder wettige reden die bloedproef heeft geweigerd, geacht wordt zich in een toestand van alcoholintoxicatie te bevinden en dat hij dus het bewijs van het tegendeel moet leveren.

Aangezien het vermoeden een bewijs is (artikelen 1349 tot 1352 van het Burgerlijk Wetboek) moet degene die het betwist eventueel het bewijs van het tegendeel leveren.

Anders gezegd, verweerders strafrechtelijke veroordeling wegens weigering om zonder wettige reden een bloedproef te ondergaan impliceert, gelet op het gezag van gewijsde van die veroordeling, dat de verweerder vermoed wordt zich op het ogenblik van het ongeval in een toestand van alcoholintoxicatie te hebben bevon-den en dat hij dat vermoeden moet weerleggen, en niet dat de eiseres dient te be-wijzen dat hij zich in een toestand van alcoholintoxicatie bevond.

Het is ondenkbaar dat een strafrechtelijke veroordeling wegens weigering om zonder wettige reden een bloedproef te laten nemen, losgekoppeld kan worden van het vermoeden dat die veroordeelde zich in staat van alcoholintoxicatie bevond.

In deze zaak staat zeker vast dat de verweerder moet bewijzen dat hij niet in een staat van alcoholintoxicatie verkeerde, omdat het bestreden vonnis vastgesteld heeft dat zijn weigering de bloedproef te ondergaan zijn verzekeraar (de eiseres) "belet" heeft zijn eventuele staat van alcoholintoxicatie aan te tonen.

Krachtens de artikelen 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet degene die een feit aanvoert dat hem bevrijdt, het bewijs ervan leveren.

Het vonnis overweegt tevergeefs dat de verzekeringsovereenkomst niet uitdrukkelijk bepaalt dat er geen dekking wordt verleend wanneer een bloedproef wordt geweigerd, en dat verweerders weigering een bloedproef te ondergaan hoe dan ook niet de oorzaak of een van de oorzaken van het ongeval is.

Krachtens artikel 4.1 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis die de partijen bond (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek), dient de eiseres haar dekking niet te verlenen voor schadegevallen veroorzaakt door een bestuurder in staat van alcoholintoxicatie.

Die bepaling sluit de dekking van de eiseres uit wanneer het schadegeval is "ver-oorzaakt door een bestuurder in staat van alcoholintoxicatie". Zij doet de uitsluiting van de dekking niet afhangen van de voorwaarde dat het ongeval bovendien veroorzaakt moet zijn door een staat van alcoholintoxicatie.

Er kan niet worden gesteld dat de eiseres haar dekking niet verschuldigd is omdat de verzekeringsovereenkomst niet "uitdrukkelijk" bepaalt dat dekking uitgesloten is wanneer de verzekerde weigert een bloedproef te ondergaan, en omdat de eiseres niet aantoont dat het ongeval veroorzaakt is door verweerders staat van alcoholintoxicatie, terwijl de verweerder, volgens de vaststellingen zelf van het vonnis, de eiseres belet heeft zijn staat van alcoholintoxicatie te bewijzen door zonder wettige redenen een bloedafname te weigeren.

Zoals hierboven wordt gesteld, diende de verweerder, die de bloedproef had geweigerd en die de op artikel 4.1 van de algemene voorwaarden van de verzeke-ringspolis gegronde uitsluiting van de dekking van de verzekeraar betwistte, te bewijzen dat hij op het ogenblik van het ongeval het voertuig niet in staat van al-coholintoxicatie bestuurde.

Daaruit volgt dat het vonnis, door verweerders rechtsvordering aan te nemen op grond dat de eiseres diende te bewijzen dat verweerders staat van alcoholintoxicatie 1,5 gr./l. overschreed, wat zij niet doet, de in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen schendt; meer bepaald wanneer het oordeelt dat de veroordeling van de verweerder omdat hij zonder wettige reden weigerde een bloedproef te ondergaan, geen bewijs van een alcoholintoxicatie inhoudt, en zegt dat de eiseres dat bewijs dient te leveren,

1° het gezag van gewijsde miskent van het vonnis van de politierechtbank van 9 april 2008 (miskenning van het algemeen beginsel van het rechterlijk gewijsde in strafzaken);

2° de artikelen 34, § 2, 3°, en 63, § 1, 2°, van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer schendt die de bloedproef opleggen en de weigering die te laten nemen strafbaar stellen;

3° de regels betreffende het bewijs door vermoeden (artikelen 1349 tot 1352 van het Burgerlijk Wetboek) en betreffende de bewijslast schendt en meer bepaald de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, krachtens welke degene die een vermoed feit betwist, en in deze zaak aanvoert dat een "uitsluiting" niet op hem toepasselijk is, het bewijs moet leveren van het feit dat hem bevrijdt;

4° tot slot door te stellen dat de toepassing van artikel 4.1 van de algemene voor-waarden van de verzekeringsovereenkomst tussen de partijen niet uitdrukkelijk doelt op de weigering om een bloedproef te ondergaan en dat de toepassing ervan onderstelt dat wordt bewezen dat verweerders staat van alcoholintoxicatie het on-geval heeft veroorzaakt, dat artikel 4 uitlegt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en bijgevolg de bewijskracht van dat artikel 4.1 miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Het miskent bovendien de verbindende kracht tussen partijen van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Uit de artikelen 34, § 2, 3°, en 63, § 1, 2°, zoals het van toepassing was op de fei-ten, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten be-treffende de politie over het wegverkeer volgt niet dat de bestuurder die werd veroordeeld omdat hij, zonder wettige reden geweigerd heeft, de in voornoemd artikel 63, § 1, 2°, vermelde bloedproef te ondergaan, vermoed wordt zich in een staat van alcoholintoxicatie te bevinden.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Voor het overige bepaalt artikel 4.1 van de algemene voorwaarden van de verze-keringsovereenkomst tussen de partijen dat de eiseres "de schadegevallen veroor-zaakt door een bestuurder in staat van dronkenschap, strafbare alcoholintoxicatie of een gelijkaardige toestand veroorzaakt door andere dan alcoholische producten [niet verzekert], tenzij de verzekerde bewijst dat er geen oorzakelijk verband be-staat tussen deze gevallen van grove schuld en het schadegeval".

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, oordeelt het bestreden vonnis niet dat de toepassing van die contractuele bepaling het bewijs onderstelt dat het ongeval veroorzaakt is door de verweerders staat van alcoholintoxicatie, maar dat de eiseres dient te bewijzen dat de verweerder op het ogenblik van het ongeval in een dergelijke staat verkeerde.

Voor het overige geeft het bestreden vonnis, dat oordeelt dat de weigering om een bloedproef te ondergaan "geen toereikende reden is om de verzekeringsdekking te weigeren die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst wordt vermeld" aan voornoemd artikel 4.1 geen uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het bijgevolg niet de bewijskracht ervan, noch de verbindende kracht tussen partijen van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raads-heer Didier Batselé, als voorzitter, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delan-ge, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2013 uitgesproken door raadsheer Didier Batselé, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 63

  • Alcoholintoxicatie

  • Bewijs

  • Bloedproef

  • Weigering