- Arrest van 28 januari 2013

28/01/2013 - S.11.0132.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Om te spreken van een overgang van onderneming, in de zin van artikel 6, tweede lid van de CAO 32bis en artikel 1.1.b) van de Richtlijn 2001/23/EG, is het niet vereist dat de overnemer de bedoeling heeft om de overgenomen economische activiteit op een duurzame wijze verder te zetten; deze vereiste zou het mogelijk maken dat, door de wil van de verkrijger, in ongunstige zin zou kunnen worden afgeweken van de bescherming die de richtlijn de werknemers biedt (1). (1) Zie conclusies O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0132.N

ASSOCIATED RETAIL nv, met zetel te 6220 Fleurus, Route de Gosselies 408,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

S.H.,

verweerster,

mede inzake

1. Eric FLAMEE, met kantoor te 9520 Sint-Lievens-Houtem, Eiland 27, als cu-rator van het faillissement van MAZO bvba, met zetel te 9620 Zottegem, Buke 20,

2. Marc VANDER KIMPEN, met kantoor te 9620 Zottegem, Grotenberge-straat 49, als curator van het faillissement van MAZO bvba, met zetel te 9620 Zottegem, Buke 20,

in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 14 februari 2011.

Advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden heeft op 18 december 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiseres reeds op 4 en 5 september 2003 "de facto" de macht binnen het wa-renhuis had gegrepen en de zaak in haar opdracht werd gerund met personeel van Mazo bvba;

- de winkel op 6 september 2003 open was met onder meer personeel van de ei-seres;

- de winkel op 8, 9 en 10 september 2003 gesloten was en vanaf 11 september 2003 ingevolge een overeenkomst tussen de eiseres en Food Consulting bvba door deze laatste werd uitgebaat met behulp van uitzendkrachten en werkne-mers van een zustervennootschap van de eiseres.

Zij oordelen dat er over de "overgang van onderneming" niet de minste discussie kan zijn aangezien de eiseres door de beëindiging van de aannemingsovereen-komst terug in het bezit van het hele handelsfonds kwam, de onderneming onge-wijzigd en in haar geheel bleef bestaan en, na een korte onderbreking, op initiatief van de eiseres verder werd geëxploiteerd door Food Consulting bvba krachtens een addendum aan de eerder gesloten managementovereenkomst, zodat de rechten en verplichtingen die voor Mazo bvba voortvloeiden uit de op het tijdstip van de overgang op 5 september 2003 bestaande arbeidsovereenkomsten door deze overgang op de eiseres overgingen.

2. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel be-doelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Artikel 6, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis, al-gemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 juli 1985, zoals gewij-zigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32quinquies, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 14 maart 2002, hierna: CAO nr. 32bis, die uitvoering geeft aan Richtlijn 77/187/EEG, bepaalt: "Onder voorbehoud van het bepaalde in het eerste lid wordt in deze collectieve arbeidsovereenkomst als over-gang beschouwd de overgang, met het oog op de voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt ver-staan."

Artikel 1.1.b) van Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 tot codi-ficatie van onder meer de Richtlijn 77/187/EEG bepaalt: "Onder voorbehoud van het bepaalde onder a) en van de hiernavolgende bepalingen van dit artikel wordt in deze richtlijn als overgang beschouwd, de overgang, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan."

4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onder meer in het arrest van 18 maart 1986 in de zaak 24/85, Spijkers, geoordeeld dat om te bepalen of er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van de richtlijn, het beslis-sende criterium is dat de identiteit van het bedrijf bewaard blijft. Bij de vraag of dat het geval is moet, gelet op alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, worden nagegaan of het gaat om de vervreemding van een lopend bedrijf, wat met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onder meer in het arrest van 10 februari 1988 in de zaak 324/86, Daddy's Dance Hall, geoordeeld dat de be-scherming van de rechten van de werknemers bij overgang van onderneming van openbare orde is, de partijen over deze rechten niet kunnen beschikken en de be-palingen van de richtlijn in zoverre als dwingend te beschouwen zijn voor de werknemers dat ervan niet in ongunstige zin mag worden afgeweken.

5. Hieruit volgt kennelijk dat artikel 1.1.b) Richtlijn 2001/23/EG aldus moet worden uitgelegd dat een overgang van onderneming in de zin van de richtlijn niet vereist dat de overnemer de bedoeling heeft de overgenomen economische activi-teit op duurzame wijze voort te zetten. Dit vereiste zou het immers mogelijk ma-ken dat door de wil van de verkrijger in ongunstige zin zou kunnen worden afge-weken van de bescherming die de richtlijn de werknemers biedt.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

6. De overige grieven zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 6, tweede lid, CAO nr. 32bis en artikel 1.1.b) Richtlijn 2001/23/EG en zijn mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 252,92 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 28 januari 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis

  • Overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst

  • Behoud van de rechten van werknemers

  • Voorwaarden

  • Economische activiteit

  • Verderzetting