- Arrest van 22 januari 2013

22/01/2013 - P.13.0006.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De voorlopige maatregelen bedoeld in artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet worden genomen op een ogenblik waarop het als misdrijf omschreven feit nog niet bewezen is en de jeugdrechter mag zich op dat ogenblik nog niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld of onschuld van de minderjarige, wat hij wel zal moeten doen in alle onafhankelijkheid als hij ten gronde oordeelt; hij dient bijgevolg niet vast te stellen dat er door de minderjarige tussen twaalf en veertien jaar daadwerkelijk een ernstige aanslag zou zijn gepleegd op een persoon, zoals voor een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding wordt vereist wanneer de jeugdrechter ten gronde uitspraak doet, of dat er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de minderjarige bestaan (1). (1) Cass. 16 okt. 2012, AR P.12.1584.N, AC 2012, nr. 537.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0006.N

J E,

minderjarige,

eiser,

met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie te Brussel,

in aanwezigheid van

1. B E,

vader van minderjarige,

2. F D,

moeder van minderjarige.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 5 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes grieven aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert schending aan van artikel 26, § 2, 2° en 4°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: de eiser had de appelrechter verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof; de appelrechter wijst dit verzoek af om re-den dat het Grondwettelijk Hof bij arrest van 13 maart 2008 die vraag reeds zou hebben beantwoord; nochtans was het onderwerp en de invalshoek van de voorge-stelde vraag geenszins identiek aan de vraag die bij voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof werd beantwoord; bovendien moest de appelrechter die ge-confronteerd werd met verwijzingen naar schendingen van Europees of interna-tionaal recht, dit vooreerst evalueren en desnoods een prejudiciële vraag stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; het arrest dat het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag afwijst, dient te worden vernietigd; minstens verzoekt de eiser dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, desgevallend aan het Grondwettelijk Hof.

2. Artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt: "Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit col-lege het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.

Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden:

(...)

2° wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. (...)"

3. Uit de appelconclusie van de eiser, neergelegd op de rechtszitting van de jeugdkamer van 29 november 2012, blijkt dat hij de appelrechter verzocht "voor-afgaandelijk een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, met name of de bepalingen van de Wet op de Jeugdbescherming met betrekking tot voorlopige maatregelen opzichtens minderjarigen tussen 12 en 14 jaar jong, in het bijzonder voor wat een plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling betreft, niet strijdig zijn met de bepalingen welke gelden voor meerderjarigen in het kader van de voorlopige hechteniswet, in het bijzonder voor wat betreft de manifeste noodzaak van de aanwezigheid van ‘aanwijzingen van schuld' teneinde iemand van zijn vrijheid te kunnen beroven."

4. Met verwijzing naar de redenen (ro B.26.1 tot B.26.6) van het arrest nr. 49/2008 van het Grondwettelijk Hof van 13 maart 2008 verantwoordt de appel-rechter zijn beslissing naar recht de prejudiciële vraag, zoals geformuleerd, niet te stellen.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

5. In zoverre de grief schending aanvoert van artikel 26, § 2, 4°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, dat niet bestaat, is hij wegens onduidelijkheid niet ont-vankelijk.

6. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling voorziet in de moge-lijkheid tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

7. Het Hof is om de redenen, vermeld in artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof evenmin gehouden de prejudiciële vraag, zoals thans gefor-muleerd, te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Tweede grief

8. De grief voert schending aan van de artikelen 3.1 en 37 Kinderrechtenver-drag en artikel 22bis Grondwet, evenals miskenning van de motiveringsplicht en het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door het EVRM, het IVBPR en de Grondwet: artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat ten aanzien van minderjarigen die twaalf jaar oud zijn of meer, een plaatsings-maatregel in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsin-stelling vereist dat vaststaat dat er een ernstige aanslag zou gepleegd zijn op een persoon of dat het gedrag van de minderjarige uitzonderlijk gevaarlijk is; artikel 37, § 2quinquies van dezelfde wet vereist voor dergelijke plaatsingsmaatregel een bijzondere motivering, rekening houdende met de prioriteiten als bepaald in artikel 37, § 2, derde lid; de appelrechter oordeelt dat enkel de maatstaven, opgesomd in artikel 52, vijfde lid, en 37, § 1, Jeugdbeschermingswet moeten getoetst worden en stelt dat hij geen rekenschap moet afleggen over de vraag of er voldoende aan-wijzingen van schuld zijn vermits die voorwaarde vernietigd werd bij arrest van het Grondwettelijk Hof; aldus oordeelt de appelrechter ten onrechte dat op basis van toegegeven pesterijen van de eiser dewelke op zich geenszins een aanslag zijn op een persoon of gevaarlijk zijn, en het gegeven dat een minderjarig slachtoffer overleden is, de voorwaarden vervuld zijn om de eiser een plaatsingsmaatregel op te leggen, zonder na te gaan en bijzonder te motiveren of er in hoofde van de eiser voldoende aanwijzingen van schuld zijn wat de telastlegging moord of de aanslag op de persoon van het minderjarig slachtoffer betreffen.

Bovendien bestaat er een discriminatie tussen een minderjarige voor wie geen ve-rificatie van de aanwijzingen van schuld vereist is voor een vrijheidsberoving, en de meerderjarige waarvoor dit wel het geval is; de eiser verzoekt dan ook het Eu-ropees Hof voor de Rechten van de Mens, minstens het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen, te weten "of de bepalingen van de Wet op de Jeugdbescherming met betrekking tot voorlopige maatregelen opzichtens min-derjarigen tussen 12 en 14 jaar jong, in het bijzonder voor wat de plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling betreft (hetgeen een maatregel van voorlopige detentie is), niet strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (artikel 6.1 en 6.2) en het IVBPR (14.1 en 14.2), ingevolge de volstrekt andere behandeling van meerderjarigen in het kader van de voorlopige hechteniswet (de voorlopige hechtenis welke eveneens een maatregel van voorlopige detentie is), waarbij er voor de meerderjarigen pas sprake kan zijn van een voorlopige hechtenis indien er voldoende ernstige aanwijzingen zijn van schuld, terwijl voor de minderjarigen tussen 12 en 14 jaar er niet mag (ingevolge arrest van het Grondwettelijk Hof van 13 maart 2008, waarbij de voorwaarde van ‘voldoende ernstige aanwijzingen van schuld' werd vernietigd in zowel artikel 52, 6e lid als artikel 52quater, tweede lid, 1° van de Wet 8/4/1965) (wordt) voortgegaan op het basisprincipe van aanwijzingen van schuld."

9. Artikel 37, § 1, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrecht-bank de voor haar gebrachte personen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding kan opleggen.

Artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat een plaat-singsmaatregel in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeen-schapsinstelling slechts kan worden genomen ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat aan die voorwaarden dient te zijn voldaan wanneer de jeugdrechter die oordeelt ten gronde na afloop van het onderzoek, zulke plaatsingsmaatregel wenst op te leggen.

10. Artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrechtbank gedurende een rechtspleging strekkende tot toepassing van maatregelen ter be-scherming van minderjarigen voorlopig ten aanzien van de betrokken minderjarige de nodige maatregelen van bewaring neemt.

De voorlopige bewaringsmaatregelen worden genomen in het belang van het kind overeenkomstig de Voorafgaande Titel Jeugdbeschermingswet. Zij bieden de jeugdrechter ook de mogelijkheid een grondige kennis te verwerven van de per-soonlijkheid en maturiteitsgraad van de minderjarige, diens leefomgeving, zijn ontwikkeling te volgen, hem tijdelijk te beschermen tegen slechte invloeden en uit te maken wat zijn belang is en welke maatregelen passend zijn voor zijn bescher-ming, zijn opvoeding of zijn behandeling nadat door de rechter ten gronde over zijn schuld zal zijn beslist.

11. Artikel 52quater Jeugdbeschermingswet bepaalt dat voor wat betreft de per-sonen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar, de rechter of de jeugdrechtbank, naarge-lang het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen 52, 52bis en 52ter, met name ook voor een jongere die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, een voorlopige maatregel van bewaring kan bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maan-den, in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan enkel worden genomen indien de betrokkene blijk geeft van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen uitzonderlijk gevaarlijk is en er ern-stige redenen bestaan om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrij-heid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke ver-standhouding komt met derden.

De voorlopige maatregelen worden genomen op een ogenblik waarop het als mis-drijf omschreven feit nog niet bewezen is. De jeugdrechter mag zich op dat ogen-blik nog niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld of onschuld van de minderjarige, wat hij wel zal moeten doen in alle onafhankelijkheid als hij ten gronde oordeelt. Hij dient bijgevolg niet vast te stellen dat er door de minderjarige tussen twaalf en veertien jaar daadwerkelijk een ernstige aanslag zou zijn gepleegd op een persoon, zoals voor een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding wordt vereist wanneer de jeugdrechter ten gronde uitspraak doet, of dat er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de minderjarige bestaan.

In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht.

12. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking die hij aanvult met eigen redenen, verantwoordt de appelrechter met een voldoende motivering en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld de voorlopige bewa-ringsmaatregel in een gesloten gemeenschapsinstelling die hij in het belang acht van de eiser, naar recht.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

13. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling voorziet in de moge-lijkheid tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

14. Het Hof is om de redenen, vermeld in artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof evenmin gehouden de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

Derde grief

15. De grief voert schending aan van artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbe-schermingswet: het is niet bewezen dat de eiser een ernstige aanslag heeft ge-pleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en dat zijn gedrag uit-zonderlijk gevaarlijk is; het toegegeven pestgedrag kan niet worden gecategori-seerd als een ernstige aanslag te hebben gepleegd op het leven of op de gezond-heid van een persoon of als een ernstig uitzonderlijk gedrag; evenmin is de doodsoorzaak van het slachtoffer gekend; aldus zijn de voorwaarden voor de op-gelegde plaatsingsmaatregel niet vervuld.

16. Zoals blijkt uit het antwoord op de tweede grief moet aan de voorwaarden van artikel 37, § 2quater, laatste lid, Jeugdbeschermingswet voldaan zijn wanneer de jeugdrechter die oordeelt ten gronde na afloop van het onderzoek, een plaat-singsmaatregel in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeen-schapsinstelling wenst op te leggen.

In zoverre faalt de grief naar recht.

17. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking die hij aanvult met eigen redenen, verantwoordt de appelrechter naar recht zijn beslissing de eiser een voorlopige plaatsingsmaatregel op te leggen.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

18. Voor het overige komt de grief op tegen het onaantastbare oordeel in feite van de appelrechter of verplicht hij tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Vierde grief

19. De grief voert schending aan van de artikelen 37, § 2, in fine, en 37quinquies Jeugdbeschermingswet, meer bepaald miskenning van de bijzondere motiveringsplicht: de keuze van de maatregel van plaatsing in een gesloten ge-meenschapsinstelling boven een minder zware maatregel dient op bijzondere wijze te worden gemotiveerd; er wordt niet uitgelegd waarom een minder ingrijpende maatregel niet volstond; het pestgedrag alleen volstaat niet om dergelijk zware maatregel op te leggen; bij gebrek aan aanwijzingen van schuld is er geen sprake van noodzaak aan bescherming van de openbare veiligheid; ook de bescherming van de minderjarige zelf volstaat niet; door de wettelijke voorwaarden voor derge-lijke plaatsing te herhalen, voldoet het arrest niet aan de bijzondere motiverings-plicht.

20. De appelrechter beperkt zich niet tot het louter herhalen van de wettelijke voorwaarden die vereist zijn voor een voorlopige plaatsing in een gesloten opvoe-dingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling.

Met overname van de redenen van de beroepen beschikking die hij aanvult met uitvoerige eigen redenen (arrest, rubriek 2), verantwoordt de appelrechter de be-volen plaatsingsmaatregel waarvoor geen waardig en realistisch uitgewerkt alter-natief wordt aangebracht of voorhanden is.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

21. Voor het overige komt de grief op tegen het onaantastbare oordeel in feite van de appelrechter of vereist hij een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Vijfde grief

22. De grief voert een motiveringsgebrek aan: er werden aan de feiten uiteenlo-pende voorlopige kwalificaties gegeven die overigens inmiddels achterhaald zijn ingevolge de uitgevoerde onderzoeksverrichtingen; de rechter ontloopt zijn op-dracht tot het superviseren en actualiseren van de voorlopige kwalificatie.

23. In zoverre de grief aanvoert dat de eerder gegeven kwalificaties achterhaald zijn, verplicht hij tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

24. De voorlopige maatregelen worden genomen op een ogenblik waarop het als misdrijf omschreven feit nog niet bewezen is. De jeugdrechter mag zich op dat ogenblik nog niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld of onschuld van de minderjarige, wat hij wel zal moeten doen in alle onafhankelijkheid als hij ten gronde oordeelt. Hij dient in de onderzoeksfa-se geen juridische kwalificatie aan het als misdrijf omschreven feit te geven, maar onder meer na te gaan of de minderjarige blijk geeft van een gedrag dat voor hem-zelf of voor anderen uitzonderlijk gevaarlijk is, er elementen bestaan die erop kunnen wijzen dat hij betrokken is bij het plegen van een ernstige aanslag op ie-mands leven of gezondheid en er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de be-trokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wan-bedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden.

In zoverre faalt de grief naar recht.

25. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking die hij aanvult met eigen redenen, oordeelt de appelrechter dat de eiser uitzonderlijk gevaarlijk gedrag vertoonde en nog steeds vertoont, wat onder meer blijkt uit de zwaarwich-tige en verregaande pesterijen zoals het toedienen van slagen, pillen, urine en al-lerhande andere zaken, evenals het masturberen op het slachtoffer, en uit het om-standige observatieverslag van GBJ De Zande met betrekking tot zijn normen en waarden, het verwerkingsproces dat niet op gang lijkt te komen, zijn emotionele leefwereld en zijn vriendenkring en het milieu waarin hij vertoeft.

Aldus verantwoordt de appelrechter de genomen plaatsingsmaatregel waarvoor momenteel geen geschikt alternatief voorhanden is, naar recht.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

Zesde grief

26. De grief voert aan dat de redelijke termijn van de voorlopige maatregel werd miskend en dat de appelrechter aan eisers verweer dienaangaande weinig of geen woorden heeft gewijd; ingevolge miskenning van de redelijke termijn diende de appelrechter de voorlopige maatregel aan te passen of stop te zetten.

27. Een plaatsing in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling kan slechts worden bevolen voor een termijn van drie maanden. Die maatregel kan slechts één maal verlengd worden voor eenzelfde termijn na kennisgeving van het door de gesloten opvoedingsinstelling opgestelde verslag en nadat de minderjarige en zijn raadsman werden gehoord.

28. De eiser heeft in conclusie aangevoerd dat door het wachten op de afron-ding van het sociaal of psychiatrisch onderzoek, de redelijke termijn van de voor-lopige maatregel werd miskend.

29. De appelrechter oordeelt dat de verlenging van de voorlopige plaatsing van de eiser in de gesloten afdeling van de gemeenschapsinstelling voor drie maanden, waarvoor de wettelijke voorwaarden nog steeds vervuld zijn en waarvoor momen-teel geen alternatief voorhanden is om de doelstellingen in het belang van de min-derjarige te bewerkstelligen, noodzakelijk is en dat het onderzoek van de ge-rechtsdeskundige-kinderpsychiater dat de appelrechter cruciaal acht, en dat van de sociale dienst nog niet beëindigd zijn.

Aldus beantwoordt de appelrechter eisers verweer en verantwoordt hij zijn beslis-sing naar recht dat de voorlopige maatregel niet dient te worden aangepast of stopgezet, maar dient te worden verlengd.

De grief kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 47,91 euro.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 22 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Jeugdbescherming

  • Minderjarige tussen twaalf en veertien jaar

  • Als misdrijf omschreven feit

  • Voorlopige maatregel van plaatsing

  • Uiteindelijke maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding bij de uitspraak ten gronde

  • Onderscheid

  • Gevolg

  • Motiveringsplicht