- Arrest van 31 januari 2013

31/01/2013 - F.10.0130.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Hof houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan over de prejudiciële vraag of de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het sinds die wijziging is verwoord, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schenden in de uitlegging dat ze uitsluiten dat er moratoire interest wordt toegekend aan de belastingplichtige die de terugbetaling verkrijgt van de bedrijfsvoorheffingen die hij spontaan heeft betaald op grond van een door de rechter achteraf ontbonden arbeidsovereenkomst, doordat ze een discriminatie invoeren (1) tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij betaald hebben nadat die belasting of voorheffing jegens hen werd ingekohierd, daar aan de laatstgenoemde belastingplichtigen wel moratoire interest wordt toegekend? Tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die verzuimd hebben dezelfde voorheffingen te betalen binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek en ze pas hebben betaald nadat de administratie die voorheffingen jegens hen heeft ingekohierd omdat ze niet spontaan binnen de wettelijke termijn zijn betaald, overeenkomstig artikel 304, §1, tweede lid, van dat wetboek, daar aan de laatstgenoemde belastingplichtigen wel moratoire interest wordt toegekend? (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0130.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van financiën,

tegen

FONDS DU CENTRE REINE FABIOLA vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 mei 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 9 januari 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wat betreft het aanslagjaar 1998;

- artikel 419, eerste lid, 1°, van datzelfde wetboek, wat betreft het aanslagjaar 1998;

- artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het volgt uit de vervanging van artikel 419 door artikel 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, wat betreft de aanslagjaren 1999 en volgende.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst erop dat "de eerste rechter de feiten van de zaak oordeelkundig heeft samengevat en dat het hof [van beroep] die uiteenzetting overneemt"; dat "alleen moet worden herhaald dat het geschil betrekking heeft op de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffingen die [de verweerster] aan de Belgische Staat heeft gestort en die zijn ingehouden op de lonen die onverschuldigd zijn betaald aan de heer B. J., directeur van de vereniging gedurende de jaren 1998 tot 2002, wiens arbeidsovereenkomst door het arbeidshof in zijn nadeel is ontbonden en die door dat hof is veroordeeld tot terugbetaling van alle lonen die hij sinds 26 mei 1998 heeft ontvangen, namelijk een bedrag van 128.609,39 euro aan nettolonen; dat de eerste rechter in zijn bestreden vonnis [...] voor het overige geoordeeld heeft dat de wettelijke voorwaarden voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde vervuld waren en de Belgische Staat heeft veroordeeld om 88.832,54 euro in hoofdsom te betalen, vermeerderd met de moratoire interest, terwijl hij de vordering van de [verweerster] tot kapitalisatie van de interest verworpen heeft, op grond dat artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing was in belastingzaken".

Het arrest beslist als volgt :

"Het staat vast dat de arbeidsovereenkomst tussen [de verweerster] en de heer B. J. volgens het arrest van het arbeidshof van 4 maart 2004 is ontbonden in het nadeel van laatstgenoemde, met terugwerkende kracht tot 26 mei 1998 ;

Hieruit volgt dat [de verweerster] vanaf die datum onverschuldigd lonen heeft betaald en het arbeidshof heeft derhalve de vordering toegewezen die ertoe strekte de heer J. te doen veroordelen tot terugbetaling van het gehele bedrag van die lonen ;

Het wordt niet betwist dat [de verweerster], in haar hoedanigheid van werkgever, bedrijfsvoorheffing verschuldigd is (artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) ;

Het staat ook vast dat [de verweerster] die voorheffingen heeft aangegeven en gestort ;

De bedrijfsvoorheffing is een wijze van belastingheffing [...] ;

De omstandigheid dat die voorheffingen zouden zijn verrekend met de belasting die ten name van de heer J. is ingekohierd - buiten het feit dat die belasting niet is vastgesteld -, staat hun teruggave niet in de weg, aangezien ze onverschuldigd zijn gestort, en dit ongeacht de bestemming die de Belgische Staat eraan heeft gegeven, en mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek, wat te dezen het geval is;

Voor het overige heeft de eerste rechter terecht interest toegekend op het verschuldigde bedrag, met toepassing van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".

Het arrest beslist bijgevolg dat het hoger beroep van de eiser niet gegrond is en raakt aldus niet aan het bestreden vonnis, dat de eiser had veroordeeld "om aan [de verweerster] een bedrag van 88.832,83 euro te betalen voor de bedrijfsvoorheffing die zij ten onrechte heeft betaald op de lonen van B.J. voor de aanslagjaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002, vermeerderd met de wettelijke moratoire interest bepaald in de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".

Grieven

Hoewel artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is voor het aanslagjaar 1998, bepaalt dat "bij terugbetaling van belastingen moratoriuminteresten worden toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend tegen 0,8 pct. per kalendermaand", is de bedrijfsvoorheffing die, zoals te dezen, niet is ingekohierd met toepassing van artikel 365 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, maar aan de bron is betaald door de verweerster in haar hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 270 van dat wetboek, op het ogenblik dat zij de lonen aan de heer J. heeft betaald of toegekend, overeenkomstig artikel 273 van hetzelfde wetboek, geen belasting maar slechts een wijze van inning (zoals dat door het hof van beroep zelf werd erkend) van de gehele belasting die de heer J. verschuldigd is op al zijn inkomsten, zodat de teruggave van die bedrijfsvoorheffing aan de belastingplichtige, zoals bepaald in het voornoemde artikel 270, niet leidt tot de toekenning van moratoire interest op grond van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; artikel 419, eerste lid, 1°, van dat wetboek, zoals het van toepassing is voor het aanslagjaar 1998, bepaalt in elk geval uitdrukkelijk dat er "geen moratoriuminterest wordt toegekend bij terugbetaling van bedrijfsvoorheffingen als bedoeld bij de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt", en verbiedt, bijgevolg, uitdrukkelijk dat er moratoire interest wordt toegekend ingeval de bedrijfs-voorheffing teruggegeven wordt aan de belastingplichtige die spontaan deze door hem aangegeven voorheffing heeft betaald, wat te dezen het geval is en geenszins wordt betwist.

Zo ook bepaalt artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is op de aanslagjaren 1999 tot 2002, weliswaar dat "bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoriuminterest wordt toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand", maar bepaalt artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het van toepassing is voor diezelfde aanslagjaren, echter uitdrukkelijk dat er "geen moratoriuminterest wordt toegekend in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan".

Hieruit volgt dat het arrest, dat uitspraak doet over het hoger beroep van de eiser tegen het vonnis dat hem had "veroordeeld om aan [de verweerster] een bedrag van 88.832,83 euro te betalen voor de bedrijfsvoorheffing die zij ten onrechte heeft betaald op de lonen van B.J. voor de aanslagjaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002, vermeerderd met de wettelijke moratoire interest bepaald in de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992", niet naar recht heeft kunnen beslissen dat "de eerste rechter terecht interest heeft toegekend op het verschuldigde bedrag, met toepassing van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992", terwijl het erop wees dat het vaststond dat de bedrijfsvoorheffing was gestort door de belastingplichtige bedoeld in artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en dat zij door hem was aangegeven, zonder dat zij jegens hem was ingekohierd; het arrest schendt bij-gevolg de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze van toepassing zijn voor het aanslagjaar 1998, en artikel 419, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is voor de aanslagjaren 1999 tot 2002.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel voert de schending aan van de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, WIB1992, wat betreft het aanslagjaar 1998, maar preciseert niet de versie van die bepalingen waarnaar het verwijst:

Het middel citeert de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, WIB1992.

Het voert daarenboven de schending aan van artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, "zoals het volgt uit de vervanging [van dat artikel] door artikel 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen [...] wat betreft de aanslagjaren 1999 en volgende".

Uit die aanwijzingen volgt dat het middel betrekking heeft op de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de voornoemde wet van 15 maart 1999.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

Artikel 418, eerste lid, WIB1992, in de versie die van toepassing was vóór de wij-ziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, bepaalt dat er bij terugbetaling van belastingen moratoire interest wordt toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend tegen 0,8 pct. per kalen-dermaand, en na de wijziging van het artikel bij die wet van 15 maart 1999, dat er bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsin-terest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoire interest wordt toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand.

Krachtens artikel 419, eerste lid, 1°, van dat wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de voornoemde wet van 15 maart 1999, wordt er geen moratoire interest toegekend bij terugbetaling van bedrijfsvoorheffingen als bedoeld in de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt. Volgens artikel 419, eerste lid, 4°, zoals het sinds die wijziging is gesteld, wordt er geen moratoire interest toegekend in geval van te-rugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte be-dragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan.

Het bestreden arrest stelt het volgende vast :

- B. J. oefende binnen de verwerende vereniging zonder winstoogmerk de func-tie uit van directeur;

- na zijn ontzetting uit al zijn bestuursfuncties bij beslissing van de algemene vergadering van 26 mei 1998 heeft hij geen enkele prestatie meer geleverd, maar werden zijn loon en alle andere voordelen toch uitbetaald zolang er geen rechterlijke beslissing was genomen;

- de verweerster heeft hem op 16 juni 1999 voor de arbeidsrechtbank gedagvaard met het oog op de gerechtelijke ontbinding, in zijn nadeel, van de arbeidsovereenkomst met uitwerking vanaf 26 mei 1998 en zijn veroordeling tot de terugbetaling van de ten onrechte ontvangen lonen;

- die rechtbank heeft bij vonnis van 22 september 2000 de voorlopige schorsing van de betaling van het loon bevolen;

- aangezien tegen die beslissing hogere beroepen werden ingesteld, heeft de verweerster het loon van B.J. voortbetaald en heeft zij op dat loon de sociale-zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing ingehouden en betaald;

- het arbeidshof heeft bij arrest van 4 maart 2004 de ontbinding van de arbeids-overeenkomst in het nadeel van B.J. uitgesproken, met terugwerkende kracht tot 26 mei 1998, en heeft hem veroordeeld om alle lonen terug te betalen die hij sinds die datum ten onrechte heeft ontvangen; dat hof heeft bij arrest van 7 de-cember 2004 het bedrag van die veroordeling vastgesteld op 128.609,39 euro, in hoofdsom, tot beloop van de nettolonen die hij daadwerkelijk heeft ontvan-gen; het hof heeft bovendien beslist dat er geen voorbehoud moest worden ge-maakt met betrekking tot de mogelijke niet-terugbetaling van het geheel of een gedeelte van de bedrijfsvoorheffingen en socialezekerheids-bijdragen die on-verschuldigd zouden zijn gestort; het cassatieberoep tegen laatstgenoemd arrest werd verworpen bij het arrest van 3 oktober 2005 van het Hof;

- de verweerster heeft in 2004 en 2005 bij de gewestelijke directeur van de direc-te belastingen te Bergen bezwaarschriften ingediend teneinde de terugbetaling te verkrijgen van de bedrijfsvoorheffingen die ingehouden werden op de lonen die voor de jaren 1998 tot 2003 ten onrechte zijn betaald aan B.J. en die aan de eiser zijn gestort; de gewestelijke directeur heeft bij beslissing van 5 april 2006 akte genomen van het feit dat de verweerster afzag van haar bezwaar voor het jaar 2003, daar de situatie was geregulariseerd en de voorheffingen waren te-rugbetaald, en heeft het bezwaarschrift met betrekking tot de jaren 1998 tot 2002 niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 366 van het Wet-boek van de inkomstenbelastingen 1992, op grond dat het bezwaarschrift, on-geacht of het een klacht dan wel een ambtshalve ontheffing betrof, doelloos was.

Het bestreden arrest beveelt de teruggave van de voorheffingen die de verweerster had aangegeven en gestort voor de aanslagjaren 1998 tot 2002 omdat die voorheffingen volgens het arrest, gelet op de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, onverschuldigd zijn betaald, en beslist vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat er met toepassing van de artikelen 418 en 419 WIB1992 interest verschuldigd is op het bedrag tot de betaling waarvan het arrest de eiser jegens de verweerster veroordeelt.

Het middel voert aan dat die beslissing de voormelde bepalingen WIB1992 schendt, aangezien ze uitsluiten dat er moratoire interest wordt toegekend wan-neer, zoals te dezen, de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing deze spontaan heeft aangegeven en gestort, aangezien die voorheffing nooit jegens hem is inge-kohierd.

De verweerster voert naar analogie het arrest van 25 januari 2007 van het Grond-wettelijk Hof aan en betoogt dat de voormelde wetsbepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in de uitlegging dat ze uitsluiten dat er moratoire interest wordt toegekend aan de belastingplichtige die de terugbetaling verkrijgt van bedrijfsvoorheffingen die hij spontaan heeft betaald op grond van een door de rechter achteraf ontbonden arbeidsovereenkomst.

Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet dat hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, bij we-ge van arrest uitspraak op vragen omtrent de schending door een wet van de arti-kelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Krachtens artikel 26, § 2, van die bijzondere wet is het Hof gehouden de in het dictum van dit arrest geformuleerde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof geantwoord heeft op de vol-gende prejudiciële vraag :

Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, WIB1992, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffen-de de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wet-boek, zoals het sinds die wijziging is verwoord, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de uitlegging dat ze uitsluiten dat er moratoire interest wordt toege-kend aan de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van de bedrijfs-voorheffingen die zij spontaan hebben betaald op grond van een door de rechter achteraf ontbonden arbeidsovereenkomst, doordat ze een discriminatie invoeren:

1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij betaald hebben nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoire interest wordt toegekend?

2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald bin-nen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de admi-nistratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoire interest wordt toegekend?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Alain Simon, Gustave Steffens, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Toekenning van moratoire interest

  • Discriminatie

  • Schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet

  • Prejudiciële vraag