- Arrest van 23 januari 2013

23/01/2013 - P.13.0087.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 149 van de Grondwet is niet toepasselijk op de beslissingen van de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel; aangezien artikel 16 van de wet van 19 december 2003 echter een debat op tegenspraak voor de onderzoeksgerechten instelt en hen verplicht hun beslissingen met redenen te omkleden, zijn deze verplicht te antwoorden op de conclusie in zoverre de betwisting betrekking heeft op de voorwaarden waarvan de wet, te dezen, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel doet afhangen (1). (1) Zie Cass. 16 aug. 2005, AR P.05.1159.F, AC 2005, nr. 397.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0087.F

J. N.,

persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft,

Mrs. Robert De Baerdemaeker, Olivier Klees en Pierre Monville, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 4, 5°, en 16, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel.

Het middel verwijt het arrest dat het niet (*) weigert het Europees aanhoudingsbe-vel ten uitvoer te leggen, zonder het toezicht uit te oefenen bepaald in het voor-melde artikel 4, 5°, en zonder te antwoorden op de desbetreffende conclusie van de eiser.

Artikel 149 Grondwet is niet toepasselijk op de beslissingen van de onderzoeksge-rechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhou-dingsbevel. Aangezien artikel 16 van de wet van 19 december 2003 echter een debat op tegenspraak voor de onderzoeksgerechten instelt en hen verplicht hun beslissingen met redenen te omkleden, dienen ze te antwoorden op een conclusie, in zoverre de betwisting betrekking heeft op de voorwaarden waaraan de wet de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, te dezen, doet afhangen.

Krachtens het voormelde artikel 4, 5°, wordt de tenuitvoerlegging van het Euro-pees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval er redenen bestaan te denken dat dit af-breuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals die in arti-kel 6 EU-verdrag zijn vastgelegd, te weten de rechten die gewaarborgd worden door het EVRM en die welke blijken uit de grondwettelijke tradities die de Lidstaten van de Europese Unie gemeenschappelijk hebben, als algemene beginselen van de Gemeenschap.

Gelet op het beginsel van het wederzijdse vertrouwen tussen de Lidstaten, moet de weigering tot overlevering verantwoord worden met uitvoerige gegevens die op een kennelijk gevaar voor de rechten van de betrokkene wijzen en die het ver-moeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende Lidstaat geniet, kunnen weerleggen.

Alvorens de tenuitvoerlegging te bevelen van een Europees aanhoudingsbevel dat door een andere Lidstaat is uitgevaardigd, hoeft het onderzoeksgerecht geen vol-ledig toezicht uit te oefenen op de buitenlandse rechtspleging en op de regelma-tigheid van dat bevel, maar moet het nagaan of de artikelen 4 tot 8 van de wet van 19 december 2003 geëerbiedigd zijn.

De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat het aanhoudingsbevel zijn schuld vooropstelde in bewoordingen die het vermoeden van onschuld miskennen.

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat daardoor het vermoeden van on-schuld zou worden miskend.

Met overneming van de redenen van de bijkomende vordering van het openbaar ministerie stelt het arrest vast dat, in tegenstelling tot wat de vrije vertaling van het aanhoudingsbevel kon doen uitschijnen, de autoriteiten van de uitvaardigende Lidstaat de voorwaardelijke wijs gebruiken om de feiten te beschrijven die aan de eiser ten laste worden gelegd.

De kamer van inbeschuldigingstelling kon bijgevolg naar recht oordelen dat er geen ernstige redenen bestonden om te denken dat de tenuitvoerlegging van het bevel de eerbieding van het vermoeden van onschuld in het gedrang kon brengen bij de rechtbank die uitspraak moest doen over de gegrondheid van de strafvorde-ring.

De eiser heeft ook geconcludeerd dat er bij de Spaanse gerechtelijke overheid een gebrek aan loyaliteit bestond en verwijt haar dat zij de "vroegtijdige" tussenkomst van zijn advocaat heeft geweigerd en hem niet heeft verhoord tijdens een rogatoi-re commissie in Zwitserland. Daarnaast beriep hij zich op de nietigverklaring van een eerder tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel, op de onrecht-matige motivering van de handhaving van de hechtenis van zijn broer en op het bestaan van een aangetekende brief die hij heeft verstuurd maar die de Spaanse autoriteiten verklaarden niet te hebben ontvangen.

Met overneming van de redenen van de aanvullende vordering stelt het arrest vast dat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft de betrokkene te horen tijdens een internationale ambtelijke opdracht of vóór het uitvaardigen van een Europees aan-houdingsbevel. Het oordeelt ook dat geen enkele onrechtmatigheid kan worden afgeleid uit de nietigverklaring van een eerder verzoek tot uitlevering van de eiser, gericht aan de Zwitserse autoriteiten. Het oordeelt verder dat er geen reden is om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de fundamentele rechten van de eiser zou miskennen, op grond dat eisers' raadsman, in zijn afwezigheid, niet in de zaak kon worden betrokken om hem in Spanje te vertegenwoordigen, aangezien de Spaanse onderzoeksrechter heeft toegezegd dat dit kon gebeuren zodra de eiser voor hem zou worden gebracht.

Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat er geen reden was om de weigeringsgrond voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel toe te passen, als bepaald in artikel 4, 5°, van de wet. Zij dienden niet te antwoorden op de overige elementen die geen betrekking had-den op de voorwaarden waaraan de wet de tenuitvoerlegging van het bevel te de-zen onderwerpt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ten slotte voert het middel aan dat aan de motiveringsplicht van het onderzoeks-gerecht niet wordt voldaan door te verwijzen naar de procedurestukken van het openbaar ministerie.

De rechter kan zijn beslissing met redenen omkleden door naar een akte van de rechtspleging te verwijzen, op voorwaarde dat de partijen daarover tegenspraak hebben kunnen voeren en die redenen relevant zijn.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

(*) De vertaling wijkt af van het origineel door toevoeging van "niet". De afwe-zigheid van "ne pas" in het origineel is een materiële vergissing.

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging in België

  • Onderzoeksgerechten

  • Motivering van de beslissing

  • Verplichting een conclusie te beantwoorden