- Arrest van 7 februari 2013

07/02/2013 - C120165F-C120229F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek volgt niet dat het openbaar ministerie de vordering van ambtswege kan instellen telkens als een bepaling van openbare orde of betreffende de openbare orde geschonden werd; de vereisten van de openbare orde die, in de zin van die bepaling, een dergelijke tussenkomst kunnen verantwoorden, veronderstellen dat de openbare orde in gevaar wordt gebracht door een toestand die verholpen moet worden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0165.F

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

1. MA-PA bvba,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,

AR C.12.0229.F

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

MA-PA bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 14 februari 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 18 januari 2013 op de griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Ma-rie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

1. Cassatieberoep met algemeen rolnummer C.12.0165.F

De eiser voert twee middelen aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eens-luidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

2. Cassatieberoep met algemeen rolnummer C.12.0229.F

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 47, met name paragraaf 3, 49, met name het eerste lid, en 55, met name het tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen ;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het beroepen vonnis hervormt, homologeert het reorganisatieplan dat de verweerster op 20 september 2011 heeft neergelegd en dat de schuldeisers hebben goedgekeurd op de vergadering van 4 oktober 2011, om de volgende redenen:

"Artikel 47, § 3, van de wet van 31 januari 2009 bepaalt dat ‘het bepalend gedeelte van het plan de maatregelen bevat om de schuldeisers in de opschorting opgenomen op de lijst bedoeld in de artikelen 17, § 2, 7°, en in artikel 46, te voldoen'.

Hoewel het plan duidelijker was geweest indien het, met betrekking tot de schuldeisers die niet tot de Staat behoren, gepreciseerd had wat het juist bedoelde met ‘hun schuldvordering', heeft de grief toch geen belang, aangezien het plan de betrokken bedragen vermeldt en de in dat plan voorgestelde maatregelen dus helemaal niet dubbelzinnig zijn.

(...)

Door te bepalen dat ‘de homologatie slechts geweigerd kan worden (...) wegens schending van de openbare orde' (artikel 55, tweede lid, van de wet), ‘le législateur a sans conteste entendu limiter à l'extrême le pouvoir d'appréciation du tribunal en la matière' (W. David, J.P. Renard et V. Renard, La loi relative à la continuité des entreprises : mode d'emploi, p. 195, n° 279). Immers, ‘de rechtbank homologeert in beginsel de stemming van de schuldeisers, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Hij verwerpt het plan ingeval de openbare orde wordt geschonden maar ziet erop toe dat wat niet tot de openbare orde behoort niet als dusdanig wordt omschreven. Gewone bepalingen van dwingend recht zijn nog geen bepalingen van openbare orde.' (Gedr. St. Kamer 52 0160/002, p. 70).

Artikel 49 van de wet bepaalt dat ‘het plan de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting vermeldt, in kapitaal en intresten. Het kan (...) in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen voorzien, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan (...)'. De aangewende bewoordingen impliceren dat die opgesomde criteria niet uitputtend zijn.

Het beginsel van de gedifferentieerde behandeling van de schuldeisers wordt welis-waar aanvaard, maar enkel op voorwaarde dat het in de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel, dat van openbare orde is en dat ‘suppose que tous les créanciers qui se trouvent dans la même situation soient traités de la même manière et que les distinctions les concernant ne soient pas arbitraires, c'est-à-dire qu'elles soient susceptibles de justification raisonnable et équitable', wordt nageleefd (A. Zenner, La nouvelle loi sur la continuité des entreprises, Anthémis, 2009, p. 133). Weliswaar moet erop gewezen worden dat ‘c'est aussi avec une grande prudence que le tribunal appréciera le cas échéant les modalités de règlement différencié (...)' (A. Zenner, op. cit., p. 132) maar de rechtbank zal zich bij haar beslissing laten leiden door het evenredigheidsbeginsel, dat het gelijkheidsbeginsel overstijgt, ‘en telle sorte qu'il n'y a pas violation de celui-ci lorsque l'inégalité de traitement est liée à une différence de position susceptible de la justifier objectivement dans un rapport d'adéquation raisonnable aux fins légitimes recherchées' (X. Dieux et J. Windey, Nouvelles observations sur la théorie générale du concours entre créanciers - À la lumière de la loi du 17 juillet 1997 sur le concordat judiciaire et de ses premières applications, in Hommage à Pierre Van Ommeslaghe, p. 397).

Aangezien het doel erin bestaat de continuïteit van de onderneming te verzekeren, moet worden nagegaan of de categorieën die in het plan zijn bepaald op objectieve criteria gegrond zijn en er tussen de desbetreffende differentiaties en het nagestreefde doel een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat.

Het plan onderscheidt in dit geval slechts twee categorieën op grond van een criterium dat het uitdrukkelijk formuleert, met name de vraag of het al dan niet vorderingen van de Staat betreft.

[De eiser] werpt hiertegen op dat, hoewel hij ‘een institutionele schuldeiser is, het plan zijn schuldvordering niet op dezelfde manier behandelt en dat [de verweerster] [de eiser] ten onrechte bestempelt als een schuldeiser die niet tot de Staat behoort'.

Het middel vloeit voort uit verwarring.

Hoewel [de eiser] inderdaad, net zoals de belastingadministraties, vaak omschreven wordt als een institutionele schuldeiser, is hij daarom nog geen schuldeiser die tot de Staat behoort: door [de eiser] op te richten en hem rechtspersoonlijkheid toe te kennen, "heeft" de wetgever immers "impliciet aanvaard dat de schuldvorderingen inzake sociale zekerheid niet beschouwd dienden te worden als schuldvorderingen van de Staat' (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 113/2003 van 17 september 2003).

Het door de [verweerster] neergelegde plan hanteert in dit geval echter niet het onderscheid tussen al dan niet institutionele schuldeisers maar tussen schuldvor-deringen die al dan niet tot de Staat behoren. Volgens dat criterium behoort [de ei-ser] inderdaad niet tot dezelfde categorie als de belastingadministraties.

Kan dat criterium, waarvan het strikt objectieve karakter niet kan worden betwist, redelijkerwijs verantwoorden dat de belastingadministraties een gunstigere regeling verkrijgen dan alle andere schuldeisers, en met name [de eiser]?

Ten aanzien van de andere schuldeisers, vertonen de twee betrokken belastingadministraties het kenmerk dat het plan, zelfs zonder rechtstreekse vermindering op hun hoofdschuldvorderingen, hen niettemin onrechtstreeks zal benadelen omdat de vermindering op de andere schuldvorderingen de btw-administratie noodzakelijkerwijs zal verplichten de btw op het verminderde gedeelte van de schuldvorderingen terug te betalen en de belastingadministratie om de fiscale afschrijving van het niet-invorderbare gedeelte van de afgetrokken schuldvorderingen zal moeten toestaan.

De omstandigheid dat de impact van het plan op die administraties thans moeilijk becijferd kan worden, aangezien hij afhangt van de specifieke toestand van de leveranciers wier schuldvordering verminderd zal worden, verandert niets aan de vaststelling dat die impact niet louter speculatief maar, integendeel, zeer reëel is.

Behalve dat de [verweerster] beklemtoont dat de personeelsinkrimping die zij heeft doorgevoerd, ervoor zal zorgen dat [de eiser] voortaan minder blootgesteld zal worden aan het risico van haar activiteit, moet de aandacht worden gevestigd op een ander onderscheid tussen de belastingadministraties, die tot de Staat behoren, en de eiser, met name het feit dat, zoals het openbaar ministerie opmerkt, de ontvangsten van die administraties ‘deels rechtstreeks in de staatskas worden gestort, en deels [aan de eiser] worden gestort, als toelagen voor die dienst', aangezien ‘de opdrachten van [de eiser] ruimer zijn dan de inning van de sociale bijdragen' (advies van het openbaar ministerie, p. 4).

Hoewel het feit dat het plan voor de schuldeisers die tot de Staat behoren een gun-stigere regeling treft dan voor de andere schuldeisers, op zich de openbare orde niet aantast, daar die regeling verband houdt met een verschillende rechtspositie waardoor het redelijkerwijs verantwoord is, moeten de inspanningen die van de verschillende categorieën gevergd worden vooralsnog in verhouding staan tot het nagestreefde doel, met name het herstel van de onderneming.

In dat opzicht betoogt [de eiser] ten onrechte dat de [verweerster] nergens de inspanningen preciseert die de vennootschap zelf of haar zaakvoerder eventueel zouden doen om de financiële toestand te herstellen. Zowel de tot staving van het verzoekschrift neergelegde stukken als het verslag van de gedelegeerd rechter in het dossier tonen aan dat er reële inspanningen zijn geleverd, waaronder, bijvoorbeeld, het saldo van het geplaatste kapitaal dat de zaakvoerster - en enige vennoot - heeft volgestort op het hoogtepunt van de crisis die de vennootschap doormaakte, of nog het feit dat er via een inschrijving op rekening-courant geld aan de vennootschap is voorgeschoten, of dat de [verweerster] haar personeelskosten heeft gedrukt door de zaakvoerster en haar echtgenoot persoonlijk bij de activiteit te betrekken.

In die omstandigheden, en gelet op het feit dat [de eiser] en de leveranciers, on-danks de belangrijke inspanning die van hen wordt gevergd, niettemin de helft van hun schuldvorderingen behouden, moet op grond van een marginale beoordeling, conform ‘le souhait du législateur de voir le juge se montrer particulièrement circonspect dans son appréciation d'une violation éventuelle de l'ordre public' ten opzichte van ‘une différenciation approuvée par les créanciers' (A. Zenner, ‘P.R.J. et Q.P.C.', J.T. 2011, p. 472), besloten worden dat het grondwettelijk beginsel van gelijkheid, in het licht van de bij artikel 49 van de wet toegestane gedifferentieerde regeling van de schuldeisers, niet is miskend, daar er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de inspanningen die van de verschillende categorieën van schuldeisers gevraagd worden en het nagestreefde doel van herstel van de onderneming".

Grieven

Krachtens artikel 47, § 3, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de conti-nuïteit van de ondernemingen bevat het plan de maatregelen om de schuldeisers in de opschorting te voldoen.

Artikel 49, eerste lid, bepaalt dat het plan "in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen kan voorzien, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan", en artikel 55, tweede lid, bepaalt dat "de homologatie slechts geweigerd kan worden in geval van niet-naleving van de pleeg-vormen door deze wet opgelegd of wegens schending van de openbare orde".

Uit het voormelde artikel 49 blijkt dat het plan, wanneer het, zoals te dezen, in een gedifferentieerde regeling van bepaalde schuldvorderingen voorziet, de reden voor die differentiatie moet verantwoorden. Zoals artikel 49, eerste lid, bepaalt, kan de regeling van de schuldvorderingen onder meer gedifferentieerd worden "op grond van de omvang of van de aard ervan". Dat artikel bepaalt dus wel degelijk dat de rechter, vóór hij een plan met een gedifferentieerde regeling voor de verschillende schuldeisers homologeert of weigert te homologeren, niet alleen op de hoogte moet worden gebracht van de reden van de differentiatie maar ook moet beoordelen of die grond de gedifferentieerde regeling van bepaalde schuldvorderingen redelijk verantwoordt en of een dergelijke regeling de openbare orde niet schendt (artikel 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009). Tot de openbare orde behoren met name het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie tussen de schuldeisers, die zijn vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en die de procedure (van openbare orde) van gerechtelijke reor-ganisatie bepalen, die ertoe strekt de continuïteit van de ondernemingen te verzekeren.

De rechter kan slechts onder die voorwaarden het plan met een gedifferentieerde regeling van bepaalde schuldvorderingen homologeren (artikelen 49, eerste lid, en 55, tweede lid, van de wet van du 31 januari 2009).

Zoals hierboven is herhaald, beslist het arrest dat het litigieuze plan, dat voorziet in de betaling, in 24 maanden, van alle bedragen die verschuldigd zijn aan de schuldeisers die tot de Staat behoren (directe belastingen en BTW) en in de betaling, in 36 maanden, van de helft van de bedragen die aan de andere schuldeisers verschuldigd zijn, noch de openbare orde noch de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie miskent:

"Ten aanzien van de andere schuldeisers, vertonen de twee betrokken belastingadministraties het kenmerk dat het plan, zelfs zonder rechtstreekse vermindering op hun hoofdschuldvorderingen, hen niettemin onrechtstreeks zal benadelen omdat de vermindering op de andere schuldvorderingen de btw-administratie noodzakelijkerwijs zal verplichten de btw op het verminderde gedeelte van de schuldvorderingen terug te betalen en de belastingadministratie om de fiscale afschrijving van het niet-invorderbare gedeelte van de afgetrokken schuldvorderingen zal moeten toestaan.

De omstandigheid dat de impact van het plan op die administraties thans moeilijk becijferd kan worden, aangezien hij afhangt van de specifieke toestand van de leveranciers wier schuldvordering verminderd zal worden, verandert niets aan de vaststelling dat die impact niet louter speculatief maar, integendeel, zeer reëel is".

Het criterium van "de impact op de invordering van de schuldvorderingen van de belastingadministratie" is geen criterium op grond waarvan een voorkeursregeling voor de schuldvorderingen van de Staat kan worden verantwoord ten aanzien van de doelstelling van de wet van 31 januari 2009 - de continuïteit van de onderne-mingen verzekeren - en van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie.

Door de regeling van de schuldvorderingen van de Staat, met name de belastingadministratie, te bevoordelen, zullen de andere schuldeisers immers een grotere vermindering op hun schuldvorderingen moeten toestaan en zal hun financiële toestand bijgevolg worden verzwakt.

Meer nog, door de regeling van de schuldvorderingen van de Staat, met name de belastingadministratie, te bevoordelen, zullen enerzijds de andere schuldeisers minder mogelijkheden hebben om hun schuldvorderingen in te vorderen en zal er anderzijds een fiscale vermindering worden ingevoerd waarmee de belastingad-ministratie niet had hoeven in te stemmen indien de schuldvorderingen van de Staat geen voorkeursbehandeling hadden verkregen.

Het arrest, dat om de voormelde redenen het reorganisatieplan van de verweerster homologeert, schendt bijgevolg de in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke bepalingen, meer bepaald de artikelen 49, eerste lid, en 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikelen 47, § 3, 49, inzonderheid eerste lid, en 55, inzonderheid tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ;

- de artikelen 22, 24 en 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

Aangevochten beslissingen

Het arrest homologeert het door de verweerster neergelegde gerechtelijk reorganisatieplan, dat voorziet in de betaling van alle bedragen die in hoofdsom verschuldigd zijn aan de schuldeisers die tot de Staat behoren (directe belastingen en BTW), maar slechts van de helft van de schuldvordering van de eiser, om de vol-gende redenen:

"Ten aanzien van de andere schuldeisers, vertonen de twee betrokken belastingadministraties het kenmerk dat het plan, zelfs zonder rechtstreekse vermindering op hun hoofdschuldvorderingen, hen niettemin onrechtstreeks zal benadelen omdat de vermindering op de andere schuldvorderingen de btw-administratie noodzakelijkerwijs zal verplichten de btw op het verminderde gedeelte van de schuldvorderingen terug te betalen en de belastingadministratie om de fiscale afschrijving van het niet-invorderbare gedeelte van de afgetrokken schuldvorderingen zal moeten toestaan.

(...)

Behalve dat de [verweerster] beklemtoont dat de personeelsinkrimping die zij heeft doorgevoerd, ervoor zal zorgen dat [de eiser] voortaan minder blootgesteld zal worden aan het risico van haar activiteit, moet de aandacht worden gevestigd op een ander onderscheid tussen de belastingadministraties, die tot de Staat behoren, en de eiser, met name het feit dat, zoals het openbaar ministerie opmerkt, de ontvangsten van die administraties ‘deels rechtstreeks in de staatskas worden gestort, en deels [aan de eiser] worden gestort, als toelagen voor die dienst', aangezien ‘de opdrachten van [de eiser] ruimer zijn dan de inning van de sociale bijdragen' (advies van het openbaar ministerie, p. 4).

Grieven

In het eerste cassatiemiddel is reeds uiteengezet dat uit de artikelen 49, eerste en tweede lid, en 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 blijkt dat een prefe-rentiële regeling van een schuldvordering slechts gehomologeerd kan worden indien zij objectief en redelijk verantwoord wordt door, met name, rekening te houden met de beginselen van openbare orde van gelijkheid tussen schuldeisers en niet-discriminatie.

Het feit dat de geldmiddelen van de eiser gedeeltelijk voortkomen uit de toelagen van de Staat, verantwoordt niet redelijkerwijs een preferentiële regeling van de schuldvorderingen van de Staat. Hoewel de eiser weliswaar gedeeltelijk door de Staat gefinancierd wordt, zal de niet-betaling van het volledige bedrag van de schuldvordering van de eiser of van een gedeelte daarvan immers ertoe leiden dat de Staat de toelagen aan de eiser zal moeten verhogen of, op zijn minst, de financiering van de verschillende socialezekerheidsregelingen zal moeten verminderen.

De artikelen 22, 24 en 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene be-ginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepalen immers dat de geldmiddelen van de eiser voortkomen uit de toelagen van de Staat en uit de socialezekerheidsbijdragen (artikel 22) en dat die geldmiddelen verdeeld worden onder de socialezekerheidsregelingen (artikelen 24 en 26).

Indien, met andere woorden, de schuldvordering van de eiser op de verweerster met 50 pct. verminderd wordt, wordt de financiering van de verschillende socialezekerheidsregelingen met hetzelfde bedrag verminderd. Het feit dat de belastingadministratie het volledige bedrag van haar schuldvorderingen kan invorderen, verhelpt die vermindering niet.

Het arrest, dat het litigieuze reorganisatieplan homologeert waarin de aan de eiser verschuldigde bedragen met de helft verminderd wordt, alleen op grond dat de eiser toelagen van de Staat ontvangt, verantwoordt zijn beslissing bijgevolg niet naar recht (schending van de in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke be-palingen, en meer bepaald de artikelen 49, eerste lid, en 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging van de cassatieberoepen

De cassatieberoepen met de algemene rolnummers C.12.0165.F en C.12.0229.F zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Er bestaat grond tot voeging.

B. Cassatieberoep met algemeen rolnummer C.12.0165.F

Het door het openbaar ministerie tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid : de eiser kan niet ambtshalve optreden op grond van artikel 138bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek:

Krachtens artikel 138bis, § 1, Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar ministerie ambtshalve op telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.

Uit die bepaling volgt niet dat het openbaar ministerie de vordering van ambtswe-ge kan instellen telkens als een bepaling van openbare orde of betreffende de openbare orde geschonden werd. De vereisten van de openbare orde die, in de zin van die bepaling, een dergelijke tussenkomst kunnen verantwoorden, veronder-stellen dat de openbare orde in gevaar wordt gebracht door een toestand die ver-holpen moet worden.

Het arrest homologeert het gerechtelijk reorganisatieplan dat de verweerster heeft neergelegd op 20 september 2011 en dat de schuldeisers hebben goedgekeurd tij-dens de vergadering van 4 oktober 2011, en verantwoordt zijn beslissing met de in het cassatieberoep bekritiseerde reden, volgens welke het plan, dat in een gediffe-rentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen voorziet, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet miskent.

Uit die beslissing volgt niet dat de openbare orde in gevaar wordt gebracht door een toestand die de ambtshalve tussenkomst van het openbaar ministerie verant-woordt.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

C. Cassatieberoep met algemeen rolnummer C.12.0229.F

Eerste middel

Volgens artikel 55, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen kan de rechtbank van koophandel de homolo-gatie slechts weigeren in geval van niet-naleving van de door die wet opgelegde pleegvormen of wegens schending van de openbare orde.

Krachtens artikel 49 van die wet kan het plan in een gedifferentieerde regeling voorzien voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest 8/2012 van 18 januari 2012 beslist dat het voormelde artikel 49 niet toelaat dat het plan verschillen in behandeling be-paalt die niet redelijk zijn verantwoord.

Die verantwoordingsgrond wordt beoordeeld op grond van het doel en de gevol-gen van de bekritiseerde maatregel en van de aard van de betrokken beginselen; het gelijkheidsbeginsel, dat van openbare orde is, wordt miskend wanneer er geen redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

Krachtens artikel 16 van de wet van 31 januari 2009 strekt de procedure van ge-rechtelijke reorganisatie tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten, door met name het akkoord van de schuldeisers over een reorganisatieplan te verkrijgen.

Hieruit volgt dat wanneer het reorganisatieplan in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen voorziet, de rechtbank van koophandel moet nagaan of de in het plan bepaalde categorieën gegrond zijn op objectieve criteria die redelijk zijn verantwoord en of er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen die differentiaties en het nagestreefde doel, met name het behoud van de continuïteit van de onderneming via een akkoord van de schuldeisers over dat plan.

Enerzijds wijst het arrest erop dat het plan een onderscheid maakt tussen twee ca-tegorieën van schuldeisers naargelang van het feit dat hun schuldvorderingen al dan niet schuldvorderingen van de Staat zijn, en beslist, zonder dienaangaande bekritiseerd te worden, dat dit een objectief criterium is.

Anderzijds beslist het arrest dat het feit dat de Staat een gunstigere regeling dan de andere schuldeisers geniet, wordt verantwoord door "de impact van het plan [...] op de [btw- en belasting]administraties" wegens de rechtstreekse vermindering van de andere schuldvorderingen, die "de btw-administratie noodzakelijkerwijs zal verplichten de btw op het verminderde gedeelte van de schuldvorderingen terug te betalen en de belastingadministratie om de fiscale afschrijving van het niet-invorderbare gedeelte van de afgetrokken schuldvorderingen zal moeten toestaan", dat "de personeelsinkrimping die zij heeft doorgevoerd, ervoor zal zorgen dat [de eiser] voortaan minder blootgesteld zal worden aan het risico van haar activiteit", dat "de ontvangsten van die administraties ‘deels rechtstreeks in de staatskas worden gestort, en deels [aan de eiser] worden gestort, als toelagen voor die dienst'", en dat "[de eiser] en de leveranciers, ondanks de belangrijke inspanning die van hen wordt gevergd, niettemin de helft van hun schuldvorderingen behouden".

Het arrest, dat uit die overwegingen afleidt dat "op grond van een marginale be-oordeling, conform ‘le souhait du législateur de voir le juge se montrer particuli-èrement circonspect dans son appréciation d'une violation éventuelle de l'ordre public' ten opzichte van ‘une différenciation approuvée par les créanciers' [...], besloten moet worden dat het grondwettelijk beginsel van gelijkheid, in het licht van de bij artikel 49 van de wet toegestane gedifferentieerde regeling van de schuldeisers, niet is miskend, daar er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de inspanningen die van de verschillende categorieën van schuldei-sers gevraagd worden en het nagestreefde doel van herstel van de onderneming", verantwoordt naar recht zijn beslissing om het reorganisatieplan van de verweer-ster te homologeren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Enerzijds heeft de wetgever, door de eiser op te richten en hem rechtspersoonlijk-heid toe te kennen, impliciet erkend dat de schuldvorderingen inzake sociale ze-kerheid niet beschouwd worden als schuldvorderingen van de Staat.

Anderzijds blijkt uit de parlementaire voorbereiding en uit de specifieke vereisten van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord dat de wetgeving betreffende de financiering en de werking van de eiser niet verhindert dat een reorganisatieplan, dat tot doel heeft de onderneming te redden en haar continuïteit te verzekeren, in een vermindering van de socialezekerheidsschuld voorziet.

Het arrest, dat beslist dat het feit dat een gedeelte van de geldmiddelen van de ei-ser voortkomt uit staatstoelagen een criterium is dat de differentiatie tussen de schuldvorderingen van de Staat en die van de eiser redelijk kan verantwoorden, verantwoordt naar recht zijn beslissing om het reorganisatieplan, dat in een derge-lijke gedifferentieerde regeling voorziet, te homologeren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Voegt de zaken met de algemene rolnummers C.12.0165.F en C.12.0229.F.

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de Belgische Staat in de kosten van de zaak met algemeen rolnummer C.12.0165.F en de eiser in de kosten van de zaak met algemeen rolnummer C.12.0229.F.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsvordering van ambtswege

  • Artikel 138bis, Gerechtelijk Wetboek

  • Voorwaarden

  • Openbare orde