- Arrest van 22 januari 2013

22/01/2013 - P.12.0625.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die de plicht heeft mits eerbiediging van het recht van verdediging aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven, oordeelt onaantastbaar of het feit dat hij anders omschrijft en waarvoor hij de beklaagde veroordeelt, hetzelfde is als het feit dat aan de vervolging ten grondslag ligt; het Hof gaat enkel na of de feitelijke elementen die de rechter in aanmerking neemt, zijn beslissing omtrent de toepasselijke wetsomschrijving kunnen schragen (1). (1) Zie: Cass. 13 sept. 2005, AR P.05.0657.N, AC 2005, nr. 430.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0625.N

H H G H,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN nv, met zetel te 7333 NP Apeldoorn (Nederland), Laan van Malkenschoten 20,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 7 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De appelrechters stellen vast dat de beoordeling van de burgerlijke rechts-vordering niet in staat van wijzen is en heropenen het debat te dien einde.

Die beslissing is geen eindbeslissing en valt evenmin onder een van de gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert, naast de in de respectieve onderdelen vermelde wets-schendingen, schending aan van artikel 149 Grondwet.

3. Het geeft evenwel niet aan hoe of waardoor het arrest deze bepaling schendt.

In zoverre is het middel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 461 en 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek: de misdrijven diefstal en heling zijn volledig van elkaar te on-derscheiden en veronderstellen per definitie verschillende feiten; de appelrechters die de aanvankelijke telastlegging van diefstal heromschrijven in heling, stellen ten onrechte dat de eiser nog steeds voor dezelfde feiten wordt vervolgd; het arrest miskent het wettelijk begrip "diefstal" door te beschouwen dat het zich uitstrekt tot het bedrieglijk inbezitnemen van het gestolen goed door een andere persoon dan de dief en het wettelijk begrip "heling" door te beschouwen dat het zich uit-strekt tot het bedrieglijk wegnemen van andermans zaak.

5. Zowel diefstal als heling zijn misdrijven tegen de eigendom. Ook al zijn de constitutieve bestanddelen van beide misdrijven verschillend, kan een handeling van een beklaagde betreffende een bepaalde zaak ten nadele van een bepaalde persoon een diefstal of een heling uitmaken.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. De rechter die de plicht heeft mits eerbiediging van het recht van verdedi-ging aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven, oordeelt on-aantastbaar of het feit dat hij anders omschrijft en waarvoor hij de beklaagde ver-oordeelt, hetzelfde is als het feit dat aan de vervolging ten grondslag ligt.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de rechter, is het niet ontvankelijk.

7. Het Hof gaat enkel na of de feitelijke elementen die de rechter in aanmer-king neemt, zijn beslissing omtrent de toepasselijke wetsomschrijving kan schra-gen.

Met de redenen die het arrest (rubriek 4.3.2) bevat, verantwoorden de appelrech-ters hun beslissing naar recht dat het feit dat zij omschrijven als heling, hetzelfde is als de feitelijke gebeurtenis die het voorwerp uitmaakte van de verwijzingsbe-schikking en alsdan omschreven werd als diefstal. Aldus miskennen zij de wette-lijke begrippen "diefstal" en "heling" niet.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 130, 179, 182, eerste lid, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de rechter vermag zich enkel uit te spreken omtrent de feiten waarvan hij op wettelijke wijze gevat werd; de appelrechters heromschrijven de aanvankelijke telastlegging diefstal in heling en wijzigen eveneens de geïncrimineerde periode "in de nacht van 11 op 12 januari 2008" in "op 12 januari 2008"; door de eiser te veroordelen wegens feiten van heling buiten de aanvankelijke geïncrimineerde periode, na de feiten van diefstal, gepleegd op 11 januari 2008, beoordelen de appelrechters andere feiten dan diegene waarvan zij gevat waren.

9. In correctionele of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhan-gig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.

Die eerste kwalificatie en omschrijving zijn voorlopig en het vonnisgerecht heeft, ook in hoger beroep, het recht en de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging, aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven.

Om tot heromschrijving te kunnen overgaan, is niet vereist dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en van het heromschreven misdrijf dezelfde zijn. Vereist is dat de nieuwe omschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de feitelijke gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt, wat ook het tijdstip waarop het misdrijf is gepleegd, kan betreffen.

10. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de ap-pelrechters dat het feit dat zij heromschrijven als heling gepleegd op 12 januari 2008, dezelfde feitelijke gebeurtenis uitmaakt als deze die het voorwerp was van de vervolging, is het niet ontvankelijk.

11. Met de redenen die het arrest (rubriek 4.3.2) bevat, verantwoorden de appel-rechters hun beslissing naar recht dat het feit dat zij omschrijven als heling ge-pleegd op 12 januari 2008, hetzelfde is als de feitelijke gebeurtenis die het voor-werp uitmaakte van de verwijzingsbeschikking en alsdan omschreven werd als diefstal in de nacht van 11 op 12 januari 2008.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

12. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: op de rechtszitting van 25 januari 2012 hebben de appelrechters de wijziging van de ge-incrimineerde periode van de feiten van de telastlegging A doorgevoerd zonder de zaak uit te stellen teneinde de eiser de mogelijkheid te geven zijn verweer voor te bereiden aangaande de vervolging op grond van andere feiten dan deze, zoals aanvankelijk omschreven.

13. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 25 januari 2012 blijkt dat:

- de eiser in kennis werd gesteld van de precisering van de geïncrimineerde pe-riode met betrekking tot de telastlegging A;

- hij alsdan in de gelegenheid werd gesteld om zijn middelen van verdediging hieromtrent naar voor te brengen;

- hij gehoord werd in zijn middelen van verdediging zonder dat hij om uitstel van de behandeling van de zaak heeft verzocht.

De eiser vermag niet voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het recht van verdediging werd miskend wegens een gebrek aan uitstel van de zaak dat hij niet gevraagd heeft aan de appelrechters.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

14. Het middel voert, naast de in de respectieve onderdelen vermelde wets-schendingen, schending aan van artikel 197 Strafwetboek.

Het geeft evenwel niet aan hoe of waardoor het arrest deze wetsbepaling schendt.

In zoverre is het middel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 130, 179, 182, eerste lid, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de rechter vermag zich enkel uit te spreken omtrent de feiten waarvan hij op wettelijke wijze gevat werd; door het wijzigen van de geïncrimineerde periode van de telastlegging A wordt de eiser niet langer vervolgd onder de telastlegging B wegens valsheid in geschrifte in het raam van een diefstal teneinde zijn eigendomstitel als dief te onderbouwen, maar in het raam van een heling teneinde zijn rechtmatig bezit als heler te onder-bouwen; aldus beoordelen de appelrechters andere feiten dan diegene waarvan zij gevat waren.

16. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de eiser onder de telastlegging B werd vervolgd uit hoofde van valsheid in geschrifte met het oogmerk het misdrijf van diefstal waarvoor hij vervolgd werd onder de telastlegging A, te verdoezelen.

17. De appelrechters oordelen naar recht dat het misdrijf van de telastlegging A dient heromschreven te worden naar heling, wat tot gevolg heeft dat het oogmerk van de valsheid in geschrifte niet langer het verdoezelen is van de diefstal zoals oorspronkelijk omschreven in de telastlegging A, maar van de heling zoals om-schreven in die telastlegging.

18. Het onderdeel dat volledig is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

19. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: op de rechtszitting van 25 januari 2012 hebben de appelrechters de wijziging van de ge-incrimineerde periode van het feit van de telastlegging B doorgevoerd zonder de zaak uit te stellen teneinde de eiser de mogelijkheid te geven zijn verweer voor te bereiden aangaande de vervolging op grond van andere feiten dan deze, zoals aanvankelijk omschreven.

20. De eiser vermag niet voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het recht van verdediging werd miskend wegens een gebrek aan uitstel van de zaak dat hij niet gevraagd heeft aan de appelrechters.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 196 Strafwetboek en artikel 25 Wetboek van Koophandel: een factuur levert slechts bewijswaarde op na con-trole en aanvaarding door de koper of bestemmeling; het arrest verklaart de eiser schuldig aan het opstellen van een valse factuur met het oog op het zich verweren voor de correctionele rechter; het opstellen van een factuur met het oog op het ge-bruik ervan in conclusies en meer in het algemeen in het raam van zijn verweer, dringt zich echter niet op aan het maatschappelijk vertrouwen.

22. Een niet waarheidsgetrouwe factuur kan tegenover derden die de inhoud er-van op zijn juistheid niet kunnen controleren, een strafbare valsheid uitmaken.

23. Het misdrijf valsheid in geschrifte als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek, bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met be-drieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.

Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het juridisch feit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hech-ten.

Het laten opmaken van een valse factuur door de leverancier van het van misdrijf afkomstige goed teneinde de indruk te wekken tegenover derden, waaronder de gerechtelijke overheid, dat de koper op rechtmatige wijze in het bezit van dat goed is gekomen en aldus de heling ervan te verdoezelen, kan het misdrijf van valsheid in geschrifte opleveren. Hierdoor kan de gerechtelijke overheid immers overtuigd worden van de waarachtigheid van het valselijk aangegeven juridische feit en kunnen de rechtmatige belangen van de benadeelde eigenaar om schadeloosstelling te bekomen, worden geschaad.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, evenals miskenning van het recht van verdediging: het ar-rest stelt vast dat de eiser het van valsheid betichte stuk niet heeft vervalst; het stelt evenwel niet vast in welke hoedanigheid de eiser schuldig wordt verklaard wegens valsheid in geschrifte, noch op welke wijze hij aan dat misdrijf heeft deel-genomen; aldus kan het Hof zijn wettelijke controletaak niet uitoefenen; in zoverre de eiser zou veroordeeld zijn wegens mededaderschap op grond van andere daden van deelneming dan deze, opgesomd in artikel 66, tweede en derde lid, Straf-wetboek, werd de eiser niet de mogelijkheid geboden daarover verweer te voeren.

25. Degene die een derde als louter instrument gebruikt om een misdrijf te doen plegen, is zelf de uitvoerder van dat misdrijf in de zin van artikel 66, tweede lid, Strafwetboek, en niet de morele dader ervan door aanzetting, in de zin van artikel 66, vierde lid, Strafwetboek.

26. De appelrechters verklaren de eiser schuldig aan valsheid in geschrifte om-dat hij bij de inbezitname van het door hem geheelde goed zich door de leveran-cier een factuur liet opstellen, wetende dat zij wat betreft de herkomst van het goed vals zou zijn, teneinde in zijnen hoofde een schijn van goede trouw te laten ontstaan en op die wijze zijn situatie van aankoper van een geheeld goed te ver-sterken ten nadele van de werkelijke eigenaar.

Aldus oordelen zij wettig dat de eiser schuldig is als uitvoerder van de valsheid in geschrifte en miskennen zij eisers recht van verdediging niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

27. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 197 Strafwetboek: het louter passief bezit van valse stukken maakt geen gebruik van valse stukken uit; het arrest bepaalt niet welk actief gebruik de eiser van dit stuk heeft gemaakt zodat het Hof zijn wettigheidscontrole niet kan uitvoeren; de aan-wending van dat stuk voor de correctionele rechter in het raam van een verweer is evenmin een strafrechtelijk sanctioneerbaar gebruik ervan wanneer dit beweerde-lijk vals stuk het voorwerp is van de telastlegging.

28. De appelrechters veroordelen de eiser wegens de telastleggingen A, B en C samen tot één straf.

Deze straf is naar recht verantwoord door het bewezen verklaren van de telastleg-gingen A en B.

Het middel dat slechts betrekking heeft op telastlegging C, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 86,13 euro.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Strafvordering

  • Kwalificatie van de feiten

  • Verplichting van de rechter

  • Herkwalificatie

  • Onaantastbare beoordeling of dat feit aan de grondslag van de vervolging

  • Marginale toetsing