- Arrest van 29 januari 2013

29/01/2013 - P.12.0402.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 14.7 IVBPR, noch het algemene rechtsbeginsel ne bis in idem beletten een strafvervolging en een veroordeling na een tuchtprocedure waarin een einduitspraak is gewezen, wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken van een strafvervolging vertoont (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0402.N

J B H A M C,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17,

tegen

1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachstesteenweg 579, PB 40,

burgerlijke partij,

2. C V D S,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 26 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Hij doet ook zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre dit ge-richt is tegen de niet-definitieve beslissing op burgerlijk gebied over de vordering van de tweede verweerster.

Advocaat generaal Marc De Swaef heeft op 21 december 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 29 januari 2013 heeft afdelingsvoorzitter Paul Maffei ver-slag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Marc De Swaef geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest ontslaat de eiser van rechtsvervolging uit hoofde van de misdrij-ven zoals omschreven onder B, C en D. Het gaat niet in op de vraag om een ver-beurdverklaring op te leggen en evenmin op de vordering om een beroepsverbod op te leggen bij toepassing van de Wet Beroepsuitoefeningsverbod.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Enig middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.7°, IVBPR alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende ‘ne bis in idem': het arrest beslist dat de eiser opnieuw kon vervolgd worden, ondanks de reeds door hem op 18 oktober 2004 opgelopen tuchtstraf wegens dezelfde feiten gedurende de periode van 1 januari tot 31 december 2002, terwijl de aangevoerde bepalingen zich ertegen verzetten dat dezelfde persoon, na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken, opnieuw wegens hetzelfde gedrag vervolgd of ge-straft wordt voor inbreuken met dezelfde essentiële bestanddelen.

3. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt: "Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken." Het algemene rechtsbeginsel "ne bis in idem" heeft dezelfde draagwijdte.

4. Deze bepaling noch het vermelde algemene rechtsbeginsel beletten een strafvervolging en een veroordeling na een tuchtprocedure waarin een einduit-spraak is gewezen, wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken van een straf-vervolging vertoont.

5. Er is sprake van een strafvervolging als bedoeld in artikel 6.1 EVRM wan-neer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser een tuchtprocedure onderging wegens schending van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van het medisch beroep als bedoeld in artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van geneesheren (hierna: Artsenwet). Als tuchtmaatregel werd aan de eiser een schor-sing van het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende vier maanden opge-legd. Krachtens artikel 16 Artsenwet waren de mogelijke tuchtsancties de waar-schuwing, de censuur, de berisping, de schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende een termijn die twee jaar niet mag te boven gaan en de schrapping.

7. De inbreuk bedoeld in artikel 6, 2°, Artsenwet heeft betrekking op de schending van de beroepseer. Volgens het interne recht beantwoordt deze inbreuk niet aan een strafrechtelijke kwalificatie, maar is duidelijk tuchtrechtelijk van aard. Deze inbreuk betreft niet alle burgers, maar richt zich slechts tot een beperkte ca-tegorie van personen, met name de geneesheren. Voorts houdt de opgelegde tuchtrechtelijke sanctie van schorsing geen hoge geldboete of vrijheidsberoving in en houdt ze evenmin een verbod in om diverse beroepen gedurende een bijzonder lange periode uit te oefenen, zodat ze niet strafrechtelijk van aard is.

8. Hieruit volgt dat de tuchtrechtelijke vervolging waarvan de eiser het voor-werp heeft uitgemaakt, geen strafvervolging was als bedoeld in artikel 6.1 EVRM zodat de beslissing van het arrest dat de eiser strafrechtelijk kan worden vervolgd en tot straf kan veroordeeld worden, naar recht verantwoord is.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.7°, IVBPR, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel "ne bis in idem": bij het bepalen van de strafmaat houdt het arrest geen rekening met de eerder door de eiser opgelopen tuchtstraf van de schorsing van het recht om gedurende vier maanden de geneeskunde uit te oefenen.

10. Het arrest oordeelt (ro 28, 22ste blad) dat het niet ingaat op de vordering van het openbaar ministerie om de eiser een beroepsverbod op te leggen in toepassing van artikel 1 d en f Wet Beroepsuitoefeningsverbod daar het beroepen vonnis te-recht oordeelt dat de eiser reeds werd gesanctioneerd door de Orde van Geneesheren.

11. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijge-volg feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt eisers aanvoering in conclusie niet dat het algemene rechtsbeginsel ‘ne bis in idem' "wel (toe)staat (...) dat de rechter de eerder uitgesproken sanctie in zijn voordeel betrekt.".

13. Het aangevoerde motiveringsgebrek is volledig afgeleid uit de in het derde onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 126,89 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 29 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van grif-fier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Ne bis in idem

  • Tuchtstraf

  • Strafrechtelijke veroordeling

  • Wettigheid