- Arrest van 30 januari 2013

30/01/2013 - P.12.1813.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder het in artikel 33 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken bedoelde deskundigenverslag, dat oplegt dat het verslag in de taal van de rechtspleging wordt opgesteld, wordt het verslag verstaan van de uitvoering van zijn opdracht, dat de deskundige, ondertekend en met eedaflegging, toezendt aan de rechter die hem daarmee heeft belast; digitaal ingewonnen of aan een wetenschappelijk tijdschrift ontleende documentatie die door de deskundige op de zitting is neergelegd, wordt niet beschouwd als een verslag in de zin van de voormelde bepaling en evenmin als een akte van de rechtspleging in de zin van artikel 38 van de voormelde wet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1813.F

T. C.,

Mrs. Karl Steinier en Céline Leblanc, advocaten bij de balie te Namen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen twee arresten met de nummers 5 en 6 van het repertorium van het hof van assisen van de provincie Namen van 21 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest met nummer 5/12, dat de motivering van de beslissing bevat

Eerste middel

Het middel voert de schending aan van de artikelen 33, 38, 39 en 40 Taalwet Ge-rechtszaken. De eiser voert aan dat de wetsgeneesheren die op de zitting van 18 september 2012 zijn gehoord, hun uiteenzetting hebben gebaseerd op documenta-tie in het Engels, dat het openbaar ministerie verzocht heeft dat die tekst zou wor-den meegedeeld voor vertaling, dat de stukken die de eerste geneesheer heeft overgelegd, werden vertaald, dat die welke de tweede heeft neergelegd, niet wer-den vertaald, dat dit verzuim het recht van verdediging miskent en dat het arrest, door de niet-vertaalde stukken niet nietig te verklaren, de nietigheid daarvan over-neemt.

Naar luid van artikel 33 Taalwet Gerechtszaken worden de verslagen der deskun-digen en der vaklieden gesteld in de taal van de rechtspleging. Die regel is voor-geschreven op straffe van nietigheid en artikel 40 legt de rechter de verplichting op om deze van ambtswege uit te spreken.

Onder het in artikel 33 bedoelde deskundigenverslag wordt echter het verslag ver-staan van de uitvoering van zijn opdracht, dat de deskundige, ondertekend en met eedaflegging, toezendt aan de rechter die hem daarmee heeft belast. Digitaal in-gewonnen of aan een wetenschappelijk tijdschrift ontleende documentatie die door de deskundige op de zitting is neergelegd, wordt niet beschouwd als een ver-slag in de zin van de voormelde bepaling en evenmin als een akte van de rechts-pleging in de zin van artikel 38.

In zoverre het middel berust op de bewering van het tegendeel en in zoverre de miskenning van het recht van verdediging is afgeleid uit de door de eiser tever-geefs aangevoerde nietigheid, faalt het naar recht.

De in het Engels gestelde stukken werden neergelegd op de zitting van 18 sep-tember 2012. Op de zitting van 20 september heeft de eiser in conclusie verzocht dat de jury ontkennend zou antwoorden op de vragen over de schuld, waarvoor de beschuldigde zich met name baseert op het verslag van zijn technisch raadsman, tevens wetsgeneesheer. De eiser heeft dezelfde dag en de dag nadien het woord gekregen voor zijn verdediging en voor het antwoord. Het stond hem dus vrij om tot en met het sluiten van de debatten te vragen dat de in het middel bedoelde stukken bij gebrek aan een vertaling uit het dossier zouden worden verwijderd. Hij heeft dat niet gedaan.

Miskenning van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak kan niet worden afgeleid uit het door het middel aangeklaagde verzuim, wanneer de eiser voor de appelrechters het herstel of de bestraffing ervan heeft kunnen vorderen maar dat niet raadzaam heeft geacht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert schending aan van artikel 334 Wetboek van Strafvordering, arti-kel 149 Grondwet en artikel 6.1 EVRM.

Het arrest wordt verweten te hebben beslist dat de stelling van de beschuldigde, volgens welke het slachtoffer zou zijn overleden aan een cardio-inhiberende reflex van de halsslagader, in strijd is met zijn uitleg over de manier waarop hij de hals van het slachtoffer heeft dichtgeknepen. Volgens het middel komt de door de jury aangevoerde tegenstelling voort uit een foutieve lokalisering van de sinus-caroticus.

Het arrest van motivering van de beslissing over de schuldvraag wijst erop dat de gegevens van de deskundigen de uitleg van de beschuldigde tegenspreken, die beweert dat het slachtoffer per ongeluk is overleden ten gevolge van een wurging bij wijze van spel. Het arrest verklaart dit door de medische vaststellingen op te sommen die aantonen dat het slachtoffer overleden is door druk uit te oefenen op de mond en de neus en niet door een cervicale wurging of een hypergevoeligheid van de hartspier.

Het arrest voegt daaraan toe dat noch de autopsie, noch de positie van het slacht-offer bevestigen dat de beschuldigde gepoogd zou hebben het slachtoffer te re-animeren, dat hij volgens verschillende getuigen ermee had gedreigd het slachtof-fer te wurgen dat overigens daarover zijn beklag had gemaakt.

De overweging waarop het middel kritiek uitoefent is een overtollige reden en het verwijt dat eraan wordt gemaakt komt neer op het betwisten van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechters, van de gevolgtrekkingen die uit de voor hen gehouden forensische discussie konden worden gemaakt.

Met de hierboven samengevatte motivering voldoet het arrest aan artikel 334 Wetboek van Strafvordering, dat het hof van assisen niet verplicht op alle neerge-legde conclusies te antwoorden maar alleen de voornaamste redenen van hun be-slissing te formuleren.

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

Derde middel

De wetsbepalingen inzake het onderzoek van de zaak op de zitting van het hof van assisen bepalen niet dat de voorzitter op straffe van nietigheid van de getuigenverklaring en van de daaropvolgende rechtspleging, de getuigenis moet "afsluiten" en, met toestemming van alle partijen, de getuige machtiging moet ver-lenen zich terug te trekken.

Het middel dat het tegendeel beweert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest met nummer 6/12, dat uitspraak doet over de straf

Vierde middel

De eiser voert aan dat het arrest dubbelzinnig is over het feit of er al dan niet ver-zachtende omstandigheden moeten worden aangenomen.

De eiser werd schuldig verklaard aan moord, een misdaad die bij wet met twintig tot dertig jaar opsluiting wordt gestraft.

Het hof van assisen heeft de eiser een straf van twintig jaar opgelegd, met andere woorden het bij wet bepaalde minimum.

Het arrest verantwoordt die beslissing door erop te wijzen dat rekening dient te worden gehouden met het ontbreken van een relevant gerechtelijk verleden en met het gemis aan affectie van de beschuldigde tijdens zijn jeugd, zonder dat het die gegevens echter als verzachtende omstandigheden aanmerkt. Overeenkomstig ar-tikel 344 Wetboek van Strafvordering heeft het hof van assisen aldus melding gemaakt van de redenen die tot de vaststelling van de opgelegde straf hebben ge-leid.

Die motivering is niet dubbelzinnig aangezien geen maximumstraf wordt opgelegd en het arrest geen toepassing of melding maakt van de artikelen 79 en 80 Strafwetboek.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Deskundigenonderzoek

  • Gebruik der talen

  • Verplichting om het verslag in de taal van de rechtspleging op te maken