- Arrest van 6 februari 2013

06/02/2013 - P.13.0170.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het onderzoeksgerecht moet antwoorden op de conclusie van de inverdenkinggestelde wanneer daarin, in het kader van de eerste verschijning, met name een onregelmatigheid van de rechtspleging wordt aangevoerd die de bevestiging van het bevel tot aanhouding zou kunnen beletten (1). (1) Zie Cass. 17 mei 2006, AR P.06.0684.F, AC 2006, nr. 278.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0170.F

R. E. F.,

Mr. Thibaut Colin, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 januari 2013.

De eiser voert in een memorie die op 30 januari 2013 op de griffie van het Hof is ontvangen, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kunnen cassatie-middelen worden voorgedragen in onder meer een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen, uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening.

De eiser heeft op 24 januari 2013 cassatieberoep ingesteld. De memorie is op de zesde dag te rekenen van het cassatieberoep op de griffie ingekomen en is bijge-volg laattijdig ingediend.

Het Hof vermag geen acht te slaan op de daarin aangevoerde middelen.

Ambtshalve middel : schending van de artikelen 23, 4°, en 30, § 4, van de wet van 20 juli 1990

Het onderzoeksgerecht moet antwoorden op de conclusie van de inverdenkingge-stelde, onder meer wanneer daarin, in het kader van de eerste verschijning, een onregelmatigheid van de rechtspleging wordt aangevoerd op grond waarvan het bevel tot aanhouding niet zou kunnen worden bevestigd.

De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij aanvoert dat de politie hem in zijn hotelkamer had aangehouden, dat die kamer dezelfde bescherming geniet als een woning, dat de agenten zijn binnengegaan zonder dat hij daarvoor de schrifte-lijke toestemming heeft gegeven en dat zijn interpellatie bijgevolg onregelmatig is in het licht van de artikelen 15 Grondwet, 8 EVRM, en 1bis van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende dewelke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht.

Het arrest vermeldt dat de aanhouding en het bevel tot aanhouding regelmatig zijn in het licht van de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet.

De bepalingen die hoofdstuk 1 van de eerste titel van de wet aan de aanhouding wijdt, hebben echter geen betrekking op de omvang van het door de eiser aange-voerde recht op onschendbaarheid van de woning.

Door alleen maar naar die bepalingen te verwijzen, antwoorden de appelrechters dus niet op het voor hen aangevoerde verweermiddel.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Eerste verschijning

  • Toezicht op de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding

  • Motivering van de beslissing

  • Verplichting een conclusie te beantwoorden