- Arrest van 18 januari 2013

18/01/2013 - F.12.0025.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 49 WIB92, waarin de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden van de beroepskosten worden geformuleerd, laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan werkelijke prestaties beantwoorden (1). (1) Zie de concl. van O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0025.N

VAN BRAECKEL nv, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Kortrijksesteen-weg 255,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 604,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 21 juni 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 november 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Deze bepaling, waarin de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden worden gefor-muleerd, laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan werkelijke pres-taties beantwoorden.

De belastingplichtige moet het bewijs leveren dat de kosten waarvan hij de aftrek vraagt, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties.

2. Het bestaan van een niet-gesimuleerde overeenkomst houdt op zich niet het bewijs in dat de kosten die worden aangerekend door de medecontractant van de belastingplichtige effectief steunen op werkelijk geleverde prestaties.

Buiten ieder geval van simulatie om is het mogelijk dat een kost in uitvoering van een dergelijke overeenkomst die wordt aangerekend aan de belastingplichtige niet in aanmerking komt voor aftrek omdat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 niet is voldaan.

3. De appelrechter oordeelt dat door de eiseres niet wordt bewezen dat het stu-diewerk en aanbrengen van projecten waarvoor eiseres beroepskosten in mindering brengt wel gebeurden door of voor rekening van E.T. nv. Zij geven aldus te kennen dat de eiseres de werkelijkheid van de door haar medecontractant gelever-de prestaties niet kan bewijzen.

Anders dan het onderdeel aanvoert, houdt dit oordeel van de appelrechter niet in dat de overeenkomst tussen de eiseres en E.T. nv gesimuleerd is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. De appelrechter oordeelt dat:

- wat het aanbrengen van projecten betreft, de activiteit van E.T. nv onder meer veronderstelt dat zij contact opnam met de klanten en hun de nodige informatie kon bezorgen qua prijs, uit te voeren werken en dergelijke meer;

- uit niets is af te leiden dat het E.T. nv was die voor de betrokken aanslagjaren aldus met klanten contact had, hun prijsinformatie gaf, inzicht gaf in de aard en de omvang van de uit te voeren werken, de duurtijd ervan, enz...., kortom de nodige informatie verschafte waarop zij zich konden steunen om in te zien welke gevolgen het uitvoeren van een bepaald project voor hen zou hebben of kunnen hebben, zodat zij met kennis van zaken konden beslissen om het project te laten uitvoeren;

De appelrechter geeft aldus te kennen dat de contacten van E.T. nv met de klanten een noodzakelijk onderdeel vormen van haar opdracht om projecten aan te brengen ten gunste van de eiseres.

5. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de appelrechter niet dat het studiewerk van E.T. nv uitsluitend ten gunste van de aangebrachte klanten ge-beurde.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. De appelrechter oordeelt met betrekking tot stuk 8 van de eiseres dat:

- het niet onmogelijk is, zoals de eiseres voorhoudt, dat het voorbereidingen be-treft voor werken die door haar dan in latere jaren zouden zijn uitgevoerd, maar dat dit dan zou moeten bewezen worden door de eiseres wat zij niet doet;

- er geen werkelijke prestaties van E.T. nv uit het stuk 8 zijn af te leiden.

De appelrechter oordeelt met betrekking tot stuk 9 van de eiseres dat dezelfde opmerking dient te worden gemaakt als voor stuk 8.

7. Hieruit volgt dat de appelrechter oordeelt dat de door E.T. nv gefactureerde bedragen niet in aanmerking komen voor aftrek omdat de eiseres er niet in slaagt te bewijzen dat de bedoelde voorbereidingen en prestaties daadwerkelijk door E.T. nv werden verricht en verband houden met werken die door de eiseres zou-den zijn uitgevoerd.

Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de appelrechter niet dat de aftrek-baarheid van uitgaven afhankelijk is van de voorwaarde dat de inkomsten tot het verkrijgen of behouden waarvan zij strekken, tot hetzelfde belastbaar tijdperk zouden behoren.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

8. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de appelrechter niet dat de be-lastingplichtige moet bewijzen dat de voorbereidingen verricht door een derde en voorwerp van zijn facturatie slaan op een ander belastbaar tijdperk.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 118,74 euro en voor de verweerder op 106,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué B. Deconinck E. Stassijns

Vrije woorden

  • Aftrekbaarheidsvoorwaarden