- Arrest van 4 februari 2013

04/02/2013 - C.10.0120.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De brandverzekering die in eigen naam is gesloten door de onverdeelde mede-eigenaar van het verzekerd goed dekt enkel zijn deel van de eigendom en komt niet ten goede aan de andere mede-eigenaars, tenzij uit de verzekering volgt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0120.F

AG INSURANCE nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. C.,

2. C. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Bergen van 7 oktober 2009.

De eerste voorzitter heeft de zaak bij beschikking van 11 januari 2013 verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 10, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- de artikelen 1122 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat de beslissing van de eerste rechter wijzigt, veroordeelt de eiseres tot betaling van 19.666,38 euro, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf 27 oktober 2006. Dat bedrag stemt overeen met het gedeelte van de verzekeringsvergoeding dat, volgens de verweerders, aan de verweerster had moeten toekomen, niettegenstaande dat de eiseres aanvoerde dat de verweerster niet de begunstigde was van de verzekering, die door de verweerder enkel in eigen naam was afgesloten. Het arrest beslist aldus om de volgende redenen:

"Het staat vast dat [de verweerster] niet is vermeld als de begunstigde van de verzekeringsovereenkomst ;

Het feit dat de overeenkomst bepaalt dat er voor derden kan worden bedongen, be-tekent op zich echter niet dat de verzekeringsmaatschappij het voordeel van de polis aan een derde heeft willen toekennen, aangezien de medecontractant de wil daartoe niet heeft uitgedrukt;

[De verweerder] beweert echter, zonder te worden tegengesproken, dat hij de litigieuze verzekering heeft gesloten in onderlinge overeenstemming met zijn zuster;

De werkelijke intentie van de verzekeringnemer hoeft niet expressis verbis in de overeenkomst te worden vermeld; die intentie hoeft alleen maar te blijken uit het voorwerp van de overeenkomst, uit de bedingen ervan, uit het geheel van die bedingen of uit elke aanwijzing die overtuigend wordt geacht [...];

De verzekering wordt gesloten voor het gehele goed, zonder dat [de verweerder] alleen zijn gedeelte van het pand heeft willen verzekeren;

De overeenkomst die [de verweerder] heeft gesloten komt, ten aanzien van [de verweerster], voor als een daad van beheer die noodzakelijk en nuttig was voor het behoud van het litigieuze pand en die door [de verweerster] was goedgekeurd, getuige haar aanwezigheid in deze zaak;

[De eiseres] voert overigens niet aan dat zij, alvorens de overeenkomst te sluiten, de kwestie van de eigendom van het pand zou hebben nagetrokken, namelijk door middel van de vragenlijst die zij aan haar verzekerde heeft voorgelegd, en zij kan hem haar eigen nalatigheid niet verwijten;

[De eiseres] heeft aanvaard om het pand tegen brand te verzekeren en heeft de premies voor de dekking van het gehele pand in ontvangst genomen, en haar weigering vindt geen steun in enige wijziging van het risico;

Het bezwaar van [de eiseres] betreffende de miskenning van het vergoedingsbeginsel is irrelevant, aangezien [de verweerster] bij de zaak betrokken is en dezelfde belangen als haar broer verdedigt".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

Zoals de eiseres in haar conclusie aanvoerde, bepaalt artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek dat men wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit.

Het arrest erkent dat het feit dat de overeenkomst bepaalt dat er voor derden kan worden bedongen, op zich echter niet betekent dat de verzekeringsmaatschappij het voordeel van de polis aan een derde heeft willen toekennen, aangezien de medecontractant de wil daartoe niet heeft uitgedrukt, maar beslist vervolgens toch dat de litigieuze overeenkomst ten gunste van de verweerster was gesloten, op grond dat "[de verweerder] beweert dat hij de litigieuze verzekering heeft gesloten in onderlinge overeenstemming met zijn zuster".

Het feit dat de verweerder de litigieuze verzekering zou hebben gesloten in onderlinge overeenstemming met zijn zuster, betekent daarom nog niet dat de partijen zouden zijn overeengekomen dat de overeenkomst tussen de eiseres en de verweerder een beding ten behoeve van derden, ten gunste van de verweerster, zou bevatten.

Het arrest, dat het tegendeel beslist, schendt bijgevolg artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, artikel 1165 van dat wetboek.

Het beding ten behoeve van derden veronderstelt daarenboven dat de promettant zich verbonden heeft ten aanzien van de derde, d.i. de begunstigde van het beding ten behoeve van derden, en dat hij bijgevolg aan laatstgenoemde een rechtstreeks recht heeft willen toekennen (S. Bar et C. Alter, Les effets du contrat, Kluwer, 2006, nr. 82 ; Cass., 21 oktober 1971, AC, 1972, 190; 12 mei 1972, Pas., 1972, 849).

Het arrest, dat beslist dat er te dezen een beding bestond ten behoeve van een derde, namelijk de verweerster, alleen op grond dat de verweerder die verzekering zou hebben gesloten in onderlinge overeenstemming met laatstgenoemde, zonder vast te stellen dat de eiseres haar een rechtstreeks recht heeft willen toekennen teneinde haar de dekking van de verzekering te geven, schendt daarenboven artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, artikel 1165 van dat wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Derde onderdeel

Krachtens artikel 1, B, a), van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst wordt, bij schadeverzekering, onder verzekerde degene verstaan die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade.

Luidens artikel 1165 Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121.

Artikel 1122 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men wordt geacht te hebben bedon-gen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegen-deel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit.

Uit die bepalingen volgt dat de brandverzekering die in eigen naam is gesloten door de onverdeelde mede-eigenaar van het verzekerde goed, in de regel slechts zijn deel van de eigendom dekt en niet aan de andere mede-eigenaars ten goede komt, tenzij uit de verzekering volgt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld.

Het arrest stelt vast dat de verweerders "onverdeelde mede-eigenaars zijn van een pand [...] dat de verweerder bewoont, die bij de [eiseres] een brandverzekering heeft afgesloten", dat "er in het pand brand is uitgebroken" en dat de eiseres "heeft aanvaard om [de verweerder] te vergoeden tot beloop van de helft van de schade, in zoverre hij in de verzekeringsovereenkomst vermeld wordt als de enige onder-tekenaar, zonder beding ten gunste van [de verweerster]".

Het arrest wijst erop dat "[de verweerster] niet vermeld wordt als begunstigde van de verzekeringsovereenkomst" en dat "het feit dat de overeenkomst bepaalt dat er voor derden kan worden bedongen, op zich echter niet betekent dat de ver-zekeringsmaatschappij het voordeel van de polis aan een derde heeft willen toe-kennen, aangezien de medecontractant de wil daartoe niet heeft uitgedrukt".

Het arrest, dat beslist dat "[de verweerder] beweert [...], zonder te worden tegen-gesproken, dat hij de litigieuze verzekering heeft gesloten in onderlinge overeen-stemming met zijn zuster" en daaruit afleidt dat "[de eiseres] [...] [aan laatstge-noemde] dekking verschuldigd is", schendt artikel 1122 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de overige onderdelen van het eerste middel of van het tweede middel, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de ont-vankelijkheid van het hoger beroep en het beroepen vonnis bevestigt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Alain Simon, Mireille Delange, Michel Le-mal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 4 februari 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Niet verplichte burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering

  • Brandverzekering

  • Gebouw

  • Broer en zus, mede-eigenaars

  • Brand

  • Tussenkomst van de verzekeraar

  • Voorwaarden