- Arrest van 24 januari 2013

24/01/2013 - C.11.0649.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het enige artikel van de wet van 17 januari 1938, zevende lid, en artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 doen voor het bedrijf dat de inrichting heeft geplaatst, niet de verplichting ontstaan op zijn kosten de door de Staat, de provincies en de gemeente gevorderde werkzaamheden tot wijziging van de inrichtingen of van het plan van aanleg van een inrichting, evenals van de daarmee verband houdende werken, uit te voeren, maar bepaalt uitsluitend wie de kosten moet dragen wanneer die openbare overheden hun recht uitoefenen om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken te doen wijzigen (1). (1) Cass. 2 feb. 2006, AR C.05.0614.F, AC 2006, nr. 70.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0649.F

1. INTERCOMMUNALE D'ÉLECTRICITÉ DU HAINAUT, publiekrechte-lijke coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

2. INTERCOMMUNALE DE GAZ DU HAINAUT, publiekrechtelijke coöpe-ratieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

WAALS GEWEST,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 14 december 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 1382, 1383 en 2262bis § 1, tweede lid, (ingevoegd door artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring) van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De eiseressen vorderen dat verweerders rechtsvordering niet-ontvankelijk wordt en beroepen zich daartoe in hoofdzaak op artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek dat een vijfjarige verjaring invoert inzake buitencontractuele verjaring.

Het arrest verwerpt die zienswijze op grond van de onderstaande redenen:

"Met betrekking tot de verplaatsing van de elektriciteitsinrichtingen werden op 15 september 1978 twee facturen uitgegeven onder de nummers 183 en 184, respec-tievelijk voor een bedrag van 658.177 frank en van 1.498.712 frank, en twee an-dere op 13 maart 1979 onder de nummers 39 en 40, respectievelijk voor een bedrag van 70.915 frank en van 150.309 frank.

[Verweerders] vordering, die werd ingesteld bij dagvaarding van 11 december 2007, betreft de bedragen van die facturen.

Die bedragen worden van de [eiseressen] gevorderd in de context van ambtshalve maatregelen die de [verweerder] heeft genomen en slechts uitwerking kunnen hebben zodra hij daadwerkelijk de facturen van de onderneming V. R. heeft betaald, zijnde op 9 november 1979.

Op die datum heeft de [verweerder] immers definitief zijn schuld aan de vennootschap V. R. vereffend en worden de verbintenissen van de [eiseressen] jegens hem definitief vastgelegd met betrekking tot de kosten die hij hoorde [lees: zij hoorden] te dragen, overeenkomstig het enig artikel, zevende lid, van de wet [van 17 januari 1938].

[...] De rechtsvordering steunt niet op het herstel van een schade ten gevolge van een fout, maar op het recht van de [verweerder] om de kosten voor de verplaatsing van de gas- en elektriciteitsinrichtingen op de [eiseressen] te verhalen, overeenkomstig de wetten van 17 januari 1938 en 10 maart 1925.

Het gaat dus om een persoonlijke rechtsvordering waarvan de verjaring wordt geregeld door artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Ten tijde van de feiten bepaalde het Burgerlijk Wetboek dat een dergelijke rechtsvordering verjaarde door verloop van dertig jaren. De wet van 10 juni 1998 heeft die termijn teruggebracht op 10 jaar, maar krachtens de overgangsbepalingen is die termijn pas ingegaan bij de inwerkingtreding van die wet. Die termijn verviel dus pas op 27 juli 2008.

De rechtsvordering werd ingesteld bij dagvaarding van 11 december 2007 en de [verweerder] kon zijn recht om die bedragen terugbetaald te krijgen, uitoefenen vanaf 9 november 1979 zodat moet worden aangenomen dat de rechtsvordering niet verjaard is."

Grieven

Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaren de "persoonlijke rechtsvorderingen" door verloop van tien jaar te rekenen van de dag waarop het vorderingsrecht ontstaat. Ten tijde van de feiten bedroeg de ver-jaringstermijn echter dertig jaar.

Op die gemeenrechtelijke regeling is er één afwijking: krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, verjaart een rechtsvordering tot ver-goeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon; daarbij wordt gepreciseerd dat die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

Er zijn dus twee onderscheiden regelingen: die welke van toepassing is op de persoonlijke rechtsvorderingen in de algemene zin (waarvoor ten tijde van de feiten een dertigjarige verjaringstermijn gold maar die voortaan verjaren door verloop van 10 jaar) en de afwijkende regeling die van toepassing is op de persoonlijke rechtsvorderingen in zoverre ze gegrond zijn op een buitencontractuele oorzaak (waarvoor voortaan een vijfjarige verjaringstermijn geldt).

Doordat de eiseressen hun verbintenissen uit de wetten van 10 maart 1925 en 17 april 1938 om de inrichtingen op hun kosten te verplaatsen, niet hebben uitgevoerd, zijn zij dus hun wettelijke verbintenissen niet nagekomen en hebben zij bijgevolg die wet geschonden.

Welnu, schending van de wet is een buitencontractuele fout waarvan de verplichting tot herstel van de schade die eruit voortvloeit, geregeld wordt door de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Dat houdt in dat een uitvoering in natura de voorkeur heeft op een schadevergoeding.

De rechter bij wie een vordering tot uitvoering in natura aanhankelijk is gemaakt, moet ze dus, in beginsel, inwilligen, tenzij de uitvoering in natura onmogelijk is geworden of voortkomt uit een misbruik van recht.

In deze zaak is [verweerders] vordering tot terugbetaling in hoofdsom van de facturen van aannemer V. R. een vordering tot herstel in natura van de miskenning van de wettelijke verbintenis van de eiseressen. In zijn dictum vordert de [verweerder] geen schadevergoeding als zodanig, wat doorgaans het geval is wanneer een partij zich beroept op de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van een partij op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Bijgevolg is [verweerders] rechtsvordering een rechtsvordering tot vergoeding van een schade op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de eiseressen, die verjaart door verloop van vijf jaar en afwijkend geregeld wordt door artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek luidens hetwelk de rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aan-sprakelijkheid verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

In hun appelconclusie voeren de eiseressen, in hoofdzaak, aan dat de rechtsvor-dering op grond van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek betreffende de vijfjarig verjaringstermijn, niet-ontvankelijk moet worden verklaard: hun weigering om zelf de kosten te dragen van de verplaatsing van de gas- en elektriciteitsinrichtingen is een buitencontractuele fout in zoverre zij hun wettelijke verbintenissen niet waren nagekomen, zodat de reeds sinds lang verlopen vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is op [verweerders] rechtsvordering.

Sinds de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedraagt de verjaringstermijn voor de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid niet langer dertig jaar maar vijf jaar.

Krachtens artikel 10 van die wet, die in werking is getreden op 27 juli 1998, be-ginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet, wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van die wet, slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding.

Aangezien de eiseressen in hun brieven van 9 augustus en 10 september 1976 aan de administratie gemeld hebben dat zij weigerden de inrichtingen uitsluitend op hun kosten te verplaatsen, is de nieuwe vijfjarige verjaringstermijn ingegaan op 27 juli 1998. De vijfjarige verjaringstermijn was dus verstreken vanaf 27 juli 2003, terwijl [verweerders] dagvaarding dateert van 11 december 2007.

Het arrest beslist dat "de rechtsvordering niet steunt op het herstel van een schade ten gevolge van een fout, maar op het recht van de [verweerder] om de kosten voor de verplaatsing van de gas- en elektriciteitsinrichtingen op de [eiseressen] te verhalen, overeenkomstig de wetten van 17 januari 1938 en 10 maart 1925", en dat "het dus gaat om een persoonlijke rechtsvordering waarvan de verjaring wordt geregeld door artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek" dat een verjaringstermijn van "tien jaar" oplegt, die krachtens de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998, "pas ingegaan is bij de inwerkingtreding van die wet [en dus] pas verviel op 27 juli 2008" en daaruit afleidt dat "de rechtsvordering werd ingesteld bij dagvaarding van 11 december 2007 en de [verweerder] zijn recht om die bedragen terugbetaald te krijgen, kon uitoefenen vanaf 9 november 1979 zodat moet worden aangenomen dat de rechtsvordering niet verjaard is".

Het arrest dat beslist dat [verweerders] rechtsvordering niet van buitencontractuele aard is, hoewel zijn rechtsvordering die ertoe strekt de terugbetaling te verkrijgen van de aan aannemer V. R. betaalde kosten voor de verplaatsing, erop neerkomt de uitvoering in natura van de geleden schade ter verkrijgen, schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Doordat het arrest bovendien toepassing maakt van de tienjarige verjaringstermijn, veeleer dan van de vijfjarige verjaringstermijn, schendt het eveneens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2262bis, § 1, eerste lid, (ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring) van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bepaalt het beginpunt van de verjaringstermijn op de volgende gronden:

"[Verweerders] vordering, die werd ingesteld bij dagvaarding van 11 december 2007, betreft de bedragen van die facturen.

Die bedragen worden van de [eiseressen] gevorderd in de context van ambtshalve maatregelen die de [verweerder] heeft genomen en slechts uitwerking kunnen hebben zodra hij daadwerkelijk de facturen van de onderneming V. R. heeft betaald, zijnde op 9 november 1979.

Op die datum heeft de [verweerder] immers definitief zijn schuld aan de vennootschap V. R. vereffend en worden de verbintenissen van de [eiseressen] jegens hem definitief vastgelegd met betrekking tot de kosten die hij hoorde te dragen, overeenkomstig het enig artikel, zevende lid, van de wet [van 17 januari 1938]".

Grieven

Subsidiair, ingeval het Hof zou beslissen dat de miskenning van een wettelijke verbintenis tot een persoonlijke rechtsvordering in de algemene betekenis leidt, waarvoor toentertijd een dertigjarige verjaringstermijn gold, en vanaf 27 juli 1998, de datum van inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, een tienjarige verjaringstermijn, moet duidelijk erop gewezen worden dat het beginpunt van de verjaringstermijn dat door het arrest in aanmerking wordt genomen, de wet schendt.

De wet van 10 juni 1998 die artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek wijzigt, heeft de algemene verjaringstermijnen gewijzigd en de verjaringstermijn voor de persoonlijke rechtsvorderingen teruggebracht van dertig jaar naar tien jaar.

Aldus bepaalt artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek: "Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar".

Artikel 10 van de wet van 10 juni 1998, die in werking is getreden op 27 juli 1998 voert een overgangsregeling in en bepaalt dat, wanneer de rechtsvordering is ont-staan vóór de inwerkingtreding van die wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding. Dat artikel voegt daar echter aan toe dat de totale duur van de verjaringstermijn niet meer dan dertig jaar mag bedragen, zodat de vroegere termijn in zekere zin blijft gelden, ook na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, in tegenstelling tot de oplossing naar gemeenrecht.

De rechtsvordering uit een zuivere en eenvoudige verbintenis ontstaat, in beginsel, op de dag waarop die verbintenis uitgevoerd moet worden en verjaart bijgevolg op het ogenblik waarop het feit of de gebeurtenis zich voordoet waaruit die rechtsvordering ontstaat.

In deze zaak is de verbintenis van de eiseressen ontstaan de dag waarop hun werd gemeld dat de inrichting verplaatst diende te worden, namelijk op 1 juni 1976, of, uiterlijk, op de datum van de brieven van 9 augustus en 10 september 1976 waarbij de eiseressen weigerden die verplaatsing uitsluitend op hun kosten uit te voeren, zoals de eiseressen in hun conclusie beklemtoonden.

Krachtens het eerste deel van artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 begon de tienjarige verjaringstermijn, daar de rechtsvordering ontstaan is vóór de inwerkingtreding van de wet, te lopen vanaf 27 juli 1998. De rechtsvordering van de [verweerder] zou verjaard zijn op 27 juli 2008, dus nadat hij de eiseressen had gedagvaard op 11 december 2007.

De tweede zin van artikel 10 is hier echter van toepassing, namelijk dat de totale duur van de verjaringstermijn niet meer dan dertig jaar mag bedragen. Aangezien de verjaringstermijn en 1976 is ingegaan, is de rechtsvordering, in deze subsidiaire stelling, hoe dan ook verjaard sinds 2006, terwijl de [verweerder] de eiseressen pas op 11 december 2007 heeft gedagvaard.

Het arrest oordeelt dat de verjaringstermijn pas is kunnen ingaan vanaf de dag waarop de administratie daadwerkelijk, in de plaats van de eiseressen, de kosten voor de litigieuze verplaatsing heeft gedragen, met andere woorden de dag, 9 november 1979, waarop zij de facturen betaald heeft aan de vennootschap V. R..

Het arrest preciseert: "op die datum heeft de [verweerder] immers definitief zijn schuld aan de vennootschap V. R. vereffend en worden de verbintenissen van de [eiseressen] jegens hem definitief vastgelegd met betrekking tot de kosten die hij hoorde [lees: zij hoorden] te dragen, overeenkomstig het enig artikel, zevende lid, van de wet [van 17 januari 1938]".

Het arrest beslist dus dat de verjaringstermijn is ingegaan op het tijdstip waarop de administratie daadwerkelijk de kosten voor de verplaatsing heeft gedragen en niet dat waarop de wettelijke verbintenis is ontstaan, namelijk de datum van de kennisgeving van het bevel tot verplaatsing van de inrichting, zijnde 1 juni 1976, althans de datum van de weigering die verplaatsingen uitsluitend op hun kosten uit te voeren, zijnde 9 augustus en 10 september 1976.

Ingeval het Hof zou beslissen dat [verweerders] rechtsvordering een gemeenrechtelijke persoonlijke rechtsvordering is waarvoor, ten tijde van de feiten, een dertigjarige verjaringstermijn gold, en naderhand, een tienjarige verjaringstermijn, schendt het arrest artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek doordat het, als beginpunt van de verjaringstermijn, de datum in aanmerking neemt waarop de administratie de kosten voor de verplaatsing heeft gedragen in plaats van die waarop de wettelijke verbintenis ontstond, en tevens artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 krachtens hetwelk de duur van de verjaringstermijn niet meer dan dertig jaar mag bedragen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het enig artikel, zevende lid 7, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de con-cessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en wa-terleidingen bepaalt dat de Staat, de provinciën en de gemeenten in alle geval het recht hebben om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzi-gen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaar-ten of van een openbare dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aan-gelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die de aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt. Deze overheid mag vooraf een kostenbegroting eisen en, bij onenigheid, zelf tot de uitvoering der werken overgaan.

Artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorzie-ning is in soortgelijke bewoordingen gesteld.

Die bepalingen doen voor het bedrijf dat de inrichting heeft geplaatst, niet de ver-plichting ontstaan op zijn kosten de door de Staat, de provincies en de gemeente gevorderde werkzaamheden tot wijziging van de inrichtingen of van het plan van aanleg van een inrichting, evenals van de daarmee verband houdende werken, uit te voeren, maar bepaalt uitsluitend wie de kosten moet dragen wanneer die open-bare overheden hun recht uitoefenen om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken te doen wijzigen.

De rechtsvordering van de verweerder tegen de eiseressen steunde op die wetsbe-palingen.

Het arrest dat beslist dat de uit die wetsbepalingen voortvloeiende rechtsvordering een persoonlijke rechtsvordering is en geen vordering tot herstel van een schade uit een fout, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de verjaringstermijn die erop van toepassing is, sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 die artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek wijzigt, tien jaar bedraagt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De verjaring, die een verweer vormt tegen een te laat ingestelde rechtsvordering, kan niet beginnen te lopen vóór het ontstaan van die rechtsvordering. De rechts-vordering uit een verbintenis, ontstaat in de regel de dag waarop die verbintenis moet worden uitgevoerd, en verjaart bijgevolg vanaf dat tijdstip.

Het arrest dat beslist dat de verweerder op 9 november 1979, de datum van de be-taling van de facturen aan de onderneming V. R., "definitief zijn schuld aan [haar] [heeft] vereffend" en dat de verbintenissen van de eiseressen "jegens hem definitief vastgelegd [worden] met betrekking tot de kosten die [zij hoorden] te dragen" verantwoordt naar recht zijn beslissing dat verweerders rechtsvordering die werd ingeleid bij dagvaarding van 11 december 2007 niet verjaard is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiseressen in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Marie-Claire Ernotte et Sabine Geubel, en in openbare te-rechtzitting van 24 januari 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gasleidingen en elektriciteitskabels

  • Beheerder van het openbaar domein

  • Recht om inrichtingen te doen verplaatsen

  • Aard van de verplichtingen van het bedrijf dat de inrichting heeft geplaatst

  • Voorwerp van de wetsbepalingen