- Arrest van 29 januari 2013

29/01/2013 - P.12.0832.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien het misdrijf waarop de herstelvordering is gegrond samen met een ander misdrijf gelijktijdig aan de strafrechter wordt voorgelegd en die oordeelt dat de beide misdrijven in hoofde van de beklaagde de opeenvolgende en voortgezette uitvoering vormen van eenzelfde misdadig opzet, zal overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek de verjaring van de strafvordering voor die beide misdrijven slechts een aanvang nemen op de datum van het laatst gepleegde feit en moet de ontvankelijkheid van de op het eerste misdrijf gegronde herstelvordering worden beoordeeld rekening houdend met die datum, voor zover tussen de beide misdrijven geen verjaringstermijn is verlopen en de rechter vaststelt dat dit tweede misdrijf bewezen is; indien de strafrechter het laatst gepleegde misdrijf niet bewezen kan verklaren omdat het op het ogenblik van zijn uitspraak niet langer strafbaar is, kan hij er bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot het eerste misdrijf en van de ontvankelijkheid van de op dit misdrijf gegronde herstelvordering geen rekening mee houden (1). (1) Zie Cass. 20 okt. 2004, AR P.04.0742.F, AC 2004, nr. 492 en Cass. 23 dec. 1980, AR 6238, AC 1980-1981, nr. 248.

Arrest - Integrale tekst

P.12.0832.N

1. A D'H,

gedaagde tot hervatting van het geding,

2. M D M,

gedaagde tot hervatting van het geding,

3. Y D M,

gedaagde tot hervatting van het geding,

eisers,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 maart 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek en de artikelen 21 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oorde-len ten onrechte dat zij bevoegd zijn om uitspraak te doen over de herstelvorde-ring; het accessorium-karakter van de burgerlijke rechtsvordering impliceert dat de strafrechter enkel uitspraak kan doen over de herstelvordering, als maatregel van burgerrechtelijke aard en ook behorend tot de publieke vordering, als die her-stelvordering kan worden geënt op een ontvankelijke strafvordering en deze straf-vordering samen met of voorafgaandelijk aan de herstelvordering bij het vonnis-gerecht wordt aanhangig gemaakt; de herstelvordering dient dan ook te worden ingesteld vooraleer de verjaring van de strafvordering, als grond van verval van de strafvordering, is ingetreden; bij de beoordeling of op het ogenblik van het instel-len van de herstelvordering de strafvordering wegens de telastlegging A door ver-jaring is vervallen, houdt het arrest ten onrechte rekening met het feit dat het op-richtingsmisdrijf omschreven onder de telastlegging A overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek één voortgezet misdrijf vormt met het instandhoudingsmisdrijf om-schreven onder de telastlegging B; de toepassing van artikel 65 Strafwetboek ver-eist immers een als misdrijf omschreven gedraging, die tevens wederrechtelijk, verwijtbaar en strafwaardig is; ingevolge de artikelen 1.1.2.10° en 6.1.1, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening levert vanaf 1 september 2009 de instand-houding in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet langer een als misdrijf omschreven gedraging op, zodat de instandhouding omschreven onder de telastlegging B geen als misdrijf omschreven wederrechtelijke, verwijtbare en strafwaardige gedraging kan zijn; bovendien kan slechts worden aangenomen dat de verjaringstermijn van de strafvordering met betrekking tot een voortgezet mis-drijf een aanvang neemt op de datum van het laatst gepleegde feit, als dat laatst gepleegde feit ook daadwerkelijk kan worden bewezen verklaard, wat door de op-heffing van het instandhoudingsmisdrijf omschreven onder de telastlegging B in hoofde van de overleden beklaagde onmogelijk is; het arrest stelt evenmin in con-creto vast dat er in hoofde van de oorspronkelijke beklaagde sprake was van een instandhoudingsmisdrijf op het ogenblik dat een dergelijk misdrijf in abstracto nog strafbaar was; aldus kon het arrest bij de berekening van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot het oprichtingsmisdrijf omschreven onder de te-lastlegging A niet wettig oordelen dat dit één voortgezet misdrijf uitmaakte met de telastlegging B en zo toepassing maken van de verjaringsregels die gelden voor een voortgezet misdrijf; het kon op die grond evenmin oordelen dat op het ogen-blik waarop de herstelvordering werd ingeleid voor de strafrechter op 25 juni 1998, het oprichtingsmisdrijf onder de telastlegging A niet was verjaard en de ap-pelrechters bevoegd waren om te oordelen over de herstelvordering.

2. De strafrechter kan slechts kennis nemen van een op een misdrijf gegronde herstelvordering indien voor dat misdrijf de strafvordering samen met of vooraf-gaandelijk aan de herstelvordering op ontvankelijke wijze bij het vonnisgerecht is aanhangig gemaakt.

Indien de strafrechter vaststelt dat voor dit misdrijf de strafvordering is vervallen, kan hij slechts van de op dat misdrijf gegronde herstelvordering kennis nemen, indien op het ogenblik van de aanhangigmaking van de herstelvordering de straf-vordering nog niet was vervallen.

3. Indien het misdrijf waarop de herstelvordering is gegrond samen met een ander misdrijf gelijktijdig aan de strafrechter wordt voorgelegd en die oordeelt dat de beide misdrijven in hoofde van de beklaagde de opeenvolgende en voortgezette uitvoering vormen van eenzelfde misdadig opzet, zal overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek de verjaring van de strafvordering voor die beide misdrijven slechts een aanvang nemen op de datum van het laatst gepleegde feit en moet de ontvankelijkheid van de op het eerste misdrijf gegronde herstelvordering worden beoordeeld rekening houdend met die datum, voor zover tussen de beide misdrijven geen verjaringstermijn is verlopen en de rechter vaststelt dat dit tweede misdrijf bewezen is.

4. Indien de strafrechter het laatst gepleegde misdrijf niet bewezen kan verkla-ren omdat het op het ogenblik van zijn uitspraak niet langer strafbaar is, kan hij er bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot het eerste misdrijf en van de ontvankelijkheid van de op dit misdrijf gegronde herstel-vordering geen rekening mee houden.

5. Het arrest (p. 6-7) stelt vast dat:

- de niet-vergunde loods is gelegen deels in woongebied, deels in landschappe-lijk waardevol agrarisch gebied;

- het oprichtingsmisdrijf omschreven onder de telastlegging A en het instand-houdingmisdrijf omschreven onder de telastlegging B moeten worden gesitu-eerd respectievelijk op 20 oktober 1983 en vanaf 20 oktober 1983 tot 27 no-vember 1997;

- het oprichtingsmisdrijf omschreven onder de telastlegging A sinds 1 september 2009 strafbaar is ingevolge de artikelen 4.2.1.1°, a, 6.1.1, eerste lid, 1°, en 6.1.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

- volgens artikel 6.1.1, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor-heen artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, de strafsanctie voor het in stand houden van inbreuken vermeld in het eerste lid, 1°, niet geldt voor zover de handelingen niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden;

- artikel 6.1.1, derde lid, zoals toegevoegd bij het decreet van 4 juni 2003 en ge-deeltelijk vernietigd bij arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Grond-wettelijk Hof, volgens artikel 6.1.2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in die zin moet worden geïnterpreteerd dat deze bepaling de strafbaarstelling van de vermelde instandhoudingsmisdrijven opheft;

- woongebied geen ruimtelijk kwetsbaar gebied is;

- landschappelijk waardevol agrarisch gebied sinds 1 september 2009 ruimtelijk niet kwetsbaar gebied uitmaakt in de zin van artikel 6.1.1, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, aangezien de landschappelijk waardevolle agra-rische gebieden niet in artikel 1.1.2, 10°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden vermeld;

- tot vóór 1 september 2009 landschappelijk waardevol agrarisch gebied wel was te aanzien als ruimtelijk kwetsbaar gebied in de zin van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999;

- in de voor het instandhoudingsmisdrijf bepaalde tijdsperiode en op het ogen-blik dat voor de eerste rechter de strafvordering en de herstelvordering door de betekening aan de oorspronkelijke beklaagde werd aanhangig gemaakt, name-lijk 25 juni 1998, dit instandhoudingsmisdrijf nog strafbaar was.

6. Aangezien het instandhoudingsmisdrijf omschreven onder de telastlegging B sinds 1 september 2009 niet langer strafbaar is, konden de appelrechters niet wettig oordelen dat gelet op de samenloop overeenkomstig artikel 65 Strafwet-boek tussen het op het ogenblik van de aanhangigmaking van de herstelvordering nog steeds strafbare instandhoudingsmisdrijf en het op dat ogenblik reeds verjaar-de oprichtingsmisdrijf, de op het oprichtingsmisdrijf gegronde herstelvordering tijdig was ingesteld.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

7. Gelet op de hierna uit te spreken cassatie zonder verwijzing op grond van het eerste middel, behoeft het tweede middel geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eisers gerichte vordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 70,62 euro.

F. Adriaensen

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 29 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van grif-fier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verscheidene misdrijven

  • Opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet

  • Verjaring van de strafvordering

  • Aanvangsdatum

  • Stedenbouw

  • Herstelvordering