- Arrest van 30 januari 2013

30/01/2013 - P.11.2030.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die een onduidelijke, dubbelzinnige of foutieve beslissing heeft gewezen, kan die, naargelang van het geval, uitleggen of verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2030.F

J. S.,

Mrs. Christophe Cornille en Alexandre Chateau, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. R. S.,

Mr. Johan Scheers, advocaat bij de balie te Brussel,

2. A. D. P.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 2 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 8 januari 2013 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 30 januari 2013 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. FEITEN

Het openbaar ministerie heeft voor de raadkamer gevorderd dat de eerste ver-weerder naar de correctionele rechtbank zou worden verwezen wegens valsheid in geschriften en heeft de buitenvervolgingstelling gevorderd wegens feiten van ver-duistering en oplichting.

Bij beschikking van 21 oktober 2008 heeft dat rechtscollege verklaard dat er met name tegen de eerste verweerder bezwaren bestonden die zijn verwijzing wegens valsheid in geschriften verantwoordden en beslist dat er onvoldoende bezwaren bestonden voor de feiten van verduistering.

De raadkamer, die de redenen van de vordering gedeeltelijk overneemt, heeft ge-oordeeld dat er geen grond was om de eerste verweerder te vervolgen wegens de hem ten laste gelegde feiten van verduistering en heeft hem, voor het overige, naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de in de vordering vermelde telast-leggingen.

De eerste rechter, die uitspraak doet over de dagvaarding die het openbaar minis-terie tegen de eerste verweerder heeft ingesteld wegens valsheid in geschriften en oplichting, heeft de strafvordering vervallen verklaard door verjaring en hem ver-oordeeld om de eiser schadevergoeding te betalen voor de telastlegging oplich-ting.

Het arrest oordeelt niet gevat te zijn van de feiten van oplichting en verklaart de burgerlijke rechtsvordering, in zoverre zij tegen die verweerder gericht, niet ont-vankelijk.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burger-lijke rechtsvordering tegen de eerste verweerder

Eerste middel

De eiser voert schending aan van de artikelen 793 en volgende Gerechtelijk Wet-boek.

De rechter die een onduidelijke, dubbelzinnige of foutieve beslissing heeft gewe-zen, kan die, naargelang van het geval, uitleggen of verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Wanneer de beslissing tot verwijzing door een kennelijke onregelmatigheid of een overduidelijk vormgebrek is aangetast waardoor zij juridisch geacht wordt niet te bestaan, moet het vonnisgerecht vaststellen dat de zaak bij dat rechtscollege op onregelmatige wijze aanhangig is gemaakt.

Het arrest stelt vast dat de eerste verweerder naar de correctionele rechtbank werd verwezen wegens oplichting maar dat dit dictum wordt tegengesproken door de motivering van de beschikking, volgens welke er ten aanzien van "de inverden-kinggestelden" onvoldoende bezwaren bestonden, met name bij ontstentenis van bedrieglijke handelingen.

Het hof van beroep heeft daaruit afgeleid dat de verwijzing van de inverdenking-gestelde wegens oplichting als een buitenvervolgingstelling moest worden gelezen, wat verklaart waarom de zaak niet bij de feitenrechter aanhangig is gemaakt.

Enerzijds slaat de vervanging van een verwijzing door een buitenvervolging-stelling, ook al wordt zij gemotiveerd door de tegenstelling waarop het arrest wijst, niet op een verschrijving die vatbaar is voor verbetering, aangezien die ver-betering leidt tot een wijziging van de rechten die door de vermeend verbeterde beslissing zijn bevestigd.

Anderzijds kan een tegenstrijdigheid tussen de redenen en het dictum van een be-schikking niet beschouwd worden als een kennelijke onregelmatigheid of een overduidelijk vormgebrek waardoor zij geacht wordt juridisch niet te bestaan.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing dus niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Het tweede middel dat niet tot ruimere vernietiging kan leiden, behoeft geen ant-woord.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering tegen A. D. P.

Tegen het ten aanzien van de tweede verweerder bij verstek gewezen arrest kon op de dag waarop het cassatieberoep werd ingesteld, namelijk op 17 november 2011, verzet worden aangetekend.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen R. S.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt J. S. tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en R. S. tot de andere helft van die kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitlegging en verbetering