- Arrest van 31 januari 2013

31/01/2013 - F.10.0112.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide instanties opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde (1). (1) In zijn andersluidende schriftelijke conclusie kwam het O.M., dat van dezelfde regel uitging als het Hof, tot een tegenovergestelde beoordeling; over de regel, zie Cass. 4 dec. 2008, AR C.07.0412.F, AC 2008, nr. 698.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0112.F

A. ANRIGLASS nv,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 10 februari 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 9 januari 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 2 en 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde;

- de artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond, wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart, de voor het aanslagjaar 2002 ingekohierde aanvullende aanslag nietig verklaart en de verweerder veroordeelt om alle dienaangaande ten onrechte betaalde bedragen terug te storten, vermeerderd met de interest, en verklaart, bij wege van nieuwe beschikkingen, de oorspronkelijke vordering van de eiseres die strekt tot nietigverklaring van de aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting die jegens haar op 14 april 2003 is ingekohierd onder artikel 851.229.277 van het kohier van het aanslagjaar 2003 niet-gegrond, op grond, in substantie, dat de taxatieambtenaar terecht de methode van taxatie door feitelijke vermoedens heeft gehanteerd door zich te baseren op de inlichtingen van de belastingplichtige zelf in zijn voorraadinventaris, ook al werd deze op losse bladen bijgehouden. Daarenboven grondt het bestreden arrest zijn beslissing op het feit dat, "hoewel de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit de fiscale toestand van de [eiseres] heeft onderzocht door gelijktijdig controles te ver-richten op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde en de inkom-stenbelastingen, het arrest dat op 8 oktober 2009 op tegenspraak is gewezen door de twintigste burgerlijke kamer van het hof [van beroep] daarentegen alleen be-trekking heeft op de fiscale toestand [van de eiseres] inzake belasting over de toegevoegde waarde en niet inzake inkomstenbelastingen, daar op die toestand andere regels voor het vaststellen van de belasting van toepassing zijn".

Grieven

Het gezag van gewijsde strekt zich uit tot het beschikkend gedeelte van de beslissing en tot de redenen waarop de beslissing noodzakelijk steunt. Het gezag van gewijsde vormt een grond van niet-ontvankelijkheid die, volgens artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek, verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld en blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt (artikel 26 van het Gerechtelijk Wetboek). Het gezag van gewijsde heeft, meer algemeen, tot doel te voorkomen dat er tegenstrijdigheid zou ontstaan tussen een te wijzen beslissing en een reeds gewezen beslissing tussen dezelfde partijen, wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek.

Inzake inkomstenbelastingen werd in het kader van de belastingprocedure, zoals zij van kracht was vóór de wijziging ervan bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, aangenomen dat de miskenning van het gezag van gewijsde - net als het verval - ambtshalve moest worden opgeworpen door het hof van beroep dat uitspraak doet over het fiscaal beroep van de belastingplichtige tegen de beslissing van de gewestelijke directeur. Ook de belastingplichtige kan de miskenning van het gezag van gewijsde aanvoeren, en wel in elke stand van de procedure, zelfs buiten de termijn die hem door de artikelen 378 en 381 van het Wetboek van de inkomsten-belastingen 1992 (vóór de vervanging ervan bij de wet van 15 maart 1999) was toegekend om nieuwe grieven voor te leggen.

Nog inzake inkomstenbelastingen verzet het gezag van gewijsde zich met name tegen de vaststelling van een nieuwe aanslag die in strijd zou zijn met een eerdere beslissing tot nietigverklaring of ontheffing, wanneer de administratie toepassing maakt van de artikelen 355 of 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (nieuwe inkohiering of subsidiaire aanslag) na de nietigverklaring van de oorspronkelijke aanslag wegens een procedurefout (buiten het verval van het recht om belasting te heffen).

Het gezag van gewijsde inzake inkomstenbelastingen veronderstelt dat de nieuwe aanslag niet verenigbaar is met die waarover een eerdere beslissing uitspraak heeft gedaan of, meer algemeen, dat het huidige geschil reeds is beslecht door een eer-dere beslissing.

Over het algemeen geldt het gezag van gewijsde weliswaar alleen tussen dezelfde partijen, maar uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover definitief is beslist, niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide instanties opwerpt identiek kan zijn, en evenmin dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde.

Inkomstenbelastingen en belasting over de toegevoegde waarde zijn verschillende belastingen. Ook al gelden voor beide soorten belastingen andere vaststellings- en invorderingsregels, sluit zulks nochtans niet onmiddellijk en automatisch uit dat een beslissing inzake belasting over de toegevoegde waarde gezag van gewijsde kan hebben voor de beslechting van een geschil inzake inkomstenbelastingen. Er moet rekening worden gehouden met het werkelijke voorwerp van het geschil tussen de partijen of van sommige van hun respectieve aanspraken. In dat opzicht mag niet uit het oog worden verloren dat de administratie het haar opgelegde bewijs, zowel inzake belasting over de toegevoegde waarde als inkomstenbelastingen, door alle rechtsmiddelen en dus ook door feitelijke vermoedens kan leveren.

Wat dat betreft herinnerde de eiseres eraan "dat de controle, inzake inkomstenbelastingen, van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit geleid heeft tot twee wijzigingsberichten voor de aanslagjaren 2002 en 2003, die dateren van 3 augustus 2004. De wijzigingen inzake directe belastingen zijn dezelfde als die inzake de belasting over de toegevoegde waarde".

Het bestreden arrest wijst er zelf op dat "de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit op 26 februari 2004, 11 maart 2004 en 29 april 2004 controles bij de [eiseres] heeft verricht met betrekking tot de verrichtingen van de boekjaren die op 31 december 2001 en 31 december 2002 zijn afgesloten, zowel inzake de belasting over de toegevoegde waarde als inzake inkomstenbelastingen; de bevoegde belastingadministratie heeft de omzet van de vennootschap voor 2001 en 2002 opnieuw samengesteld op grond van de inkomende handelingen, door op basis van de hoekprofielen - die onmisbaar zijn voor de productie van ramen met dubbel glas, aangezien ze de aluminium latten die steun bieden aan de twee glasplaten samenhouden - de omzet die de onderneming moest behalen door de productie en de verkoop van dubbele ramen te vergelijken met de omzet van de dubbele ramen, die zij gefactureerd en aangegeven heeft in haar periodieke BTW-aangiften voor de gecontroleerde jaren".

Het geschil betrof in dit geval dus niet de regels voor de vaststelling van de belasting maar de wedersamenstelling zelf van de omzet: die wedersamenstelling kwam tot stand volgens dezelfde methode en op grond van hetzelfde feitelijke vermoeden, met name het aantal hoekprofielen dat vermeld wordt op de handgeschreven inventarisbladen van de eiseres, voor het vaststellen van zowel de belasting over de toegevoegde waarde als van de inkomstenbelastingen.

Welnu, de twintigste kamer van het hof van beroep te Bergen heeft bij arrest van 8 oktober 2009 uitspraak gedaan over het geschil tussen de eiseres en de verweerder inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Dat arrest werd in het debat gebracht voor de achttiende kamer van hetzelfde hof van beroep en de verweerder heeft daarover zelfs een zittingsnota neergelegd.

De twintigste kamer van het hof van beroep te Bergen heeft in zijn arrest van 8 oktober 2009 eerst herhaald dat "er bij [de eiseres] gelijktijdig controles zijn verricht met betrekking tot de belasting van de toegevoegde waarde en de inkomstenbelastingen, voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 ; [...] de fiscus heeft de omzet van [de eiseres] opnieuw samengesteld op grond van feitelijke vermoedens (artikel 59, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde)".

Zij heeft het hoger beroep van de Belgische Staat verworpen om de volgende re-denen:

"Een bewijs door vermoedens moet gegrond zijn op een bekend feit ;

[...] Het bewijs door vermoedens kan niet worden toegelaten wanneer het feit waarop het vermoeden gegrond is niet vaststaat, ook al gaat de rechter ervan uit dat het vermoeden waarschijnlijk terecht is [...] ;

[...] In dit geval is het ‘bekende feit' dat [de verweerder] aanvoert, met name dat een raam vier hoeken heeft, niet relevant ;

[...] De vaststelling dat het product van de belastingplichtige uit verschillende on-derdelen bestaat, is op zich immers geen afdoende reden om een dergelijk be-wijsmiddel te kunnen hanteren;

[...] Het bekende feit dat door vermoedens kan worden aangetoond, had het aantal hoekprofielen moeten zijn dat zij bij het begin en aan het einde van het aanslagjaar in voorraad had;

[...] De losse inventarisbladen van [de eiseres] blijken nauwelijks een betrouwbaar beeld van het aantal hoekprofielen te kunnen geven;

[...] [De verweerder] erkent dat [de eiseres], in 2000, 67.000 hoekprofielen heeft aangekocht (factuur nr. 32580 van haar leverancier Alu Pro van 10 november 2000) en dat ze pas in 2001 zijn gebruikt, aangezien de productie in 2000 nog niet was opgestart ;

[...] Door zich te baseren op een voorraad hoekprofielen die op 1 januari 2001 niet bestond, blijkt [de verweerder] dus van een foute redenering te zijn uitgegaan ;

[...] Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, heeft de fiscus geen rekening gehouden met de 67.000 hoekprofielen die eind 2000 zijn aangekocht en heeft hij de aanslag zodoende arbitrair vastgesteld door zich welbewust te baseren op on-juiste feiten;

[...] Het is belangrijk erop te wijzen dat de belastingadministratie, in haar verzoek-schrift in hoger beroep, uitdrukkelijk heeft erkend dat de aanslag inzake directe belastingen voor het jaar 2001 op arbitraire wijze was vastgesteld, hoewel zij blijft volhouden dat die aanslag inzake belasting over de toegevoegde waarde volstrekt regelmatig is;

[...] [De verweerder] betoogt tevergeefs dat de aanslag op zijn minst moet worden behouden voor 2002;

[...] Het bewijs door vermoedens kan te dezen niet worden aangenomen;

[...] Wanneer de stelling [van de verweerder] wordt gevolgd volgens welke het bekende feit dat door vermoedens kan worden aangetoond, hierin bestaat dat een raam vier hoekprofielen bevat, dan moet immers worden vastgesteld dat het voormelde feit op zich niet relevant is;

[...] Indien het vermoeden wordt afgeleid uit de voorraad hoekprofielen van [de eiseres], dan moet worden vastgesteld dat de schommelingen en de werkelijke inhoud van die voorraad niet vaststaan en niet als een gekend feit kunnen worden beschouwd ;

[...] Het feit dat de 67.000 hoekprofielen niet zijn opgenomen in de eerste inventaris op losse bladen, toont naar genoegen van recht aan dat die stukken geen be-trouwbaar beeld geven van de werkelijke inhoud van de voorraad;

[...] De aanslag voor 2002 vloeit voort uit dezelfde arbitraire redenering voor het jaar 2001 en is aangetast door dezelfde onzekerheid met betrekking tot de werkelijke inhoud van de voorraad hoekprofielen;

[...] Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de uitspraak van de eerste rechter terecht is".

Dat arrest van 8 oktober 2009 verwerpt de wedersamenstelling van de omzet voor zowel 2001 als 2002, aangezien het aantal hoekprofielen dat vermeld wordt op de handgeschreven inventarisbladen van de eiseres geen bekend en vaststaand feit is, dat als grondslag kan dienen voor het feitelijk vermoeden waarop de administratie zich gebaseerd heeft om de omzet van de eiseres opnieuw samen te stellen.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat het hoger beroep [van de verweerder] toewijst en dat beslist dat de belastingambtenaar terecht een beroep heeft gedaan op het feitelijk vermoeden, dat gegrond is op het aantal hoekprofielen dat vermeld wordt op de handgeschreven inventarisbladen van de eiseres, zodoende

- het gezag van gewijsde van het arrest van 8 oktober 2009 miskent (schending van de artikelen 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek, die toepasselijk zijn in belastingzaken krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde en schending van de artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarin dat beginsel inzake de inkomstenbelastingen is vastgelegd), in zoverre de omstandigheid alleen dat de belasting over de toegevoegde waarde en de inkomstenbelastingen belastingen zijn die aan verschillende vaststellingsregels gehoorzamen, wat voor de belastingplichtige tot verschillende situaties leidt, niet kan uitsluiten dat een beslissing inzake belasting over de toegevoegde waarde (te dezen het arrest van 8 oktober 2009) gezag van gewijsde kan hebben voor de beslechting van een geschil inzake inkomstenbelas-tingen;

- het gezag van gewijsde van het arrest van 8 oktober 2009 miskent (schending van de artikelen 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek, die toepasselijk zijn in belastingzaken krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde en schending van de artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarin dat beginsel inzake de inkomstenbelastingen is vastgelegd), in zoverre uit de vaststellingen zelf van het arrest blijkt dat dezelfde aanspraak betwist werd, zowel voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde als van de inkomstenbelastingen, namelijk de wedersamenstelling van de omzet op grond van hetzelfde feitelijke vermoeden, dat steunt op het aantal hoekprofielen dat vermeld wordt op de inventarisbladen, zodat het arrest van 8 oktober 2009 gezag van gewijsde had voor de beslechting van het aan het hof van beroep voorgelegde geschil inzake inkomstenbelastingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover de-finitief is beslist, niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide instanties opwerpt identiek kan zijn, en evenmin dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag on-verenigbaar is met het vroegere gewijsde.

Het hof van beroep te Bergen beslist in zijn arrest van 8 oktober 2009, op de rechtsvordering van de eiseres waarin zij kritiek uitoefende op het feit dat de ver-weerder uit de inventaris van haar voorraad hoekprofielen voor de productie van dubbele ramen een vermoeden van verzwijging van een gedeelte van haar omzet-cijfer had afgeleid en, derhalve, op grond daarvan de invordering van een aanvul-lende belasting over de toegevoegde waarde had geëist, dat "het bekende feit dat door vermoedens kan worden aangetoond, het aantal hoekprofielen had moeten zijn dat zij bij het begin en aan het einde van het aanslagjaar in voorraad had", dat "de losse inventarisbladen van [de eiseres] echter nauwelijks een betrouwbaar beeld van het aantal hoekprofielen blijken te kunnen geven", dat immers is aangetoond dat een groot aantal hoekprofielen niet zijn opgenomen in de inventa-ris van 31 december 2000, dat die nalatigheid heeft geleid tot een willekeurige re-gularisatie van de belasting over de toegevoegde waarde voor 2001, dat "de aan-slag voor 2002 voortvloeit uit dezelfde arbitraire redenering voor het jaar 2001 en is aangetast door dezelfde onzekerheid met betrekking tot de werkelijke inhoud van de voorraad hoekprofielen", en verwerpt bijgevolg de aanspraak van de ad-ministratie om de winst van de eiseres opnieuw samen te stellen op grond van de cijfers die in die stukken zijn opgenomen, zowel voor 2001 als voor 2002.

Het bestreden arrest wijst erop dat "de vennootschap, in een handgeschreven in-ventaris die is afgesloten op 31 december 2001 - en terug is opgenomen op 1 ja-nuari 2002 -, nauwkeurig het aantal hoekprofielen heeft bijgehouden dat zij vol-gens haar geschriften in voorraad had", dat zij hetzelfde heeft gedaan voor de voorraad op 31 december 2002, dat "de boekhouding van een handelsbedrijf als grondslag dient voor de vaststelling van de belasting op haar inkomsten" en beslist "dat het niet voldoende is dat de belastingplichtige het aantal voorradige hoekprofielen betwist [...] opdat het cijfer in de inventaris geen bekend feit meer is: hij moet in concreto, door een effectieve controle van de inventaris, aantonen dat het aantal hoekprofielen dat is geïnventariseerd op 31 december 2001 en 31 december 2002 niet strookt met de werkelijkheid, wat de [eiseres] niet doet".

Het bestreden arrest stelt vast dat de wedersamenstelling van de omzet voor het aanslagjaar 2002 foutief is omdat de oorspronkelijke voorraad niet in de boekhou-ding voorkwam, maar beslist dat die omstandigheid de wedersamenstelling van de omzet voor 2003 niet ongeldig maakt, aangezien niet is aangetoond dat de boek-houding van 2002 zelf ook fouten bevatte. Het herinnert aan het annaliteitsbegin-sel dat van toepassing is inzake inkomstenbelastingen.

Het bestreden arrest leidt daaruit af dat "de taxatieambtenaar terecht de methode van taxatie door feitelijke vermoedens heeft gehanteerd door zich inzonderheid te baseren op de inlichtingen van de belastingplichtige zelf in zijn voorraadinventaris, ook al werd deze op losse bladen bijgehouden", en dat "die geschriften, met name de staat van de voorraad van een product dat in de inventaris voorkomt, het bekende feit kan zijn dat als basis voor een belasting door feitelijke vermoedens kan dienen".

Het arrest beslist dat "hoewel de verweerder ... gelijktijdig controles heeft verricht op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde en de inkom-stenbelastingen, het arrest dat op 8 oktober 2009 op tegenspraak is gewezen ... alleen betrekking heeft op de fiscale toestand [van de eiseres] inzake belasting over de toegevoegde waarde en niet inzake inkomstenbelastingen, daar die toestand aan andere regels voor het vaststellen van de belasting gehoorzaamt".

Op grond van al die overwegingen heeft het arrest kunnen beslissen, zonder het gezag van gewijsde van het arrest van 8 oktober 2009 te miskennen, dat de taxa-tieambtenaar het feitelijk vermoeden naar recht had toegepast.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Alain Simon, Gustave Steffens, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Zelfde partijen

  • Voorwerp en oorzaak van een reeds beslechte rechtsvordering niet dezelfde als die van een latere rechtsvordering