- Arrest van 23 januari 2013

23/01/2013 - P.12.0501.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Naar luid van artikel 106 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, kan er, wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank het voorwerp zijn van een vordering tot staking, niet beslist worden over de strafvordering dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking; uit die bepaling vloeit voort dat de definitieve beslissing over de vordering tot staking gezag van gewijsde heeft en ook geldt voor de strafrechter, voor wat noodzakelijk en zeker door het strafgerecht is beslist (1). (1) Zie J.-Fr. Michel, 'Les actions en cessation en droit de la consommation', Les actions en cessation, CUP 5/2006, dl. 87, p. 111-112; I. Ferrant, Les pratiques de commerce, Brussel, Kluwer, 2003, p. 148-149; J. Laenens, 'De vordering tot staking herbezocht', in J. Stuyck, De nieuwe wet handelspraktijken, Brussel, Story-Scientia, 1992, p. 154-155.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0501.F

B.R.P., naamloze vennootschap naar Luxemburgs recht,

Mr. Louis Dehin, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. S. D. M.,

2. F. D. M.,

3. O. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 16 februari 2012.

De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Krachtens artikel 106 Handelspraktijkenwet 1991, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, kan er, wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank het voorwerp zijn van een vordering tot staking, niet beslist worden over de strafvor-dering dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betref-fende de vordering tot staking.

Uit die bepaling vloeit voort dat de definitieve beslissing over de vordering tot staking gezag van gewijsde heeft en ook geldt voor de strafrechter, voor wat noodzakelijk en zeker is beslist.

De appelrechters hebben te dezen geoordeeld dat de feiten die in de burgerlijke partijstelling van de eiseres zijn bedoeld en die welke de door haar ingestelde vor-dering tot staking staven, dezelfde zijn. Zij bevestigen de beslissing tot buitenver-volgingstelling van de raadkamer, op grond dat de eerste rechter een juiste toepas-sing had gemaakt van het voormelde artikel 106 door rekening te houden met het gezag van gewijsde van de beslissing inzake staking, aangezien hij heeft geoor-deeld dat de door de eiseres verweten feiten, die de verweerders ten laste kunnen worden gelegd, niet door hen waren gepleegd.

Met die overwegingen verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Handelspraktijken

  • Beslissing over de vordering tot staking

  • Gezag van gewijsde t.a.v. de strafvordering