- Arrest van 23 januari 2013

23/01/2013 - P.12.1424.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de in overtreding zijnde uitgevoerde of in standgehouden werken of handelingen in aanmerking komen voor de vereiste stedenbouwkundige vergunning, stelt de Regering of de gemachtigd ambtenaar, in overleg met het college van burgemeester en schepenen, de overtreder een dading voor; die dading kan slechts op geldige wijze worden voorgesteld indien de procureur des Konings geen intentie tot vervolging te kennen heeft gegeven binnen negentig dagen na het aan hem gerichte verzoek; is naar recht verantwoord het arrest dat, met de overweging dat de aanvraag van de gemachtigd ambtenaar niet mag worden verward met de toezending aan de procureur des Konings, door de door de Regering daartoe aangewezen ambtenaren en personeelsleden van het Gewest, van het proces-verbaal tot vaststelling van de overtredingen inzake stedenbouw, en dat die aanvraag, ofschoon zij niet noodzakelijk het model moet eerbiedigen dat door het Waalse Gewest wordt voorgesteld, niettemin duidelijk moet zijn en de procureur des Konings ondubbelzinnig moet wijzen op de noodzaak om binnen negentig dagen zijn intentie om de aangeklaagde feiten al dan niet te vervolgen, te kennen te geven, dienaangaande verduidelijkt met een feitelijke beoordeling van de appelrechters dat nergens in de briefwisseling van de gemachtigd ambtenaar met de procureur des Konings de vraag werd gesteld of hij eventueel aan de vervolging van de feiten zou verzaken, noch dat een termijn van negentig dagen werd vermeld die met de briefwisseling zou ingaan alsook dat het openbaar ministerie vanaf de ontvangst van het proces-verbaal heeft laten weten dat zijn ambt het onderzoek voortzette en handelingen heeft gesteld tot uitoefening van de strafvordering in de brede zin, waarbij het meermaals zijn voornemen heeft herhaald om de strafvordering in stand te houden en de overtreder te vervolgen zo er geen oplossing kwam, zodat de eerste van de voor het opstarten van een dading vereiste voorwaarden te dezen niet aanwezig was.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1424.F

I. EFIMO nv,

Mrs. Luc Boelpaepe, advocaat bij de balie te Marche-en-Famenne, en Quen-tin Rey, advocaat bij de balie te Brussel,

II. THOMAS et PIRON nv,

Mrs. Bernard Pâques en Lionel-Albert Baum, advocaten bij de balie te Namen,

III. L. P.,

Mrs. Marc Uyttendaele en Laurent Kennes, advocaten bij de balie te Brussel,

de drie cassatieberoepen tegen

DE GEMACHTIGD AMBTENAAR van de directie stedenbouw en ruimtelijke ordening van de provincie Luxemburg,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij de balie van het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 26 juni 2012.

De eisers L. P. en de naamloze vennootschap Thomas et Piron voeren elk vier identieke middelen aan en de naamloze vennootschap EFIMO voert twee midde-len aan, in drie memories die aan dit arrest zijn gehecht..

Op de rechtszitting van 16 januari 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Raymond Loop geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoepen van L. P. en de naamloze vennootschap Thomas et Piron

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissingen die uit-spraak doen over de schuldvraag en over de straf

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het middel voert aan dat de gemachtigd ambtenaar bij de procureur des Konings een eis tot vervolging aanhangig heeft gemaakt waarop hij niet binnen negentig dagen antwoord heeft gekregen. Hij leidt daaruit af dat, aangezien de wederrechtelijke toestand kon worden geregulariseerd, de gemachtigd ambtenaar geen dading kon weigeren en het hof van beroep niet met de afwijzing ervan kon instemmen.

Krachtens artikel 155, § 6, Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Steden-bouw, Patrimonium en Energie, kan de Regering of de gemachtigd ambtenaar, wanneer de wederrechtelijk uitgevoerde of instandgehouden werken of handelin-gen de vereiste stedenbouwkundige vergunning kunnen verkrijgen, in overleg met het college van burgemeester en schepenen tot een vergelijk komen met de over-treder. Die dading kan slechts op geldige wijze worden voorgesteld indien de pro-cureur des Konings geen intentie tot vervolging te kennen heeft gegeven binnen negentig dagen na het verzoek dat aan hem werd gericht.

Met toepassing van artikel 156 van hetzelfde wetboek hebben de door de Rege-ring aangewezen ambtenaren en personeelsleden van het Gewest de bevoegdheid om de overtredingen inzake stedenbouw op te sporen en bij proces-verbaal vast te stellen, en het proces-verbaal tot vaststelling wordt onverwijld aan met name de gemachtigd ambtenaar en de procureur des Konings betekend.

Het arrest oordeelt dat de aanvraag van de gemachtigd ambtenaar niet verward mag worden met de toezending van een proces-verbaal met toepassing van artikel 156, eerste lid, van het voormelde wetboek, en dat die aanvraag, ofschoon zij niet noodzakelijk het model moet eerbiedigen dat door het Waalse Gewest wordt voorgesteld, niettemin duidelijk moet zijn en de procureur des Konings ondubbel-zinnig moet wijzen op de noodzaak om binnen negentig dagen zijn intentie om de aangegeven feiten al dan niet te vervolgen te kennen te geven.

De appelrechters verduidelijken dienaangaande, door een feitelijke beoordeling, dat nergens in de briefwisseling van de gemachtigd ambtenaar met de procureur des Konings de vraag werd gesteld of hij eventueel zou afzien van de vervolging van de feiten en nergens daarin melding werd gemaakt van een termijn van negen-tig dagen die samen met de briefwisseling zou ingaan. Het arrest voegt daaraan toe dat het openbaar ministerie vanaf de ontvangst van het proces-verbaal heeft la-ten weten dat zijn ambt het onderzoek voortzette en handelingen heeft gesteld tot uitoefening van de strafvordering in de brede zin, waarbij het meermaals zijn voornemen heeft herhaald om de strafvordering in stand te houden en de overtre-der te vervolgen indien er geen oplossing werd gevonden, zodat de eerste voor-waarde voor het opstarten van de dading te dezen niet vervuld was.

Met die overwegingen beslist het hof van beroep naar recht dat de verweerder het in het voormelde artikel 155, § 6, laatste lid, bedoelde verzoek niet bij het parket had ingediend, zodat de strafvordering ontvankelijk was.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen de beslissing die uitspraak doet over het door de verweerder nagestreefde herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat

(...)

Vierde middel

De eisers, die zich beroepen op het strafrechtelijk karakter, in de zin van artikel 6 EVRM, van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat, hebben gecon-cludeerd dat het hof van beroep een toezicht met volle rechtsmacht diende uit te oefenen op het verzoek van de administratie. Zij hebben aldus aangevoerd dat het hof van beroep diende te onderzoeken of dat verzoek gepast was en zich niet tot een marginale toetsing mocht beperken en, subsidiair, dat het hof van beroep dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof diende te stel-len.

Het middel voert aan dat het arrest, bij ontstentenis van een dergelijk toezicht, ar-tikel 6 EVRM, de artikelen 142 en 149 Grondwet en artikel 26, § 4, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof schendt.

Niettegenstaande de strafrechtelijke aard van die maatregel, in de zin van artikel 6 EVRM, verplicht die bepaling de nationale wetgever niet om een toezicht met volle rechtsmacht op het verzoek tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat in te richten.

Uit het enkel feit dat de gemachtigd ambtenaar alleen beslist, zonder mogelijkheid van beroep bij de administratie tegen de herstelmaatregel die hij bij de strafrechter heeft ingesteld, kan niet worden afgeleid dat de beklaagde het recht werd ontno-men om zijn verweermiddelen op dienende wijze voor dat gerecht aan te voeren. Het gerechtelijk toezicht op de wettigheid van de herstelvordering onderwerpt de feitelijke gegevens die aan de beslissing van de administratieve overheid zijn voorafgegaan aan een diepgaand onderzoek, zodat het de eerlijke behandeling van de zaak niet miskent.

Het arrest stelt dat de eisers voor de administratie en vervolgens voor de rechter hun kritiek en argumenten hebben kunnen aanvoeren, samen vergaderingen heb-ben kunnen beleggen, de plaats hebben kunnen bezoeken en een uitvoerig onder-zoek van hun voorstellen hebben verkregen. Het wijst er ook op dat de gemach-tigd ambtenaar subsidiair heeft voorgesteld om zijn aanspraken te herzien in de zin die hun door het hof van beroep is aangewezen. Op de pagina's 13 tot 16 gaat het vervolgens over tot een controle op de wettigheid van de administratieve be-slissing, door te onderzoeken of het administratief orgaan onpartijdig is, de maat-regel als enig doel een goede ruimtelijke ordening heeft en de proportionaliteit er-van.

De appelrechters antwoorden aldus op het door de eisers voorgedragen verweer. Aangezien zij naar recht hebben beslist dat de gemachtigd ambtenaar op volstrekt onpartijdige wijze heeft gehandeld, schenden zij de aangevoerde wetsbepalingen niet door het hierboven samengevatte toezicht uit te oefenen, zonder dat zij het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag dienen te stellen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap EFIMO

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de schuldvraag en over de straf

(...)

Tweede middel

Het middel voert aan dat de appelrechters, door de overtredingen aan de eiseres toe te rekenen, hun motiveringsplicht miskennen en een foutieve toepassing maken van artikel 5 Strafwetboek, alsook de bewijskracht van de akten miskennen.

Volgens artikel 5, eerste lid, van het voormelde wetboek is een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die intrinsiek verbonden zijn met de verwezenlijking van zijn maatschappelijk doel of de waarneming van zijn be-langen, of die, zoals blijkt uit de feiten, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Het alternatief karakter van die criteria belet de rechter niet om het misdrijf ook aan de rechtspersoon toe te rekenen wanneer hij vaststelt dat meerdere criteria verenigd zijn.

Het arrest vermeldt dat aangevoerd noch bewezen wordt dat de eiser alleen maar voordeel zou hebben gehaald uit het juridische of materiële kader van de eiseres om de misdrijven voor eigen rekening en in zijn belang of zelfs ten nadele van de eiseres te plegen. Het voegt daaraan toe dat, naast het subjectieve belang van de eiser, de bouw van het litigieuze onroerend goed een meerwaarde kon doen ver-hopen op het vlak van het commerciële beleid en van de waarde van het vast-goedpatrimonium van de eiseres, die de eigenares was van de grond op het ogen-blik van de bouw, zodat de bouwwerken met name voor haar rekening en in haar belang zijn opgetrokken. Het oordeelt ten slotte dat de eiseres, aangezien zij haar stuk grond ter beschikking heeft gesteld, rechtstreeks heeft meegewerkt aan de wederrechtelijke constructie en aan de instandhouding ervan tot de dag waarop zij dat stuk grond heeft verkocht.

Het arrest, dat oordeelt dat zij voor eigen rekening heeft gehandeld en de litigieu-ze constructies in eigen belang heeft opgetrokken, heeft aldus, zonder de door het middel daaraan toegeschreven tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid, twee criteria in aanmerking genomen op grond waarvan de misdrijven aan de eiseres ten laste kunnen worden gelegd.

Gelet op die vaststellingen, diende het hof van beroep niet na te gaan of de mis-drijven al dan niet verband hielden met de verwezenlijking van het maatschappe-lijk doel van de eiseres.

Het arrest heeft evenmin de bewijskracht van de door de eiseres vermelde stukken kunnen miskennen, vermits het arrest er niet naar verwijst.

Ten slotte hebben de appelrechters, in strijd met wat het middel aanvoert, de straf-rechtelijke verantwoordelijkheid van de eiseres niet afgeleid uit de omstandigheid dat de eiser wetens en willens is opgetreden, in de zin van het voormelde artikel 5. Het hof van beroep heeft immers eerst geoordeeld dat de onrechtmatige construc-ties voor rekening en in het belang van de beide vennootschappen waren opge-trokken, en heeft aldus beslist dat de eiseres strafrechtelijk verantwoordelijk was, en heeft pas daarna, met toepassing van artikel 5, tweede lid, daaraan toegevoegd dat de eiser, een geïdentificeerde natuurlijke persoon die de fout wetens en willens heeft gepleegd, samen met de eiseres moest worden veroordeeld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 23 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Herstel van plaats in de vorige staat

  • Herstelmaatregel

  • Waals Gewest

  • Werken of handelingen in overtreding die in aanmerking komen voor de vereiste stedenbouwkundige vergunning

  • Voorstel tot dading

  • Voorwaarde

  • Geen intentie tot vervolging van de procureur des Konings

  • Verzoek van de gemachtigd ambtenaar aan de procureur des Konings