- Arrest van 6 februari 2013

06/02/2013 - P.13.0172.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 4, 3°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de persoon op wie het betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de in het verzoek tot overlevering bedoelde feiten; aangezien de leeftijd van de strafrechtelijke bekwaamheid in de regel op achttien jaar is gesteld, kan de persoon die op het ogenblik van de feiten nog geen achttien was niet aan de vreemde overheid worden overgeleverd (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0172.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUS-SEL,

tegen

C.-G. S.,

Mr. Jean-Francis Delpérée, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 januari 2013.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 4 februari 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Op de rechtszitting van 6 februari 2013 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconclu-deerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert schending aan van artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbe-vel. Het arrest wordt verweten dat het de tenuitvoerlegging weigert van het bevel dat door een vreemde rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd. Het arrest grondt die weigering op het feit dat de verweerder slechts zestien jaar oud was op het ogen-blik waarop hij de feiten heeft gepleegd die geleid hebben tot de straf waarvoor de tenuitvoerlegging van het bevel is uitgevaardigd. De eiser voert aan dat de door de buitenlandse overheid gevraagde overlevering van een minderjarige, met het oog op vervolging of tenuitvoerlegging van een straf, alleen is onderworpen aan de voorwaarde dat die minderjarige op het ogenblik van het misdrijf de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

Artikel 4, 3°, van de wet bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aan-houdingsbevel wordt geweigerd ingeval de persoon op wie het betrekking heeft gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aan-sprakelijk kan worden gesteld voor de in het verzoek tot overlevering bedoelde feiten.

Die bepaling slaat inzonderheid op de minderjarigen.

Aangezien de strafrechtelijke bekwaamheid in de regel op achttien jaar is gesteld, kan de persoon die op het ogenblik van de feiten nog geen achttien jaar oud was niet aan de vreemde overheid worden overgeleverd.

De eiser voert een ministeriële omzendbrief aan van 8 augustus 2005 die zegt dat België de overlevering van een minderjarige, ouder dan zestien, niet kan weigeren omdat de vervolging en de veroordeling van die minderjarige in het buitenland niet in strijd is met de Belgische openbare orde.

Die bewering, die uit het gemeenrechtelijk uitleveringsrecht komt, kan evenwel niet tot gevolg hebben dat een handeling die een uitdrukkelijke bepaling van de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel verbiedt, wettig wordt zonder dat het door haar uitgevaardigde algemeen verbod tot minderjarigen van minder dan zestien jaar wordt beperkt.

Aangezien het misdrijf in het buitenland is berecht, is er voor het overige geen grond om na te gaan of de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten al dan niet onder het toepassingsgebied van artikel 57bis Jeugdbeschermingswet val-len.

Artikel 57bis bepaalt dat de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, uit handen kan worden gegeven om te worden berecht door een bijzondere kamer van de jeugdrechtbank of door het hof van assisen.

Die rechtspleging is niet toepasselijk op de persoon die, omdat hij in het buiten-land is berecht, niet in België zal worden berecht.

Behalve voor verkeersovertredingen is de persoon die in het buitenland is veroor-deeld wegens feiten die hij vóór zijn achttiende heeft gepleegd en die door de Uitvaardigende Staat wordt opgeëist om de in die Staat opgelegde straf ten uitvoer te leggen, noodzakelijkerwijs iemand die, op het ogenblik waarop België het verzoek tot overlevering ontvangt, krachtens het Belgische recht en wegens zijn leeftijd nog niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten waarop het bevel gegrond is.

De appelrechters weigeren de tenuitvoerlegging bijgevolg naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging gevraagd aan België

  • Dwingende weigeringsgrond

  • Minderjarigbheid

  • Leeftijd van de strafrechtelijke bekwaamheid

  • Feiten gepleegd vóór de leeftijd van achttien jaar