- Arrest van 8 februari 2013

08/02/2013 - C.11.0617.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bevel tot staking is een preventieve maatregel die er niet alleen toe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 en 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening te voorkomen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0617.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de per-soon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, bus 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

J O D B,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 mei 2011.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 17 december 2012 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 154, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 en, vanaf 1 sep-tember 2009, artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de in het artikel 148 Stedenbouwdecreet 1999 dan wel de in artikel 6.1.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van ge-rechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen, indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 van hetzelfde decreet, dan wel, vanaf 1 september 2009, vermeld in artikel 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Het in deze artikelen bedoelde bevel is een preventieve maatregel die er niet alleen toe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 en 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening te voorkomen.

2. Krachtens artikel 146, 6°, Stedenbouwdecreet 1999 wordt de persoon ge-straft die een inbreuk op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke orde-ning, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavig decreet, pleegt na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook.

Krachtens artikel 6.1.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt de per-soon gestraft die een inbreuk op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimte-lijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaar-digd krachtens onderhavige codex, pleegt na 1 mei 2000, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn, of tenzij het gaat om onderhoudswerken aan een hoofd-zakelijk vergunde constructie of om handelingen die vrijgesteld zijn van de ver-gunningsplicht.

3. Krachtens artikel 1.1.2, 9°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening moet voor de toepassing van de codex worden verstaan onder plan van aanleg: een gewest-plan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg.

Artikel 4.1.1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat een bestem-mingsvoorschrift een stedenbouwkundig voorschrift is dat is neergelegd in, onder meer, een gewestplan, in welk geval het betrekking heeft op de omschrijving van de bestemmingsgebieden, in de zin van artikel 1, § 1, tweede lid, Koninklijk Be-sluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen.

Op grond van artikel 16.5.0 Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn de recreatiege-bieden bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommoda-tie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie en kunnen in deze ge-bieden de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren.

Op grond van artikel 1.1.2, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt voor de toepassing van deze codex verstaan onder handelingen: werkzaamheden, wij-zigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties.

4. Uit deze bepalingen volgt dat het niet vergund gebruik in strijd met de ge-westplanbestemming "recreatiegebied" na 1 mei 2000 ingevolge artikel 6.1.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een strafbare handeling uitmaakt.

Voor dergelijke strafbare handeling kan een stakingsbevel worden afgeleverd zo-als bedoeld in artikel 154 Stedenbouwdecreet 1999 en 6.1.47 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor zover vaststaat dat daardoor een inbreuk op de wette-lijke regels inzake ruimtelijke ordening kan worden voorkomen.

5. Anders dan het middel aanvoert is het niet-vergund gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften geen voortdurend misdrijf, dit is een misdrijf dat be-staat in een ononderbroken en door de dader bestendigde wederrechtelijke toe-stand.

In zoverre het middel aanvoert dat het niet-vergund gebruik in strijd met de be-stemmingsvoorschriften een voortdurend misdrijf is dat het opleggen van een sta-kingsbevel kan verantwoorden, faalt het naar recht.

6. Of verscheidene misdrijven wegens eenheid van opzet een enkel misdrijf opleveren, wordt onaantastbaar beoordeeld door de feitenrechter.

In zoverre het middel aanvoert dat het niet-vergund gebruik in strijd met de be-stemmingsvoorschriften het voorwerp van een stakingsbevel kan uitmaken omdat het een voortgezet misdrijf oplevert in zoverre opeenvolgend, door het actief strij-dig gebruik, inbreuken worden begaan op de bestemmingsvoorschriften die, over-eenkomstig artikel 65 Strafwetboek, de voortzetting zijn van eenzelfde misdadig opzet, verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

7. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de aard van het instandhou-dingsmisdrijf zou hebben miskend, is het gericht tegen een overtollige reden en kan het niet tot cassatie leiden.

Het is in zoverre niet ontvankelijk.

8. De overige grieven zijn afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 524,40 euro en voor de verweerder op 320,46 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2013 uitgesproken door voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman K. Mestdagh

B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Stakingsbevel

  • Aard

  • Doel